Skip to main content

Full text of "Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap der Kunsten en Wetenschappen"

See other formats


ros 



L 

BËfÉ 

Hl 

«BwffiKnn! 
IJl 




llliii 

■il 

iill 

BH 

wmmll 



lil 

11 

OM 

lil 

mm 






















iijjiiiiiiM 

jf j5 JIJ? Ijl 






— > *-i ^ 0( <*-»flVifl. ) 



HARVARD UNIVERSITY 




LIBRARY 



OF THE 



Museum of Comparative Zoology 



n 



BEKNOPT 



Nederlandsch=Sasaksch Woordenboek. 



Samengesteld 



DOOR 



Q. K. B. AG ER BEEK. 



Controleur B. B. 



VERHANDELINGEN 



VAN HET 



Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. 



Deel LXI. 

Eerste stuk. 



Batavia, 
ALBRECHT & Co. 



's H A G B, 

M. NIJHOFF. 



1914. 




MmR 



BEKNOPT 



Nederlandsch-Sasaksch Woordenboek. 



Samengesteld 



DOOR 



Q. K. B. AG ER BE EK. 



Controleur B. B. 



VERHANDELINGEN 



VAN HET 



Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. 



Deel LXI. 

Eerste stuk. 



Batavia, 
ALBRECHT & Co. 



's H A G E, 

M. NIJHOFF. 



1914, 



VOORBERICHT 



Met de uitgave van dit woordenboekje wil ondergeteekende gaarne de 
hoop uitspreken, dat dit werkje van nut moge zijn voor al degenen, die zich 
de Sasaksche taal eigen willen maken. Zooals de lezer in dit werk zal zien, is 
het gebruik van verscheidene woorden met voorbeelden toegelicht, terwijl met 
diverse teekens getracht is zoo duidelijk mogelijk aan te geven hoe de woor- 
den moeten worden uitgesproken. 

Ten slotte nog de mededeeling dat achter enkele woorden de letters 
h. g. p. geplaatst zijn, wat zeggen wil dat deze woorden alleen gebezigd worden, 
indien men spreekt tot — of van hooggeplaatste personen. 

G. K. B. Ageebeek. 



A. 



aal (priem) 
aal (visch) 
aalmoes 
aambeeld 
aambeien 

aan 

aan aarden 

aanbidden 

aanbieden 

aanblazen (v. vuur) 

aanbranden 

aanbreken 

aanbrengen 

aandeel 
aandenken 

aandikken (v/e letter) 
aandoen 

aaneen (binden) 
aangaan 



aangapen 

aangenaam (prettig) 
aangenomen 



Verhandelingen Bat, Gen. PI. 



djaroem bëli £ . 

lindoeng. 

dëdanan. 

paron. 

x ) tombong balik (naar buiten gekeerde aars). 

3 ) soegoel bol (uitgezakte endeldarm). 

lé £ . 

ngërombo^ (rombo £ ) tana £ ; terombo c (passief). 

ngëbakti, njëmbab (bakti, sëmbah); tëbakti, të- 

sëmbah (passief). 
ngatoerang; (atoer); aanbod — atoeran ; katoer 

(passief), 
nioep barak (tioep). 
kotong èkèn; siló £ (aangebrand), 
b/h aanbreken v/d dag — roetap 2 , këlèma £ lèma £ ; 

bëroenë soegoel djëlo ; bëroenë tioe c djëlo. 
kapitaal — ngëlèka'ang këmboelan ; geluk — lang- 

annë agët; ongeluk — langannë latjoer. 
bagian, pijakan. 
tanda £ peringëtan. 

nëbëlang (tëbël) satrë ; tetëbelang (passief), 
een jas — ngëngadoe këlambi, ngéang këlambi ; 

een haven — njëlalo c \é z pëlaboewan. 
tëpësopo £ (aaneengebonden ; sopo = één), 
bij iemand aangaan, aanloopen — njëlalo £ lé £ balénë 

(volgt naam); dat gaat mij niet aan — ëndé £ 

koeroengoeang ; dat gaat jou niet aan - - ënda c 

dë roengoeang. 
bënga c . 
bagoe^s, onja c . 
aangenomen dat hij bekent, wat moeten wij 

dan doen? — këtima dëngan sino polos, gën 

të koembé £ ? 
Lxi. ie stuk, 1 



aangezicht 
aanhalen 



aanhitsen (een hond) 

aanhooren 
aanhouden (iemand) 

aankijken 

aanklagen (iemand wegens 

diefstal) 
aankomen 
aankoopen 
aanleggen (een weg) 



moewë. 

iemand — ngadjoem ; goederen — ngërampas ba- 
rang (adjoem, rampas); tadjoem, tërampas — aan- 
gehaald. 

mësoetang (basong) (pësoet) ; tëpësoet — aange- 
hitst. 

dëngër, dëngah; gèdèng (v. h. p.) 
ngandëkang, ngolowang (andëk, ngolo); tëandëk, 

ngolo (passief). 
gita s , njerminang. 



aanlengen (verdunnen) 
aanmaken 



aannemen 



aanplant 



ngatoerang (dëngan sala £ ne mëmaling). 

dateng, raoeh. 

mëli (bëli) ; tëbëli — gekocht. 

mija £ , pija £ (langan) ; deze weg is niet goed 

aangelegd — langan siné endé ne bagoes isinë 

tepija £ . 
nolo £ ang ai £ (er water bij doen), 
iets vervaardigen '— mija £ of mina £ , (pija £ ), gawé; 
vuur — mija £ api, beli £ 'ang api ; tëpija £ — aan- 
gemaakt, 
nampi, nerima £ (tampi, tërima £ ) ; tëtampi, tëtëri- 

ma £ — (aangenomen), 
tëtalëtan ; de padi aanplant o/d sawahs ziet er 

goed uit — tëtalëtan padé lé £ bangkët selapoe 

bagoes . 
nadjëpang (tadjëp) ; tetadjëp (passief), 
mëringet, (ingët), njadé peringëtan ; ik raad je 

aan de zaak voor den Controleur te brengen — 

tijang meringët sidë perkara siué atoerang lé £ 

datoe. 
nëlëdjoet £ . 
,, ,, (personen of dieren) gödèt. 
aanranden mègal (bègal); tëbègal — aangerand, 

aanroepen ngëlèk, nanggor, ngëmpoh ; (këlèk, tanggor, 

ëmpoh) ; tëkëlèk, tëtanggor, të'ëmpoh [verkort.: 

tëmpoh] (passief), 
aanscherpen mërangang. 



aanpunten (een potlood) 
aanraden 



aanraken (van zaken) 



aanschieten 
aanschrijven 



njesep. 



aanslag houden (v/d belasting) 
aanspannen 

aanspoelen 



noelis, njoerat, (toelis, soerat) ; tëtoelis, tësoerat, 
(passief). 

ngënain padjek. 

masang, (pasang); span de paarden in — pasang 
djaran sino; tëpasang — aangespannen. 

ngainporang, (ampor) ; er zijn te Laboean Hadji 
twee lijken aangespoeld — lé £ L. H. ara majit 
doewa wah te ampor(ang) isi c oembak. 
aansprakelijk (de schuld krijgen) tanggoeng kesala'an ; doet het volk niet wat ik 

zeg, dan zijt gij desahoofd daarvoor aansprake- 
lijk — lamoen batoerdë ëndénë noeroet prentah- 
koe, sidë këpala dési tanggoeng kesala'an. 

verloofde — ondong; aanstaande week — kari sëdjoe- 
ma'at ; a. s. maand — boelan pengandang ; a. s. 
Maandag — sënèn si gën datëng. 

noetoeng, njëdoet (toetoeng, sëdoet) ; in brand 
steken — njedoet; tëtoetoeng, tësëdoet (passief). 

këkëmbo £ an. 

sënëkajan. 

këloewénë, tjatjaknë. 

misoenë, (pisoenë); aantijging — pisoenë, pitënah; 
je bent beschuldigd te hebben gestolen, is dat 
zoo ? — sidë wah te paran mëmaling, tetoeké ? 

nërangang, (tërang); teterangang — aangetoond ; 
kunt ge aantoonen, dat ge geen schuld. hebt'? — 
apa baoe sidë nërangang angkoendë ëndé sala^V 

nëdoen, tëdoen, datëng, njoegoel, (soegoel); laat 
alle H. P. aantreden — pengajah sino sëlapoe adinë 
datëng; tëdoen, datëng, soegoel (passief). 

nembé'in; een betrekking aanvaarden — nëmbé'in 
pëgawéjan. 



aanstaande 



aansteken 

aanstellen (zich) 
aanstonds 
aantal 
aantijgen 



aantoonen 



aantreden 



aanvaarden 



aanvallen (zie: aanranden), 
aanvragen 

aanwezig 



ngèndèng, noenas (èndèng, toenas) ; te"èndèng, të- 

toenas (passief), 
aranë; hoeveel hoofden waren o/d sangkëpan 
aanwezig? — pirë aranë këpala de'sïi lé = sang- 
këpan ? 



aanwijzen 



aanzeggen 



aanzetten (een mes) zie : aan- 
scherpen, 
aap 

aard (inborst) 
aarde 

aardknol 
aard noot 
aars 
aas 
acht 



acht geven 


(op iets 


letten) 


achter 






achteraan 






achtereen 






achterhalen 


(inhaler 


') 


achterin (d( 


s kast) 




achterlaten 






achternazetten 




achterover ' 


vallen 




achterstand, 


rest 




achteruitgaan 




adel 






adem 







nidjo c (tidjo £ ); tetidjo £ — aangewezen. 
bebada £ , ngatoerin (bada £ , atoer) ; — tëbada", të'- 
atoer(ang); ngatoerin (v. h. p.). 



godèk. 

tabéat. 

bol — goemi ; grond — tana s ; eetbare aarde — 
tana £ kaken. 

oebi, ambon. 

katjang. 

tombong; aarsopening — löwang tombong. 

impan 2 , baren. 

baloe £ ; met z'n achten — tangkët baloe £ , kantje 
baloe £ ; 18 — baloe £ olas; 28 — baloe £ likoer ; 38 
— teloeng dasa baloe £ ; 48 — pëtang dasa baloe c ; 
pëtang poeloe baloe c ; 58 — sèket baloe £ ; 68 — 
nëmdasa baloe £ ; nëmpoeloe baloe £ ; 78 — pi- 
toengdasa baloe £ , pitoe £ poeloe baloe £ ; 88 — 
baloe c poeloe baloe £ ; 98 — siwa poeloe baloe £ ; 
80 — baloe £ poeloe; 800 — dömas; 8000 — 
baloe £ tali, baloe £ ijoe; 80000 — baloe c laksa. 

mëlènga £ , (pëlènga £ ); tëpëlènga £ (passief)). 

moedi, moeri. 

si moedian. 

betoeroet-toeroet ; bëloetoen-loetoen. 

memali £ , neroetoeg (pali £ , tëroetoeg) ; tëpali c , 
tëtëroetoeg (passief). 

lë c moedi (lëmari). 

ngadé £ ang, ngentengang (adé, ënteng); te'adé, 
të'ënteng(ang), (passief). 

mëmali £ (pali £ ); tëpali £ — achternagezet. 

ëngkèlak bëmoedi. 

kë karen. 

soeroet, bëmoedi. 

përwangsa. 

ëmbok ; adem halen — bërëmbok ; den adem in- 
houden — ngandëg ëmbok; hijgen — ngënggèh, 



adres 

afbakenen 

afbinden 

afbreken 

afdak 

afdalen 

afdammen 

afdoen 

afdrijven (i/d stroom) 

afgeloopen jaar 

afgemat 

afgericht 

afgesloten 

afglijden 

afgod 

afgraven 

afgrond 

afgunstig 

J ) afhalen van personen 

2 ) afhalen . goederen 

afhooren 

afkomst 

afkoopen (heerendiensten) 

afleggen 

afmeten 

afnemen 

afplukken 

aframmelen (afranselen) 

africhten 

afroepen 

afsluiten 

afspoelen 



alamat. 

mija £ watesan (pija £ ). 

nali s (tali £ ); tëtali 2, — gebonden. 

gagar, gelagat; tegagar, tegëlagat — afgebroken. 

ambèn, ampik. 

noeroen (toeroen); toeroen (passief). 

ngempël (empël); te'ëmpël' — afgedamd. 

djari ; dit werk moet gauw worden afgedaan — 

pëgawéjan siné adinë njërëk djari. 
èlèr, èlèh. 
tahoen djoeloe. 
lëlah, këntalo £ , loeloeh. 
tëoeroek(ang). 
tepagër; was het erf afgesloten'? — pakarangan 

sino tëpagërké? 
bëkëdéros. 
déwa. 

ngali^ (kali c ); tëkali c — afgegraven, 
djoerang, iding 2 . 
tampë. 

1 ) mëndakin (pëndakin) (v. hooggepl. personen); 
tëpendakin (passief). 

2 ) bait; tëbait (passief), 
dëngëran, ngintip. 
asal. 

meli, heli, (pëngajah). 

een afstand — lèka; een lijk — bëlangar 1» : ' dëDgan 

si mati s . 
ngoekoer, njikoet (oekoer, sikoet): tëoekoer, têsi- 

koet (passief), 
ngerampas (ranipas); tërampas — afgenomen, 
baoe ; tebaoe (passief). 
mëribasa 2 . 

ngoeroekang (oeroek) ; tëoeroek(ang). 
njëboet (sëboet); tësëboet (passief), 
njimpët (simpët) ; tësimpët afgesloten. 
])oj)o i (v/ kleedingstukken), biso 1 (van andere 

zaken) ; tëpopo c , tëbiso" (passief). 



afstammeling 


oeroesan. 


afstand 


kërënggang(në). 


afstappen 


t oeroen. 


afval 


salo. 


afzetten (bedriegen) 


ngapoes (apoes); tëapoes (passief). 


afzonderen 


ngëlin, (këlin) ; tëkëlin — afgezonderd. 


al 


wah. 


alang 8 


ré. 


albino 


bödak. 


alhoewel 


tima £ . 


alleen 


mèsa^mèsa 2 ; alleen maar — sa kèwale, èntah; ik 




heb dat paard alleen maar bereden, doch niet 




gekocht — djaran siuo èntah kadji toenggang, 




ëndé £ kadji bëli. 


allemaal 


sëlapoe. 


allerhande, allerlei 


èndah roewë. 


alles 


sëlapoe. 


als 


lagoe. 


alsof 


mara £ . 


alvorens 


sa'ëndé £ man, sëndé'man. 


alweer 


ampo c (zie ook: meer). 


amfioen 


tjandoe. 


ander 


lainan. 


anderhalf 


sopo sëtënga c . 


anders 


lamoen ëndé £ . 


angst, angstig 


këtakoetan. 


anker 


manggar. 


antwoorden 


nimbal, bëdjawab (timbal, djawab); antwoord — 




pënimbal ; tëtimbal, tëdjawab (passief). 


aquaduct 


abangan. 


arak 


arak. 


arbeid 


pëgawéjan. 


aren (palm) 


nao ; arènsuiker — goela, abang. 


arm (lich. deel) 


bëtëk ; gading si atas (v. h. p.). 


arm (behoeftig) 


rare, déré, miskin. 


armband 


tékén ima; enkelring -- tèkèn naè. 


armoede (ellende) 


sangsara. 


arresteeren 


tahan, baoe. 


asch 


aoe-. 


auto 


motor (uit het Nederlandsch). 



avond 



avondscliemer 



këlëm; 's avonds — këkëlëm; middernacht — tenga c 

këlem. 
kënjekënë samar moewa. 



B. 



baad je 


tangkong, këlambi. 




baai (zeebocht) 


tëloek. 




baai- 


staaf — gitikan; een staaf goud — 
lijkbaar — kèrèng bataug. 


in as giti 


baard 


rèrèk ; sik — baok. 




baarmoeder 


tao c anak. 




babbelen 


wëwaran, bëwaran, dëdongèng. 




bacil 


koeman (klein beestje). 




baggeren (d/d modder) 


ketëroeng (\é z raoek). 




bak (etensbak) 


taka c inipan. 




bakken (koek) 


mija (djadjii). 




baksteen 


bata. 




balang sangit 


kenangó. 




balk 


• 

ramowan. 




bamboe 


tërèng, ampel. 




bang 


takoet. 




bankbiljet 


wang- kërtas. 




barsten 


tjërah, dan. 




bed 


patin doan, perëndjëpan. 




bedaard 


ngalës. 




bedekken 


ngroengkoep, ngroeroep. 




bedelaar 


dëngan ngèndènef. 

Ö o o 




bederven 


sédë; bais — bedorven; van visch — 


badëk. 


bedotten 


ngapoes (zie: afzetten). 




bedrag 


adji. 




bedreigen 


ngadjat (adjat); tëadjat (passief). 




bedwelmd (dronken) 


bowos, pinëng. 




beëedigen 


njoempah (soempah); tësoempah — 


beëedigd 


beeld 


tetato. 




beeldhouwer 


toekang tëtato. 




been (bot, knook) 


tölang. 




been (lick. deel) 


naè, gading si bawa* (v. h. p.). 




beest 


sësato. 





8 



begaanbaar 



beginnen 



begluren 
begraafplaats 

begraven 

begrint 

begroeid (ui/ onkruid) 

begroeten 

bebooren (toebebooren) 

behoorlijk 

beiden 

beitel 

bek 

bekend 

bekennen 

bekijken 

beklimmen 

beknopt (kort en bondig) 

belasting 

beleedigen 

belofte 

beloonen 

bemesten 

beminnen 

bemoeien 

benadeelen 

benauwd 

beneden 

benoemen 

benoorden 

beoosten 

bepalen 

beplanten 



langaui; deze weg is niet begaanbaar — roeroeng 

siné ëndénëmau baoe të langani. 
nipa £ ang, nëmbe'in (tipa, tembé); van af het 

begin — lèkau pënëmbé'në ; tetëmbé, tetipa(ang) 

— (passief). 
ngintip (intip) ; të'intip (passief), 
tao pëkoeboeran. 
nalet (talët) ; tetalët — begraven, 
të'oloang anak batoe, këlatang anak batoe. 
bënës. 

ngatoerang tabé. 
ngépé ; wie is de eigenaar van dit paard ? — sai 

ngèpèn djaran siné? 
patoet. 
dëdoewanë. 
pa'at, tatë. 

biwir, tödok ; snavel v/ë vogel — tjoetjoek. 
nënao £ , tëtao £ . 
polos. 
gita £ , njërminang(sermin) — tëgita £ , tesermin(ang) 

(passief), 
taèk, bëlété. 
konté £ , konta c . 

padjëg, wang pentjarian, oepeti. 
mija £ kaila'an, njënjela £ (tjela £ ) ; tëpija £ ang kaila- 

'an, tëtjëla £ (passief), 
perdjandjian 

ngoepa £ (oepa £ ) ; tëoepa £ — beloond, 
ngëmokohaug (mokoh); tëmokohang — (bemest), 
dëmën, soekë. 
miloe. 

motjolang (potjol); tëpotjolang — benadeeld, 
soesah bërëmbok. 
bawa £ . 

ngangkat (angkat) ; tëangkat (passief), 
sëdajanë. 
satimoenë. 

nëntoewang (tëntoe); tëtentoewang (passief), 
nalët (zie ook : begraven). 



beploegen 

beproeven 

bereids 

berg 

bericht 

beroemd 

berouw 

beruiken 

beschaafd 

beschamen 

beschieten 

beschimmeld 

beschuldigen 

beslissen 

besmettelijk 

besnijden 

bespotten 

besproeien 

bestellen 

bestijgen 

bestrijken 

bestrooien 

besturen (v/e schip) 

betalen 

betasten 
beteekenis 
beter (geuezen) 
betrappen 
betrouwbaar 

beu 
beurs 

beurt, om de beurt, beurte- 
lings 
bevallen 



nenggale (tenggalë) ; tëtenggalë (passief). 

njoba 51 (tjoba c ); tetjoba c — beproefd. 

wah, was. 

goenoeng. 

kabar, orte. 

kasoeb. 

njesel. 

ngamboe 1 , ngadoek (amboe c , adoek) ; tëamboe, 

tëadoek (passief), 
wah nao £ ba'asa. 
mija £ kaila'an. 

bëbëdil (bëdil); tëbëdil (passief), 
boelat. 

maran (paran); tëparau — beschuldigd, 
moepoetang (poepoet) : tëpoepoet (passief). 
belonto c . 

njoenat (soeuat); tësoenat — besneden, 
ngëwadë (wade) ; tëwadë (passief), 
ngirin (irin) ; teirin — besproeid, 
mësën (pësën) ; tëpësën — besteld, 
taèk, noenggang. 

mëmölès (polès); tëpölès — bestreken. 
('m)boeboekin (boeboek); tëboeboekin (passief). 
(ëng)gisi këmoedi. 
bajar, bajah ; schulden betalen — njaoer (saoer) 

tësaoer — betaald, 
bëgasap, bëdona, begarap. 
ma'në. 

djëra c , sëlah, sëgër. 
dait ; tëdait — betrapt. 

die persoon is niet betrouwbaar — dëngan sino 
ëndénë baoe të sadoe 2 ; (sadoe c — vertrouwen), 
bosan, pënda £ . 
tjërjöpok, taka oewang ; doos — tjët jöpok ; siga- 

renkoker — taka röko £ . 

begilir. 

nganak (anak); të'anakang, tëpëranakang — geboren. 



10 



bevel 

bevelen 

beven 

bevochtigen 

bevorderen 

bevriend 

bewaken 

bewaren, leggen 



dëdawoehan, prentah. 
('n)dawoehin. 



gerger. 



('m)basa £ 'ang (basa c ) — tëbasa s 'ang (bevochtigd), 
naèkang (taèk) ; tëtaèkang — bevorderd, 
bëbraje, bëkasihan. 
djaga £ , njanggrë (sanggrë) — tëdjaga*, tesang- 

grë (passief). 
olo £ . 



bewegen 


ngoewit. 


bewerken 


ngaro (v/ gronden), gawé. 


bewijs 


tandë, tando s . 


bewezen 


nërangang (tërang) — ; tëtërangang (passief). 


bewonen 


bëbalé. 


bezem 


sampat, tënggërang, pënjapoe. 


bezitten 


bëdoewé, ngépé. 


bezuiden 


bëdaja. 


bibberen 


ngiëgët. 


bidden 


sembajang. 


bij (voorzetsel) 


le £ . 


bij (insekt) 


groote bij — taboean ; kleine bij — gëgëti. 


bieden 


bërëga. 


bijaldien 


lamoen. 


bijgelegd (i/d minne geschikt) 


tëbagoesang; hun geschil is reeds bijgelegd — 




përkara dëngan sino wah tëbagoesang. 


bijna 


kari sëkedi £ . 


bijnaam 


djëdjoeloek, djëdjalp. 


bijten 


ngéké c , ngako £ . 


billen 


tongkèl. 


binden 


nali £ (tali £ ); tëtali c — gebonden. 


binnen 


dalem ; binnenkomen — tamë. 


blaasbalg 


pëmoeroeng, boeroengau ; këmpès (v/e goudsmid). 


blaaspijp 


toeloep. 


blad 


gèdèng, daoen. 


blaffen 


ngógo £ ; djaloeng (huilen v/e hond). 


blaten 


moeni, ngëmbè c . 


blauw 


këlaoe. 


blazen 


nioep. 



11 



bleek 


këtjoet. 


blij 


girang, tjëmoh. 


blijven 


('n)dot ; laat 't maar zoo — aioerang ngënoe. 


bliksem 


kisap, gèntèr, tekèr; getroffen d/d bliksem — telaèp 




isi gèntèr. 


blind 


boeta; a/e oog — pëkèk, dintjèng ; scheel — séro. 


blinken 


njëlèug. 


bloed 


dara £ , gëtih. 


bloem 


këkëmbang. 


bloot (naakt) 


bëkëlombas, besëngkaro. 


bluffen 


ngangkërang. 


bochel 


pökon. 


boeg 


tjotjor. 


boek 


boekoe s . 


boeren laten 


këmboei, këntërap. 


boete (beboeten) 


dosë, dënda ; tëdosë, tëdenda (passief). 


bok 


bémbé c , dombë. 


boom 


lolo. 


boon 


katjang, antap ; katjang idjo — antap idjo c . 


boor 


poesoet. 


boos 


sili, gëdëk; doekan (v/ hooggepl. pers.) 


boot ' 


kapal. 


bord 


piring. 


boren 


mëmoesoet (poesoet); tëpoesoet — geboord. 


borg 


tanggoeng. 


borst 


dadë ; borsten — soesoe. 


borstel 


sikat. 


bos (bundel) 


v/ padi — tjëkël ; v/ hout — bantël. 


bosch 


gawah. 


bot 


kongól, toempoel. 


botsen 


bëlampëran. 


bouwen (een huis) 


mija £ balé, naugoen of boetëngan balé. 


boven 


lé = atas. 


bovendien 


ampo c . 


brak 


darè c . 


braken 


ngoeta*. 


brand 


djoelat. 



12 



branden 

brandy zer 

brandmerken 

breed 

breken 

brief 

bril 

broeden 

broeder 

broek 

brok 

brokkelen 

brommen 

bron 

brons 

brood 

broos 

brug 

bruiloft 

bruisen 

brullen v/e tijger 

brutaal 

buffel 

buigen 

buik 

buil 

buit 

bukken 

bundel 



cholera 
citroen 



njala ; in brand steken — njëdoet. Zie ook : aan- 
branden, aansteken. 

tjap bësi. 

ngëtjap. 

galoeh, goewar. 

mlëkès (plëkès); teplekès — passief. 

toelis, soerat. 

tasma c . 

ngarëm (arëm); tëarëm — passief. 

sëngaké (oudere broer); sëugari, tradi (jongere 
broer). 

sëlowar, sëlanë. 

pölong, pëlëng. 

sëbak. 

ngërëng. 

ënggër (kleine); ai c ngëmboel, këlëboetan, peugëm- 
poekan (groote); oorsprong v/e rivier — otak ai £ . 

tëmbagë. 

roeti. 

bëla £ . 

djëmbatan; een plank over een slootje — tété. 

gawé ngawinang; slametan bij gelegenheid v/e 

bruiloft — roah ngawinang. 

mërimis. 

ngërëng. 

kasówan, sëróró. 

kaö ; hoeden v/ buffels — ngarat. 

mlëkoe (lëkoe); tëlëkoe — passief. 

tijan, bosang (v. h. p.); zwanger — betijan. 

bongol (tengevolge v/e stoot); gëmok (v/e slag). 

bëbaoean. 

noendoek. 

goeloengan, paisau, kapoet, bongkos. 

c. 

mölang, bèrot. 

djëroeti (groote djeroek) ; djëroek oesoek (kleine 
djeroek). 



13 



copra 
clitoris 
coïre 
cijfer 



njioer, kërambë. 

tëlé, pépé. 

besawe, bëgalo ; (v/ dieren) 



bëkarong. 



angkë. 



D. 



daar (aldaar) 

daar (omdat) 

dadelijk 

dag 

dak 

dakrib 

dakspar 

dal 

dalen 

dam 

damp 

defect 

deining 

deken 

dekken 

dekhengst 

dekstier 

denken 

derde 

desa 

destijds 

dengd 

deugniet 

deuk 

deur 

dezelfde 

dicht (doen) 

dichtbij 



lé £ ito ; vandaar afkomstig — lèkan ito ; daarheen 

— bëkëto, ödjok ito. 
isi, sëbab, sènga c , mëkrana c . 
njërëk, bëtjat 3 , gëlis*, gaé 2 . 
djëlo ; overdag — kendjëlo ; namiddag — galèng-, 

élé 2 ; dagelijks — bilang djëlo. 
atëp. 
lëlidi. 

oesoek, waras. 
lëbah, lëkok. 
toeroen. 

pëngëmpël, ëmpëlan. 
koekoes. 
sédë. 
andjoeu. 
siemboet. 

ngroengkoep (roengkoep), tëroengkoep (passief), 
djaran pramë. 
sampi pramë. 
mikir. 
ketëloe. 
desa. 
piranan. 
këbagoesan. 
kanak tële. 
pësok. 

la wang ; poort v/e desa — djëbag. 
siné ijë. 
njimpet ; een stopfiesch dichtdoen — ngoedoeng ; 

een flesch afsluiten m/e kurk — njoempël. 
rapët, bëdèkèt. 



14 



die, deze 


sino, siné. 


dief 


maling. 


diep 


dalem ; diepte — dalëm(në). 


dier 


sesato. 


dij 


impoeng. 


dijk 


poendoekan. 


dik 


mokoh (v/ menschen of dieren ; tëbël (\/ voor- 




werpen). 


dikwijls 


pëpës, sering. 


djimat 


simat. 


dobbelen 


bëbotoh. 


dobber 


oebal 2 . 


dochter 


anak ninë. 


doek 


kèrèng ; wit katoen — salampoeri. 


doekoen 


bëlijan. 


dof (geluid) 


këpa c . 


dof (van kleur) 


poerla c . 


dogcar 


dökar (uit het Nederlandsen). 


dol 


gilë, djögang, mandor. 


dom 


bëlok, bödö, böngóh. 


donder 


goentoer. 


dood 


maté c ; sédë of lëngit (v/ hooggepl. pers.) 


doodkist 


tablë. 


doof 


këdok ; doofstom — pako £ , dako £ , djako £ . 


door 


isi £ . 


dooreen 


èndah roewë. 


doorn 


doeri. 


doos 


tjëtjopok. 


dop v/e ei 


lèndong tèlo c . 


dor (kaal) 


règès ; verlept — lajoe. 


dorst, dorstig 


ngëlak. 


draaien 


melisët, mëlinit. 


dragen 


o/d schouder — bëlèmbah ; o/h hoofd — bërson ; 



draven 
drentelen 



o/d heup (een kind) — bëroemba £ ; o/d rug — 
soengki 2 ; o/d beide armen — ngopong; o/d 
hals — njinggi 1 . 

njandja. 

bëgëlidoeng. 



15 



drie 



driehoekig 

driftig 

drijven 

drinkbak 

drinken 



droes 
dronken 
droog 
droogoven 
droom en 



drukken 

druppel 

duif 

duiken 

duiker (v/ cement) 

duim 

duister 

duivel 

duizelig 

duizend 

duizendpoot 

dun 

durven 

dutten 

duur 

duwen 

dwars 

dwingen 



tëloe; 13 — teloe olas; 23 — tëloe likoer; 33 — 
tëloeng dasa tëloe ; 43 — pëtang dasa (poeloe) 
teloe ; 53 — sèket tëloe ; 63 — nëmdasa (poeloe) 
tëloe; 73 — pitoeng dasa (poeloe) tëloe; 83 — 
baloe £ poeloe tëloe; 93 — siwa 2 poeloe tëloe; 
30 — tëloeng dasa ; 300 — tëloeng atoes ; 8000 — 
tëloeng tali, tëloe ijoe ; 30000 —tëloe laksa. 

mësagi tëloe. 

bingis. 

ngompal (ompal) ; tëompal(ang) — (passief). 

taka ai c inëm ; v/e paard — köbokkan. 

nginëm, nadë (v. h. p.) (inëm, tadë); të'inëni, 
tëtadë (passief). 

sakit idoesan, sakit iroesan. 

bowös, poenjah. 

görö ; v/e rivier — gering, tais. 

keren. 

ngimpi ; droom — impi (stam = impi); tëimpiang 
(passief). 

ngëndjëk (endjek), të'ëndjëk (passief). 

èmpèt, itik. 

darë. 

njëlëm (sëlëm); këselëm (passief). 

goemblëng. 

ina imë. 

pëtëng. 

sètan, bëlis. 

pinëng. 

sijoe. 

limpan. 

ramping, nipis. 

bani. 

këlëlëp. 

mahal. 

m/ opzet — djëlëk; langzaam duwen — söróng. 

bëntas. 

mëmaksa (paksa) ; tepaksa — gedwongen. 



16 



eb 

echt 

echtgenoot 



eed (aÜeggen) 

eelt 

een 



eend 

eenoogig 

eensklaps 

eer (bewijs) 

eergisteren 

eerst 

egel 

ei 

eigen 

eigenaar 

einde 

eindelijk 

eindigen 

eiwit 

elf 

elk 

elkeen 

ellende 

en 

engel 

enkel 

erf 

erfenis 

erfgenaam 



E. 

rnada £ . 

toelèn. 

sëmama; echtgenoote — sëninë; echtgenooten — 
èpènbalé, sawa. 

bësoempah. 

bëtor, blëtoag. 

sai c , sópó £ , së; 11 — sölas; 21 — salikoer; 31 — 
tëloeng dasa sópó £ ; 41 — pëtang dasa (poeloe) 
sópó £ ; 51 — sèkët sópó c ; 61 — nëmdasa (poeloe) 
sópó £ ; 71 — pitoeng dasa (poeloe) sópó c ; 81 — 
baloe £ poeloe sópó £ '; 91 — siwa 2 poeloe sópó c ; 
100 — satoes. 

bèbèk ; eendenkooi — bara(n) bèbèk. 

pëkèk, dintjèng. 

sëloen sëloen. 

këhormatan, kebaktian. 

djoeloe(n) roebin. 

djoeloe. 

landak. 

tëló £ . 

mèsa c . 

si ngépéang. 

pënoetoe; v/d maand — pënoetoe boelan; v/e 
verhaal — pënoetoe dëdöngèng. 

bëroe nëngkë. 

noetoe'ang (toetoe); tëtoe £ ang — beëindigd. 

poeti £ tëló c . 

sölas. 

bilang. 

sopo . 

nistö. 

dait, barëng. 

bidëdari. 

mate naè. 

pëkarangan. 

tëtëmoean. 

waris, pëkadangan. 



17 



erg 



etteren 



gaan 



gaar 
gal 



gati, lalo* 

C 



ö 

nana 



F. 



fabel 




dëdöngèng, wëwaran. 


fakkel 




böbok. 


familie 




semëton djari, pëkadangan. 


fatsoenlijk 




patoet, pantës. 


feest 




slamëtan, roahan. 


flauw (vallen) 




palëng ; flauw v/ eten — tawar. 


flikkeren 




djrèndjèm, njëlong njëlèng, ngëntèp — ëi 


fluimen 




bekowèk. 


fluisteren 




bëpésé (pésé); tëpésé (passief). 


fluit 




soeling. 


fluiten (m/d mond) 


mëmi'jok. 


fluweel 




loedroe. 


fokken 




nganjam. 


fonkelen — zie: 


blinken 




foppen 




adja 22 . 


fraai 




bagoes. 


fruit 




oewoli oewohan. 


fuik 




tilik (kl. soort), ködong (gr. soort). 


fijn 




aloes; fijn v/e stof gesproken — lëmboet. 



— ëntèp. 



Q. 

laló, lèka c , lampa £ ; weggaan — njëdi, boedal; naar 
huis gaan — oeli £ ; vergaan van een schip — 
ketëlëp; meegaau — miloe, ngiring(v/ hooggepl. 
pers.); n/ binnengaan - tamë; n/ buitengaan — 
soegoel; iemand voorgaan — bëdjoeloe; achter- 



uitgaan 



bëmoedi. 



masak. 
pëdoe. 



galg gantoengan. 

galoppeeren bëdangkroe*, njangkroe c . 

gambir gambir. 

gang (v/ mensch of dier) lëlèka £ . 



gans 



angsa. 



Verhandelingen Bat. Gen. Dl. LXI. Ie stuk. 



18 



gapen 

garen 

garnaal 

gast 

gat 

gauw 

gebaar 

gebed 

gebied 

geboren 

gebroken 

gebruiken 



gedrag 
gedresseerd 
geduld 
gedurende 



geel 



geen 

geest (booze) 

geheel 

geheim 

gehoorzaam 

gehucht 

gehuwd 

geit 

gek 

gekko 

gekleed 

gelaat 

geld 

geleiden 

gelijk 



gelofte 
geloven 
geluid 
geluk(kig) 



ngoam. 

bëiniDg. 

oedang. 

temoeé. 

lowang. 

njërëk, bëtjatan, gelis. 

bedjëloah (m/ gebaren spreken). 

dowa. 

goerètan. 

te'anakang, tepëranakang. 

polak; v/glas — bëlah ; in 1000 stukken — remoek. 

ngadoe, ngéang (kadoe, kéang) ; tekadoe, tekéang 

ook : tëkawih — (passief), 
tëtingkahan, kelakoean. 
tëoeroek. 
sabar. 

kengónénë, kësoewénë. 
koening. 
ëndé c . 
sela, mëdol. 
sëlapoe. 
roesia. 
noeroet. 
rëpoek. 

bëkawin, mërari. 
bémbé c . 

djógang, mandor, gilë. 
tëkè. 

bëpëkakas. 
moewë. 
oewang. 

dèndèu; tëdèndèn (passief), 
hebben — këna £ ; gelijk loopen — lèka^ barëng 2 ; 

gelijk maken — nglëndëkaug, ngasahang. 
sësaugi. 

sadoe ; geloof waai'dig — baoe te sadoe. 
soeara, ongkat. 
agët. 



19 



gemakkelijk 




moeda £ . 




gember 




djaé. 




gemeen (slecht) 




lënge'. 




gemengd 




tëgaorang. 




gemoet (te gemoet komen) 


bëdait, bëtëmpoer, tëpëndakin (v. h. p.) 




genaamd 




aran(në). 




gendie 




sëmèn, tjèrètan. 




genezen 




djëra £ , sëgër, sëlah, kënjang. 




genoeg 




tjoekoep, sëmai c . 




geraamte 




tënggorong. 




geraspt 




tëparoet. 




gerecht 




pëngadilan. 




gereed 




wah djari, sadia (om te vertrekken). 




gerimpeld 




kisoet ; ger. huid — lèndong kisoet. 




geschenk 




pësade', pëngëbèng, paitjë (v/ hooggepl. 


pers). 


geslagen 




tëpantok, tëmpoek (verkorting van të' 


ëmpoek). 


gesneden 




tëpëlëng, tëpolong. 




gestalte 




adëg. 




getakt (gewei v/e 


hert) 


bësërèmpang. 




getuige 




saksi. 




geur 




amboe. 




gevallen 




tëri. 




gevangenis 




boei. 




gevat (scherpzinn 


ig) 


tjëkët. 




geven 




ngëbèng, ngatoerang, njadé ; raadgeven 


— n gë- 



gevoel(en) 
gevolg 



gewas 



geweer 

gewei 

geweld 

gewend 

gewicht 

gewild 

gewoon 

gezag 



béng naséhat, njadé përingëtan ; tëbèng, katoer, 

tësadé (passief). 

idap, rasa. 

pëngiring. 

tëtalëtan ; tweede gewassen — gëgadon. 

bëdil. 

tanggi c majoeng (v/e hert). 

këkoewatan. 

kasoh, biasa. 

brat. 

lais. 

kasoh, biasa. 

koewasë. 



20 



gezamenlijk 

gezicht 

gezouten 



gezwollen 



gierig 
gieten 
giftig 
ginds — zie 



gissen 

gist 

gisteren 

glad 

glas 



dn ar 



glanzen- zie: glimmen, blinken 

glas (spiegelglas) 

glimlachen 

God 

goed 

goedkoop 

golf 

goochelen 



gooien 



goot 

gordel 

gordijn 

gorgelen 

goud 

goudvisch 

graan 

graat 



gras 



graven 



grens 



grijpen 

grijs (v/ haren) 

grint 



groeien 



barëng 2 . 

moewë; in zicht — pëgitan. 

tësija 1 . 

bara s . 

kikip, pëlit. 

njiram, njampré; gieter — körjor. 

tjëtik, mandi. 

bëbadéan. 

tape. 

siroebin. 

lölat. 

loemoer. 

mëkë. 

ngëmos, njëmor. 
Allah, Nènèk. 
bagoes. 

moerah, moeda £ . 
oembak. 
njembali mata. 

mlèwas, mlèntong, ngëngapëk (plèwas, plèntong, 
kapëk); tëplèwas, tëplèntong, tëkapëk — (passief), 
èrat, oloh. 
saboek. 

klamboe, lelangsé. 
bëkërëk. 
mas. 

ëmpa £ mas. 
padé, pare. 
tolang. 
rëboe. 

ngali 2 (kali £ ) ; tëkalr — gegraven, 
batës, watësan, gowèt. 
baoe. 
rambok. 
anak batoe. 
tio c . 



21 



groen 

groenten 

grof 

grond 

groot 

grootspreken. 

grootte 

grot 

gulden 

gulzig 

gunst 



idjo. 

pëdjangauan. 
kasar. 

tana". 

bëié £ . 

belé c ongkat. 
bëlé c (në). 



goewa. 



roepia. 
mëlak, ösok. 
paitja. 



H. 



liaak 




pënggaèt. 


haan 




manoek matnë. 


haar 




boeloe; djata (v. h. p.); haarwervel — pëliser; 
haarwrong — poendjoeng. 


haas (dier) 




arnap (v/h Arabisch). 


haastig 




èntjong, goepoeh-. 


haat 




gëdëk, mëri c . 


hagedis 




bëlintjek. 


hagel 




pënaboer (uit liet Maleiseh), pantjaroetë. 


hakblok 




landesan. 


haken (aanhaken) 


bërènto. 


hakken 




gëtjok ; fijn hakken — èbat. 


hakmes 




bérang, baté £ awis. 


halen 




bait. 


half 




sëtënga. 


halfbroeder, 


halfzuster 


sëmëton téré c . 


halm 




djami, roman. 


hals 




bëlong. 


halster 




boengkëman. 


halsketting 




tondang, kalong. 


hal veeren 




töwé doewa. 


hamer 




v/ ijzer — paloe; v/ hout -- gëgandèn. 


hand 




imë, gading (v. h. p.). 


handelaar 




soedaffar (uit het Mal.). 



■12 



handgeld 

handpalm 

handteekening 

handvat 

handvol 

handwerksman 

handzaag 

hangen 

hanglamp 

hangslot 

happen 

hard 

hardhoorig 

hardvochtig 

hart 

hartklopping 

hartstccht 

hark 

haven 

heden 

heerendienst 

heerlijk 

heet 

heide 

heien 

heilig 

heining 

hek 

hel 

helder 

heldhaftig 

helpen 

hein 
hemel 
hen (kip) 
hen (voornw.) 



pantjër. 

lampak imë. 

tèkènan (uit het Nederl.). 

dandë. 

sërëgëm. 

toekang. 

gërëgadji. 

gantoeng. 

dilë gantoeng. 

sësërëk. 

njaplok. 

këras; v/ stof — tëgèl. 

këdok. 

bingis, ëndé £ ara priak (letterl. vertaald: er is 
geen medelijden ; zonder medelijden). 

djantoeng, këkosong. 

ngëntëk-ëntëk. 

hawa napsoe (uit het Mal.). 

garen g, tjakar. 

pëlaboewan. 

djëlo siné. 

ajahan; heerendienstplichtige — pëngajah; heeren- 
dienst verrichten — ngajah. 

mar 2 . 

panas ; v/ water — angët, bënëng. 

lëndang. 

nimpak (timpak); tëtimpak (passief). 

këramat. 

pagër. 

tjërantjang. 

nëraka. 

v/ licht ■-- bënar, tërang ; v/ vocht — mënèng. 

wanen. 

noeloeng; helper— pënoeloeng. 

ia ; dë sidë, (v. h. p.). 

sorgë (uit het Mal). 

nianoek ninë. 

ia padii. 



23 



bengelen 


mantjing (pantjing) ; tëpantjing (passie 


herder (hoeder) 


peugarat. 


herhaaldelijk 


sering, rirupès. 


herinneren 


ingët. 


herkennen 


nanda c (tanda s ) ; tëtanda c — herkend. 


herkenningsteeken 


tando c . 


hersenen 


lölèr. 


hersteld 


djera 2 (zie ook: beter). 


hert 


majoeng. 


hier 


lé c ité. 


hierheen 


bëkëté £ . 


hik(ken) 


kësëkoe 2 . 


hinderen 


ngalang alang. 


hinken 


dèmpang; op een been — bedèngkleng 


hinneken 


nsërèngèh. 


hoe 


koembé, sëkoembe, bërënibé, ogoembé. 


hoe lang 


sëkoembé laénë, sëkoembe soewénë, 



hoe langer hoe 
hoe ook 



ngone ne. 



se'ré séré, sëléké sëléké. 

pire pirë ; hoe ge ook spreekt, ik geloof je 

toch niet — pirë pirë ongkat mè c ëndé" koe 

sadoe £ . 



hoed 


sóngko c , këtjapil. 


hoeden (van vee) 


ngarat. 


hoek 


boetjoe. 


hoef 


koepak. 


hoepel 


silong. 


hoer 


pëndajang, soendël 


hoesten 


batoek. 


hoeveel 


pirë. 


hoeveelheid 


këloewé £ (në). 


hoeveelste 


si këpirë. 


hof 


poeri, dalem. 


hollen 


mëroeng. 


bond 


basoug; bëbèrès (a 




h. g. p.). 


honger 


lapar, lapah. 


hongersnood 


këlapaban, këlapar 



24 



honig 
hoofd 
hoofddoek 
hoog 

hoouen 
hoop 
hopeloos 
houden 

hout 

houtskool 

huid 

huig 

huilen 

huis 

huishoudgeld 

huiszoeking doen 

huren 

hurken 

huwen 

hijgen 



ik 

in 

iuhoedel 

inborst 

indieu 

indigo 

in doen (vullen) 

inenten 

ingaan 

ingewanden 

inhoud 

inhoudsmaat 

inkomen 



matoen, lani. 

ötak, oeloe; tëndës (v. h. \).). 

sapoe^. 

v/ levende wezens — ganggas ; v/ voorwerpen — 

atas. 
mija^ kaila^'an. 
pëngarepan. 
ëndé c në baoe të'arëp. 
nëgel, ngenti £ (tegel, enti~); tëtegël, të'enti 

(passief.), 
kajoe. 
langas. 
lèndong. 
anak éla c . 
nangis, ngaroh. 
bale; gëdèng (v. h. p.) 
bëlandjë, bëkël. 
na tap. 
njèwë. 

njongkok, njèngkèng. 
bëkawin, nikah. 
ngenggèh. 

I. 

akoe, kadji (mindere tot meerdere), tijang (meer- 
dere tot mindere). 
lé' c dalem. 
doewé bande, 
boedi. 
lamoen, 
taroem. 

ngisP (isP); të'isi 2 — gevuld, 
bësoentik (soentik); tesoentik 
tamë. 
badok. 
isi(në). 
koelak, 
gadji. 



ingeënt. 



25 



inkrimpen 

inkt 

inktkoker 

in orde maken 

inpakken 

inruilen 

inslikken 

instrument 
ivoor 



ja 
jaar 

jaargetij 
jagen 
jaloersch 
jam mei- 
janken 

jeugd, jeugdig 
jeuken, 
jokken 
jong 

jongen (zoon) 

jullie 

juist 

jij 



kaaiman 

kaak 

kaal (v/ hoofd) 

kaars 

kaart 

kakelen 

kakatoe 



këlës, kësët. 

mangsi. 

taka c mangsi. 

ngrisa. 

mais (pais) ; tepais — ingepakt. 

uoekër, njiloer (toeker, siloer); tetoekër, tësiloer, 

(passief), 
nëlën, bëbëlot (telen, bëlot) ; tëtëlen, tëbëlot 

(passief), 
pëkakas. 
dantë. 

J. 

ao £ , meran, ënggili. 

tahoen. 

moesim, mase. 

njëran (sëran); tësëran (passief). 

tampë. 

sajang, toeua c . 

ëngkaèng. 

badjang. 

» 

gënit. 

noengkoelang, lëkak, beroegoeng. 
v/ levende wezens — badjang, troenë ; v/ plan- 
ten — oda 51 . 
kanak mamë. 

ante padë, kamoe (v/ vrouwen). 
kena c . 
ante, sidë, kamoe (v/ vrouwen), dëkadji (U). 

K. 



bëbalo c . 

mangkem. 

digol (volkomen kaal); boetak 

lilin. 

gambar. 

ëngkëtok. 

pèkat. 



gedeeltelijk kaal. 



26 



kalf 

kalk 

kalken 

kalm 

kam 

kameel 

kamer 

kameraad 

kammen 

kan (water) 

kaneel 

kanon 

kant (zijde) 

kantelen 

kapel (vlinder) 

kapitaal 

kapitein 

kappen 

kar 

karakter 

karbouw 

karwats 

kast 

kat 

katoen 

katoenboom 

katrol 

kauwen 

kazerne 

keel 

keeren (terug) 

klei 

kelen 

kemiri 

kenmerk 

kennen 



anak sampi. 
apoer, apoeb. 
ngapoeh. 

ngales. 

sërang, sisir, djoengké, soeugkar (voor paarden). 

v/e haan — djanggar. 

onte. 

rong. 

kantje. 

njisir (sisir); tesisir (passief.). 

taka c ai c . 

kajoe manis. 

marèjëm ; lèlë (kl. soort). 

sëdi. 

këbalik. 

kebëkol, kléwok. 

kemboelan. 

kapitan. 

badoeng; tëbadoeng — gekapt. 

tjikar. 

tingkali. 

kao £ . 

pënëpès, tjemeti. 

lëmari. 

mèong. 

boengë. 

lölö(n) randoe. 

këkèrèk. 

ngangèt. 

tangsi. 

batjot. 

mëtoelak. 

tana £ nialit. 

nëkèk, mëkok (tëkèk, pëkok) tetëkèk, tëpëkok, 

(passief.). 

lëkong. 

tando c . 

nao £ , bëkëtao £ (tao 2 "); tëtao £ — bekend. 



27 



kennis 

kennisgeving 

kermen 

ketel 

kettingganger 

keuken 

kous 

kibbelen 

kiemen 

kies 

kieuw 

kiezen 

kikvorsen 

kin 

kind 

kinderachtig 

kindermeid 

kip 

kist 

kittelen 

kittelachtig 

klaar 

klam 

klank 

klap 

klaplooper 



klappen (i/d hand) 

klapper 

klauteren 

klauw 

klein 

kleinkind 

klemmen 

kletsen 



brajë. 

pëmbada £ . 

ngringih. 

kötjor. 

(pë)pongèran. 
pawon. 
pëpilèn. 

bësoewal, bëkëntjan. 
tio £ . 
dj angel, 
angsang. 

mëmilé^ (pilé £ ); tëpilé £ (passief), 
lèpang. 
sangkok. 
kanak. 

mara 1 kanak 2 . 
ina c oeniba c . 
manoek ninë. 
pëti. 
gelègèk. 
gèrèpan. 

boewé £ , wah djari. 
enjet. 
ongkat. 
tëmpèlèk. 

dëngan kali oniang (dëngan = mensch, kali omang, 
is de naam van een kreeftsoort, welke steeds 
in holen van andere dieren kruipt doch er 
zelf geen hol op nahoudt); dëngan kali omang, 
is dus iemand die steeds op anderen teert. 

ngöpok. 

njioer; jonge klapper — kënjauiën. 

taèk, bëlété. 

koengkoe^. 

ködé s , beri". 

bai. 

djëpit. 

bekëranté gombas (Mal. ngomong kosong). 



28 



kleven 


('n)dekèt. 


klewang 


klewang. 


kleverig 


bëgëta 1 . 


kloppen 


notok (totok); tëtotok (passief). 


knabbelen, knagen 


ngarot. 


knap 


tjëkët, pintër. 


knevel 


sèmèt. 


knie 


djëdjëngkoe. 


knielen 


njëngkoeng. 


knikken 


nganggoe c . 


knikkebollen 


ngantok. 


knipoogen 


ngindjëp. 


knippen m/ een schaar 


goenting. 


, „ de oogen 


këdjëp. 


knoop 


boewa^ tangkong. 


knijpen 


miles (pilës); tëpilës (passief). 


koe 


sampi. 


koekjes 


djadja. 


koel 


bao. 


koevoet 


linggis. 


koffie 


kahwe. 


koffiedik 


përingsang kopi. 


kogel 


mimis. 


koken 


water — ngëla c ai"; rijst — mongka*, ngëmé. 


koker 


tjëtjöpok. 


kokosblad 


gèdènff njioer. 


kokosbloem 


këmbang njioer. 


kokosmelk 


santen. 


kokosnoot (jonge) 


krótó c , kënjamën; halfrijpe — njioer kosók; rijpe 




njioer görö. 


kokosnootbolster 


kamboet. 


kokosnotedop 


tangkèl. 


kokosolie 


minjak njioer. 


kokospit 


bosok njioer. 


kom 


djëmboeng. 


komeet 


bintang koekoes. 


komen 


datëng; parëk, raoeh (v/ hooggepl. pers.). 


komkommer 


timoen. 



29 



kommetje 




tjangkir. 


komplot 




goendem (vergadering). 


koning 




datoe (controleur wordt zoo aangesproken) 


koningin 




datoe bini. 


koopeu 




mëli (beli); tëbeli (passief). 


koopman 




dengan bëdjoewal. 


koopwaren 




dëdagangan, lëlëmasan (kains, etc.) 


koorts 




tëlir, panas. 


kop 




otak. 


koper 




tëmbaga. 


kopje 




tjangkir. 


koppig 




bëkèh, pagah. 


koraalsteen 




karang. 


koraal 




mërdjan. 


kort 




konté c , konta c . 


kraai 




gagak. 


kraaien 




ngoengkoeng, ngongkèwak. 


krabben 




ngëngaró £ . 


kracht 




kërëng. 


krankzinnig — zie : 


gek. 




krekel 




djangkrik. 


kreng 




bangké. 


kreupel 




tèmpang. 


krokodil 




bëbalo £ . 


krom 




bèngkok. 


kropgezwel 




bëdok. 


kruipen 




ngampang, ('n)dölö. 


kruit 




oebat. 


krul 




krullend haar — boeloe polak, 


krijgen 




maoe £ . 


kuif 




sandah. 


kuil 




löwang. 


kuit 




bëtis. 


kuit (visch) 




tëlö £ ëmpa £ . 


kunnen 




taó £ , baoe. 


kunst 




pënao £ . 


kurk 




soempël. 



30 



kussen 



kust 

kwaad (boos) 

kwaadspreken 

kwaadstoken 

kwakeu 

kwartgulden 

kwartier 

kwellen 

kwispelen 

kwijtraken 

kijken 



kijven 



njidoek (sidoek) ; tësidoek — gekust. 

hoofdkussen — galeng ; rolkussen — gelang 

goeling. 
pesisi ; strand — tauiparan. 
sili, menggah, doekan (v/ hooggepl. pers.). 
njëla £ , ngëwadë. 

ngantjoek (antjoek); të'antjoek(iu) (passief), 
moeni; ongkat lèpang (geluid van den kikvorsch). 
stali. 

sëprapat djam. 
inija 1 kasoesahan. 
ngompèh, ngontèh. 
tëlang, hilang. 
gita c ; Jav. nonton = mojë, mantö; kèlëni siné gen 

koe lalo mantö gandroeng lé £ aloen- — van 

avond ga ik naar de gandroeng (tandak-partij) 

kijken op de aloen2. 
bëkëntjan, besoewal, bëkrèok. 



L. 



laadstok 






pëlantëk bëdil. 


laag 






bëlëkap (lëkap ) laag v/e huis — déndé 2 '. 


laag (laags gewijze) 




talë. 


laat 






sèp, kasèp. 


laatste 






pënoetoe 5 '. 


lachen 






rere . 


ladder 






andjar. 


laden 






v/e geweer — ngisi c bëdil ; v/e schip of kar — 
moewat. 


laf 






pèrot. 


lam (jong van 


een schaap) 


aiiak bémbé J . 


lamp 






dilë. 


land 






darat. 


landgenoot 






baugsë. 


landrente 






padjëk. 


lang (maat) 






bélo ; al lang — ngoné £ , soewé, laé. 


langzaam 






adèng 2 , ènak 2 . 


lans 






toembak (m/ lange stok); tjandëkan, djoengkat 
(m/ korte steel). 



31 



lasschen 

lastig 

later 

leenen 

leerling 

leermeester 

leeuw 

leggen 

leghen 

leguaan 

lei 

leiden 

lekken 

lekker 

leksteen 

lel (oorlel) 

lende 

lengte 

lepel 

letten (op iets). 

letter 

leugen 

leunen 

leuning 

leven 

levenslang 

lever 

lezen 

lichaam 

licht (niet zwaar) 

lidteeken 

lied 

lief 

liefde 

liefhebben 

liefhebberij 

liegen 



samboeng. 

rèmès, rèwèl. 

moedian. 

njingga £ . 

moerip. 

goeroe. 

singë. 

nölö c (tölö £ ) ; tétölo 2, (passief). 

manoek prina £ . 

djawak. 

batoe toelis. 

dèndèn. 

boros, bos. 

mai c . 

saringan ai c . 

poto(n) këntok. 

kèng, kaèng. 

bélo(në). 

sidoet, sëndoek (v/ klapperdop gemaakt). 

ingët, ingëtang. 

satrë, 

lekak, litjik. 

njandar, bësëlanggah (sandar, sëlanggah) ; tësan- 

dar, tesëlanggah (passief), 
penjandaran. 
idoep. 

sëoemoer idoep(në). 
até. 

mëmatje, maös (v/ hooggepl. pers.), 
awak, rage (v/ hooggepl. pers.), 
déang, ringan ; licht (niet duister) — tënang. 
kèlap, këlèt. 
tëmbang. 
manis, bagoes. 
trësnë. 

dëmën, soeke. 
këdëmënan. 
lekak, litjik, bëroegoeng, noengkoelan. 



32 



lies 




kënioemoe. kawo". 


lieveling 




sajang, toenang. 


liever 




sarijan. 


liggen 




bëgèla c ; o/d rug liggen — ngala = : o/d buik — 
kalëp; o/d zijde — n jëlili. 


ligmatje 




tipah, tipër. 


likken 




dèlat. 


linker, links 




kiri. 


linksch 




ngèbot. 


lip 




djëdjimèr. 


list 




akal. 


loeien 




ngöwè c (v/e karbouw); ngërak (v/e koe). 


loensen 




sérö £ malingan. 


loeren 




ngintip. 


logeeren 




mondok. 


lombok 




sëbijë. 


lontar 




d oental. 


long 




pëparoe. 


lonken (knipoogen) 


ngindjëp. 


lont 




sigi c . 


lood 




timah. 


looden, peilen 




bëroendjoeng (roendjoeng); tëroendjoeng (passief). 


loodrecht 




pandjëng. 


loods, schuur 




goedang; padischuur — loemboeng, pantëk. 


loon 




oepa £ . 


loop (gang) 




pëlèka c . 


loopen 




lèka c , lampa c , loembar (v/h g. p.); hard — bërari. 


los 




lëpas. 


losdraaien 




mëlinit (pëlinit); tepëlinit (passief). 


loshangen 




bëmpar ëmpar. 


loslaten 




ngëlëpas. 


losmaken 




gagah (tali). 


losprijs 




pënëboes. 


lossen (v/e sch 


ÏP) 


bongkar. 


loven (bieden) 




bërëga c . 


lubben 




bantot, ngëbiri. 


lucht 




awang 2 . 


lucifers 




tjolok. 



33 



lui 

luieren 

luis 

luisteren 

lusten 

lijk 

lijkkleed 

lijmen 



maag 

maagd 

maakloon 

maaksel 

maal, keer 

maaltijd 

maan 

maand 

Maandag 

maandelijks 

maandstonden 

maanlicht 

maar 

maat 

maatregel 

macht 

machtig 

machtigen 

made 

mager 

mais 

mak 

maken 

makker 

malen 

malsch 



majoes, abot. 

momot. 

goetoe ; luizen zoeken — bëgoetoe. 

óëngër, dengah. 

dëmen. 

majit, lajon (v/h g. p.), l)angké (v/ dieren). 

bökös. 

ngraket. 

M. 

tëmpoele, temboeloeug. 

dëdarë. 

oepahan. 

pepija'an. 

kali. 

masë(n) dëngan mangan. 

boelan. 

boelan. 

djëlo sënèn. 

bilang boelan. 

tjampoer. 

mënah boelan. 

lagoe £ . 

sikoetan. 

atoeran. 

koewasë. 

bekoewasë. 

ngewakilang (wakil); tëwakil(aug) (passief). 

oelët. 

koeroes. 

djagoeng. 

isah. 

mija £ (pija £ ) ; tëpija* (passief». 

kantje. 

tëgili £ . 



emboek. 

man dëngan mamë; echtgenoot — sëmamë ; echtgenoo- 

te — sëninë, sawan. 

Verhandelingen Bat. Gen. Dl. LXI. Ie stuk. 



34 



mand 

manen (v/ paard of leeuw) 

maneschijn 
mangga 
mank 
markt 
martelen 
masker 
masseeren 
mast 
mat 

materialen 
matras 
mouw 
mazelen 
medebrengen 
mededeelen 
mededoen 
medelijden 
medeplichtig 
medicijn 
meel 
meenen 
meening 
me ei- 
meer (bijv. nw. en bijw.) 

meerderheid 
meest(e), meestal 



melaatsch 

meid 

meineed 

meisje 

melk 

melken 



krandjang; v/ klapperblaren — - këkisë. 

boeloe gëndang. (Gëndang is de naam van het 

alom bekende muziekinstrument), 
bënar boelan, galang boelan, tënang boelan. 
pao s . 

tèmpang, kèndjo c . 
peken. 
njenjiksa c . 
topèng, tapël. 
oeroet. 
tijang. 
tipër. tipah. 
ramowan. 
lamak, kasoer. 

iman klambi, iman tangkong. 
rebo c ai c , tjangkrim. 
djao £ , enti c . 

bebada c , ngatoerang (v/ hooggepl. pers.) 
miloe. 

priak, masa^akën (uit het Jav.) 
sijom (dait). 
owat. 
tëpoeng. 
mikir. 
pikiran. 

tëlagë, kolahan. 
lebih, ampó £ , malik ; je moet het niet meer doen — 

ënda £ mè gawé ia malik. 
si loewé c an. 
këloewé £ an ; këloewé £ an dengan ité £ pada girang 

mama £ — de meeste menschen houden van sirih 

kauwen, 
bërong. 
ina c oemba £ . 
soempah plësoe (plesoe is het Portug. falso; door 

het Mal.) 
anak ninë. 

v/e mensch — ai c soesoe; v/e dier — përah. 
mëmërah. 



35 



mengen 

mengsel 

menig, zeer veel 

menigmaal 

mennen 

mensch 

merg 

merk 

merrie 

mes 



met 

miauwen 
middel 
middelvinger 
midden 
middernacht 
miei- 
miereneter 
mij 

mijn (huis) 
mikken 
millioen 
milt 
min 
mindering 



gaor, gantjoeh. 



gaorang. 



minst 

mis 

misbruik maken 

mishandelen 

miskraam 

misschien 

mist (damp) 



loewé c . 

pepes, rimpës, sering. 

negël lès. 

manoesë, déngan. 

lölor. 

tjap. 

djaran nin'ë. 

ladik; grassnijmes — awis; kapmes — bati 4 ; id. 
voorzien v/e scheede — bèrang; mes om o/e 
lontar blad te schrijven — pemadja. 

dait, barëng, béké^ (komt overeen m/h Mal. adjak). 



meong. 



akal, ichtiar. 

ima tënga c . 

tëuga £ . 

tenga £ këlem. 

tèdès, fcèrès ; roode mier — sëmangah ; witte mier 

— tërnëréné ; kl. mier — tèrès boengë. 
koelsih. 

akoe, tijang, kadji. 

(balèng) koe, (balèng) kadji, (balèng) tijang. 
mëtitis, mipijang. 
mëlijoen (uit het Ned.) 
limpë. 

ina £ soesoean. 
pënjitil; m/ dezen brief zend ik U i' ó. — in 

mindering v/ mijn schuld — bësërta soerat sint' 

tijang ngirimang oewang f' 5. — djari pënjitil 

oetang tijang. 
paling., sëkëdi £ . 
pelih. 
njënjéda*. 
njiksa £ , mëribasë. 
njelaó% nganak 6da £ . 
sang, badé £ . 
awoen 3 . 



36 



mits 

mitsdien, daarom 

modder 

model, voorbeeld 

moeder 

moedervlek 

moeilijk 

moeras 

moeten 

mogelijk 

mond 

mooi 

moorden 

moordenaar 



lagoe. 
sebab sino. 
raok. 

tjonto. 



morgen 



morgenster 

morsen 

mortier, vijzel 

mos 

moskee 

moskiet 

motregen 

moeson 

muf 

muil 

muilband 

muis 

muts 

muur 



na 

naaien 

naakt 

naald 



ina c . 



teladeng. 



soesah. 

mënangë. 

misti 

ini' £ angnë (Mal. — boleb djadi). 

biwib, biwir, tödok; soengap (v. b. p.), 

manis, bagoes. 

njëmati c . 

si njëmati c ; je bent een moordenaar — ante sala £ 
njëmati c dëngau, of: ante si njëmati^. (ante 
sala c njëmati 1 dengan — letterl. vert: je bent 
scbuldig wegens het moorden van een menscli). 

ochtend — djëma £ këlèma c ; m. middag — djëma" 
tëngari ngari ; m. avond — djëma 51 lai £ , 

bintang parek bënar. 

èkèk. 

lisoeug ragi. 

lëloemoet. 

mësigit. 

brangkak (gr.), rëngit (kl.) 

rintis, grïnïs. 

masë. 

lëngi. 

tjoetjoek. 

boengkëm. 

begang. 

koepijah. 

tèmbok. 

N. 

sëwahne, djëra c , inggas(në); djèra £ mangan — 

na het eten. 
bëdjait. 

bëkëlombas, bësengkaro. 
djaroem. 



37 



naam 


aran, pasengan (v/ hooggepl. pers.) 


naapen 


nëniroe. 


naar 


odjok, anèng, lé c . 


naarstig 


gënèm. 


naast 


bëdèkèt. 


nabij 


lé £ dèkèt. 


nacht 


këkëlem. 


nachtuil 


ëtnpok. 


nadeel 


potjol. 


naderen 


ngrapëtin (rapet); terapët(in) (passief). 


naderhand 


laoen djëma £ . 


nagel 


koengkoe 2 ; hoef v/e paard — koepak. 


nagemaakt 


tëtoelad, tëtëmpa'an. 


nageslacht 


toeroen toeroenan. 


nalaten — zie: achterlaten. 


nalatenschap 


tëtëmoean. 


naloop en 


pali £ , tëroektoek. 


nat 


basa c . 


nauw 


bëkët, këlët. 


nauwelijks 


bëroe £ gati. 


navel 


poesët. 


navelbreuk 


këbot. 


navelstreng 


aries; wat overblijft na het afsnijden vau de 




streng — ganto £ poesët. 


nazien 


mriksa £ (priksa 2 ) ; tëpriksa c (passief). 


nedervallen 


tëri s . 


neef 


pisa c mamë. 


neen 


ëndé c . 


negen 


siwa c ; 19 — siwa c olas ; 29 — siwa = likoer ; 39 — 



tëloeng dasa siwa c ; 49 — pëtang dasa siwa c ; 
59— sèkët siwa £ ; 69 — nëm dasa (poeloe) siwa c ; 
79 — pitoeng dasa siwa c ; 89 — baloe^ poeloe 
siwa c ; 99 — siwa £ poeloe siwa s ; 90 — si\va ; 



nek 

nemen 

nest 



poeloe ; 


900 — sanga 


90000 - 


— siwa £ laksa. 


këndëkok ; 


hals — bëlong. 


bait. 




këseboe, 





9000 



siwa £ tali ; 



38 



nestelen 


bekëseboe. 


net 


pëntjar, d jalë ; fuik — sörök ; sleepnet 




rakat. 


neus 


idoeug ; soemoer (v. h. p.) 


neut 


tjëndi. 


nicht 


pisa c nine. 


nier 


balen pèriè 2 . 


ij iet 


ëndé £ . 


niets 


ëndé E ara apa 2 . 


niettegenstaande 


këtima, daka c . 


nieuw 


baroe. 


nieuwjaar 


talioen baroe. 


niezen 


baksing. 


nimmer 


ëndé £ në wab wah. 


noemen 


njëboet (sëboet); tesëboet (passief). 


nog 


ampó c , malik. 


nogmaals 


kari sëkali. 


nok 


boengoes ; nok balk — përboet. 


noodig (noodzakelijk) 


përloe. 


noodlot 


toedoeh. 


nooit — zie: nimmer. 




Noord, Noordelijk, Noorden 


dajë. 


norsch 


bingis. 


notedop, klapperdop 


tangkèl njioer. 


nu 


sinëngkë, nané, senëugkajau, sënanéjau. 


nul 


nol (uit liet Nederlandsch). 


nut 


gawé ; het heeft geen nut — ëndé^ ara 


nijptang 


patol. 



— kë- 



ochtend 

oester 

oever 

of 

offer 

oksel 

okselhaien 

olie 



O. 

këlèma £ lèrna 2 . 

kimë. 

ambing. 

atawa (uit het Mal.) 

korban („ „ Arab). 

këlèlèk. 

boeloe(n) këlèlèk. 

miniak, 



39 



olifant 

omgevallen 

omgehakt 

omdat 

omdraaien 

omgaan, verkeeren 

omheinen 

omhelzen 

omkantelen 

omkoopen 

omkijken 

ommezijde 

omringen 

omroeren 

ornsckuddeu 

omspitten 

omspoelen 

omstooten 

omstreeks 

omtrek 

omvallen 

omwanding 

onaangenaam 

onaanzienlijk 

onbebouwd 

onbeleefd 

onbepaald 

onbeschaafd — zie : onbeleefd. 

onbeschaamd 

onbesneden 

onbetrouwbaar 

onbeweeglijk 

onbruikbaar 

onder 

onderaan 

onderbuik 



gadjah ; snuit v/e olifant — toelalé; olifants tand 

— dantë. 
reba c . 

tërëbang, tëbadoeng. 

sëbab ; alleen maar (Mal. tjoema) — sakéwalë. 
mëlisët. 
bekoempoel. 
njoetërin, magërin. 

ngengapong (kapong); tëkapong — omhelsd. 
këbalik. 

njoetjoe 2 , noembók. 
ngèngat, likat. 
lempèng. 

ngroempoen (kroempoen) ; tëkroempoen (passief), 
adoek. 

ngösak (kosak); tëkösak (passief), 
gëboeh; tegëboeh (passief), 
ngërönas (rönas); tëronas — omgespoeld, 
lampër. 
kira 2 . 
soeteran. 
rëba s . ' 
pagër. 

ëndé c onja c . 
kaoelë, pëngajah. 
rënëng. 

sëróró, kasóan. 
ëndé^nëman këroewan. 

èndé^në bëdoewé kaila'an (geen schaamte be- 
zitten). 
ëndé c nëman besoenat. 
ëndé £ uë baoe të sadoe. 
ëndé^në ngoewit. 

ëndé £ ne baoe të kadoe ; id. id. të kéang. 
lé s ba\va c . 
lé c bawa(në). 
tijan. 



40 



onderdaan 


kaoelü, bal;!. 




onderdompelen 


nëlëp (tëlëp); tëtëlëp (passief). 




ondereind 


pótó, toenggak. 




ondergaan 


nglèka^ang. 




ondergeschikt 


lé £ bawa £ prèntah. 




ondergraven 


mompong, bebedah. 




onderhouden 


mëlihara. 




onderrichten 


ngadjar, ngoeroek. 




onderscheid 


bine. 




onderscheiden 


biuajang. 




onderste boven 


kebalik. 




onderstellen 


bëbadéan. 




ondersteunen 


noeloeng. 




ondertusschen 


sëloen 2 . 




ondervinding 


pënao £ . 




onderwijzer 


goeroe (uit het Mal.) 




onderzoeken 


mriksa E . 




ondeugend 


tëië. 




ondiep 


bawöt, dawöt. 




onduidelijk 


koerang pëdas. 




onecht 


ëndé £ në toelèn. 




oneerlijk 


ëndé s në polos. 




oneffen 


lëkok, lëngking. 




oneven 


gasal ; even ■ — ganëp. 




on gaar 


kata £ . 




ongeduldig 


koerang sabar. 




ongehoorzaam 


ban gge. 




ongehuwd 


v/e man — troenë ; v/e vrouw — 


dëdarë 


ongeluk 


sengkalë. 




ongelukkig 


latjoer. 




ongerust 


was 2 . 




ongesiepen 


köngol, toempoel. 




ongeveer — zie: omstreeks. 




ongezond 


ëndé £ në onja (niet goed). 




onkosten 


ongkos, (uit het Ned). 




onkwetsbaar 


tëgoeh. 




onmiddelijk 


përnëkë. 




onmogelijk 


ëndé £ ne baoe. 





41 



onrechtvaardig 




ëndé c në adil. 


onregelmatig 




ëndé £ në tëtëp. 


onrein 




remis. 


onrijp 




kata £ . 


ontbolsteren 




ngëloeké 2 '. 


ontdaan (v/ gelaat) 


këtjoet. 


ontdekken 




dait. 


ontdekt 




kendaitan, tëdait. 


ontevreden 




sëdih. 


ontkennen 




mëtilas. 


ontmoeten 


• 


bëdait, bëtëmpoer. 


ontslag 




lëpas. 


ontvangen 




nampi, nërima £ . 


ontvluchten 




bërari. 


onverschillig, onvoorzichtig 


ampah. 


onverwachts 




sëloen 2 . 


oog 




mate, sërmin, pënëntëng. 


oogenblik 




sëdëk. 


oogharen 




boeloe(n) mata. 


oogst 




bëbaoean. 


oogsten 




mata 2 (v/h rijstgewas) ; andere gewassen 


oog vuil 




tai mata. 


ooit 




wah. 


ook 




djoewa £ . 


oom 




ama s saP. 


oor 




këntok, tëlingë. 


oorhanger 




soewëng ; v/ lontarblaren — sëngkang. 


oorlel — zie : lel. 






oorring 




anting a . 


oorsmeer 




tai(n) këntok. 


oorzaak 




sëbab. 


Oost, Oosten 




timoe £ . 


Oostelijk 




sëtimoe £ '(në). 


op 




lé £ atas. 


opborrelen 




ngëmboel. 


opbrengst 




bëbaoean. 


opdat 




adé £ '(në), mangdë (Bal.) 



baoe. 



42 



openen 

opening 

ophelderen 

ophoogen 

opium 

opjagen (v/ wild) 

opkoopen (zie ook : koopen) 

oplaten (v/e vlieger) 

oplossen 

oprichten 

oprollen 

opscheppen 

opsporen 

opspringen 

opstaan 

opzet 

opzuigen 

orde brengen (in) 

os 

oud 

ouderdom 

ovaal 

overblijfsel 

overeenstemming 

overkant 

overleden 

overnachten 

overspel 

overstrooming (bandjir) 

overtreden 

overtuigen 

overwinnen 



paal 
paar 
paard 



boeka c ; ('ng)gagar — losmaken van gebonden voor- 
werpen. 



löwaug. 



nerangang. 



ngatasang (atas); te'atas(ang) (passief). 

tjandoe. 

bëgëroh (geroh) ; tëgëroh — opgejaagd. 

mëli. 

bëlajangan. 

awor. 

boetëng, ngandjëng. 

goeloeng. 

njëndoek (sëndoek); tesëndoek (passief). 

métë, boja 2 . 

njontlak, ngradjang. 

ngasë (ontwaken); oeras (ngandjëng, boetëng). 

sëdijak ; goemana. 

njeroet (sëroet); tësëroet (passief). 

ngrisa. 

sampi bantot. 

töwa £ , wajah (v/h gp.) middelm. leeftijd — tékès. 

oemoer. 

lötjong. 

salo. 

sópó £ moepakat. 

ampih, ainbing. 

maté 2 , sédë (v/ hgp.) 

maré c , nindo". 

bëkaroeh. 

belaboer. 

nglëbak (lëbak) ; tëlëbak (passief). 

mëdasang (pëdas); tepëdas(aug) (passief). 

mënang. 

P. 

tëkën, tijang. 

sëpasang. 

djaran ; rijpaard — pëlinggihan (v/ hgp.) 



43 



paardenstal 


barë(n) djaran, gëdoggan. 


paarl 


moetiara. 


pad (voet) 


èlèsan. 


padi 


padé, pare. 


pagaaien 


dajoeng. 


pajoug 


pajoeng, padjëng. 


paleis 


poeri. 


paling 


toene. 


palm (aren) 


nao. 


palmwrjn 


toewak. 


pamor (v/e kris) 


pamor. 


pan 


sigon, soegon. 


pand 


gade ; tanggëp. 


pandeling 


pandjak, sëpangan. 


pap 


boeboer. 


papaja 


gëdang. 


papegaai 


pèkat. 


papier 


kërtas. 


paren 


bëkarong. 


parkiet 


përing. 


pas (zoo juist) 


baroe. 


passen (0/ iets) 


djaga. 


passeeren 


liwat. 


patjoel 


tambab. 


patroon 


pastroom (n/h Nederl.) 


patrouille 


ronde (idem). 


patrouilleeren 


njambang. 


pauw 


mërak. 


pees 


oer at. 


pen 


kalam. 


pennemes 


ladik. 


pendopo 


sësangkok ; — djoeloe — voorgalerij ; 




achtergalerij. 


penis 


lésé c , boeto £ . 


peper 


sang. 


persen (zie ook : drukken) 


ngëndjëk. 


persoon 


dëngan. 


piek 


toembak ; korte piek — djoengkat. 



— moedi 



44 



piekstok 


dandë toembak. 


pikken 


njënjotjok, nënrjok. 


pikoel paard 


djaran pöndöng. 


pink 


gërigi £ , këringkP. 


pis 


pènè c ; pissen — mènè £ . 


pisang 


poentP. 


pit (v/e vrucht) 


tolang. 


plaag 


bahlë. 


plaats 


taö c . 


plagen 


ngëroedó. 


plan 


angën ; v/ plan zijn — bërangën. 


plank 


papan. 


planten 


nalët; rijst planten — nglöwong (löwöng); tëlö 




wöng ~ passief. 


plas 


ritjak. 


plat 


gèpèng. 


pleegkind 


anak akon. 


plicht 


këwadjipan. 


ploeg 


tënggalë. 


plooi 


lepe tan. 


plotseling 


sëloen 2 . 


plukken 


madas (padas), baoe; tëpadas, tëbaoe (passief) 


poeder 


boeboek. 


poep 


tai ; poepen — nai. 


poetsen 


ngösok. 


pokdalig 


bongès, roekik. 


pokken 


boetih, rebo 2 . 


pomp 


kompa. 


pompelmoes 


djëroeti. 


poort 


djëbag. 


poos 


sëmënda £ . 


poot 


naè". 


pop 


tëtato. 


portemonnaie 


tjëtjópok. 


pot (kook) 


pemongka £ , këniè 2 ; v/h bewaren v/ rijst of water — 




sëlao. 


praatziek 


rèmès, tjètjèl. 


prachtig 


bagoes. 



praten 



45 

ngraos, bëkëranté (raos, këranté) ; tëraos(in), tëkë- 
ranté (passief). 



prauw 


përaoe, djoekoeng. 


presenteerblad (v/ hout) 


bëbintangan, taba c . 


prevelen 


njërimoet. 


pruimen 


njoesoet (soesoet); tësoesoet (passief). 


priester 


pëngoeloe, goeroe. 


privaat (W. 0.) 


djamban (n/h Mal.) 


prijs (waarde) 


adji. 


prijzen (roemen) 


ngadjoem. 


product 


hasil. 


proeven 


njoba £ , ngrasa £ (tjoba c , rasa £ ); tëtjoba £ , tërasa 4 , 




(passief). 


profeet 


nabi. 


prop 


soempël. 


propvol 


sabol. 


pruttelen 


ngëroemoen. 


puimsteen 


batoe koemboeng. 


puist 


boedoen, këbong. 


punt 


pótó. 


puntig 


tadjëp. 


put 


lèngko £ , timbe. 


putemmer 


tiniba c . 


putten 


nimba £ . 


pijl v/e boog 


pana c ; v/e blaaspijp — djëmparing. 


P\J n 


sakit. 



quitantie 



raad 

raadplegen 
raadsel 
• raam 

rad (v/e wiel) 
radeloos 
raden 



pëmótong. 

R. 

nasèhat. 

ngèudèng timbangan (advies vragen). 

bëbadéan, pindjë pandje. 

djëndéla. 

roda. 

simo. 

badé c . 



4 e» 



rug 


djëdjëlë. 


vak e n 


kënë. 


ramen (schatten) 


naksir (taksir); tëtaksir (passief). 


ramp 


bahlë. 


rand 


sëdi. 


rangschikken 


ngapi c . 


ranselen 


mëribasa^, man tok. 


rapport 


pëdjati. 


rapporteeren 


mëdjati (pëdjati); tëpëdjati(ang) (passief). 


ras 


bangsa. 


rasp 


paroet. 


raspen 


mëmaroet. 


rat 


bëganff. 


ratten val 


këdëbak bëgang. 


rauw 


mata s . 


ravijn 


djoerang, iding 2 . 


recht (teg. v/ krom) 


lombo^, bëndër. 


rechtbank 


pëngadilan. 


rechtdoor 


bëndër, bëtëroes. 


rechter, rechts 


ka wan. 


rechtvaardig 


adil. 


redden 


betoeloeng. 


reden 


sëbab, lantaran. 


reede 


pëlaboewan. 


reeds 


wah. 


reet 


sëlak. 


regeeren 


mrèntah (prèntah); tëprèntah (passief). 


regeering 


pëmërèntah. 


regel 


atoeran. 


regelen 


ugatoer. 


regen 


oedjan. 


regenboog 


tédja, djondjo 5 Ala. 


regentijd 


këntaoen ; droge tijd (0. Moeson) kembalit 


reiger 


këbango. 


reikhalzen 


ngangas. 


rein 


soetji ; onrein — ngëdjis, remis. 


reinigen 


bërsijang. 


reisgeld 


bëkël, 



47 



reizen 


lalo, loemoar (v/n g. p.) 


rekenen 


bërèkéng- (v/h Nederl.) 


rennen 


nënëgar. 


rente 


anak wang. 


rest, restant 


salo. 


reuk 


amboe. 


reus 


raksasë. 


rib 


tölang daèng. 


rivier 


koko c . 


rochelen 


kërëk, kërok. 


roeien m/ korte riemen 


bëbosé. 


■ laü ge , 


bëdajoeng. 


roepen 


nanggor, ngëlèk, ngëmpoh ; ngësèngin, manik, 




(v. h. p.) 


roer 


këmoedi. 


roest, roesten 


bëtai. 


roet 


kosèug. 


rolkussen 


galang goeling. 


rollen 


bëgola £ galing. 


rommelen 


bëgroepoek. 


rond 


boelët. 


rondzwerven 


bëgëlamang. 


rood 


abang, béa c . 


roofdier 


sesato galak. 


rook 


pëndët. 


rooken 


ngoedoët, ngëroko £ , ngëlandjar (v/h. g. p.) 


roos 


këmbang aèr wawë. 


roosteren 


manggang, noenoe £ (panggang, toenoe 1 ) tëpang- 




gang, tëtoenoe £ — geroosterd. 


rooven 


bègal. 


roover 


pëmbègal. 


roskam 


pëngkërok. 


roskammen 


ngërok (kërok) ; tekerok (passief). 


rot (slecht) 


bërëk. 


rotan 


pëndjalin, èmat. 


ruo - 


bongkör. 


ruggegraat 


tolang bongkör. 


ruiken . 


ngamboe c . 



is 



ruileu 

ruim 

rukken (los) 

rumoer 

rups 

rusten 

rijden 

rijk 

rijkdom 

ri JP 

rijst 



rijstblok 

rijstschuur 

rijststamper 

rijstvogeltje 

rijtuig 



betoekeran, bësidoeran, bësiloerari. 

galoeb, goewar. 

ngaoet. 

gèwar. 

oelefc. 

mëutëlab, bëtëlah. 

noenggang, ngëliuggihin (v/h. g. p.) 

soegih. 

kesoegiban. 

masak. 

ongepelde — pare, padé ; gepelde — bëras ; ge- 
kookte — nasi, mé ; rijst koken — ngemé (Jav. 
ngliwet) mougka £ , nëding mé; rijst stampen — 
uoedja c ; nat rijstveld — bangkët; droog rijst- 
veld — bangkët ai c oedjan; uittrekken v/ zaai- 
lingen — ngërèas; overgeplante zaailing — 
löwong; rijst wieden — ngèdèr, ngómë; oog- 
sten v/ rijst — mata 2 ; rijst opscburen — beran- 
soeb, oendjal ; rijst dorscben — djédjé ; rijst 
zaailing — binè ; zaadbed — pëngamparan ; 
zemelen, kaf, — oenggoeu, koet ; padi, welke 
hier en daar op de sawab nog opschiet na den 
oogst — sërisip, wot; plantgaten maken — 
nadjoek; rijstmesje — rangkap; pot om rijst 
in te koken — pëmongka c , këmè c ; rijstketel 
waarin de rijst in damp gekookt wordt — 
pëoiongkang (Jav. koekoesan) ; ketan — rëkët. 

lisoeng; v/ hout — lisoeug gënëng. 

loemboeng, sambi, pantëk, alang. 

anak aloë. 

djëlantik, glatik. 

krétë, dökar, tjikar, gröbak. 



sabel 
samen 
sandalen 
sap 



s. 

klèwang. 
barëngs. 
tërömpë. 
ai% gëta^. 



49 



sarong (v/ vrouwen) 

satan 

schaaf 

schaamte 

schaap 

schaar 

schaars 

schade 

schadeloosstellen 

schaduw 

scharrelen (vrouwen zoeken) 

scheede v/e kris 

scheef 

scheel 

scheen 

scheiden (echt — ) 

schelden 

schelp 

schenken 

scheren 

schermen 

scherp 

scherpen (aan — ) 

scheuren 

„ in heele kleine stukjes 
schieten 
schil 
schild 
schildpad 
schillen 
schimmel 
schip 
schitteren 
scheen 

schoft, schouder 
schokken 
schommel 

Verhandelingen Bat. Gen. Dl. LXI, 



tèmbèng, kèrèng ; v/ mannen — kèrèng, sëléwo c . 

sètan, sèla c , mëdol. 

sëroet. 

këlilë, kaila s 'an. 

kibas, bémbé £ , biri 2 , dombë. 

goenting. 

rarang. 

potjol. 

gëntP keroegian. 

léndo, lingon; i/d schaduw zitten — bëbao. 

ngajo. 

orangkë ; v/e kléwang — sarong. 

djiring. 

sero . 

mëmanang, loeloet. 

bëséang; bëkëlin (v/ elkaar gaan o/ andere wijze). 

njënjoempa c (soempa c ); tësoempa c (passief). 

basé (groote), kéké (kleine). 

noempah (toempah); tëtoempah (passief). 

ngoeris. 

përisé, bëladoek; schermpartij — përiséjan, bëla- 

doekan. 
mërang. 
ngasa £ . 

ngrobèk (robèk), bedah; tërobèk, tebëdah (passief), 
ngrimit (rimit); tërimit (passief), 
medil (bëdil); tëbëdil — geschoten, 
lèndong ; v/e klapper — kamboet. 
inde. 

(zee — ) pënjoe; (rivier — ) boeloes. 
ngloeké 2 (loeké c ); tëloeké £ (passief), 
boelat. 
kapal. 
njëlèng. 

kasoet, sëpatoe. 
bëlikat, towak. 
njongkèlang. 
gijong. 
Ie stuk. 4 



50 



school 


sëkolah. 


schoon 


bërsi ; schoonmaken — bersiang. 


schoonbroeder, schoonzuster 


ipar. 


schoondochter, schoonzoon 


mënantoe. 


schoonvader, schoonmoeder 


inëntowa s . 


schoot 


iwe. 


schop 


adjok. 


schoppen 


nglaudjak (landjak); telandjak (passief). 


schorpioen 


tëlëdoe. 


schors 


babak. 


schouder 


bëlikat, towak. 


schreeuwen 


bekoeih, soerak. 


schreien 


nangis. 


schrift 


toelisan. 


schrik, schrikken 


tagèt, tindjot. 


schroef 


sëkroep (n/h Nederl.) 


schrijven 


njoerat, noelis. 


schuldig 


sala 51 , pëlih. 


schurft 


goedès, körès, gèndjah. 


schuim 


kowok-kowok. 


schuw 


liar, liah. 


scrotum 


tëlor, batoe(n) tëlor. 


sedert 


sëdëk. 


seivet 


sërbèt (n/h Nederl.) 


shawl 


lèmpot. 


sidderen 


nglëgët, gergër. 


sieraad 


pëpajasan. 


sigaar 


roko £ bëlanda. 


sik 


baök. 


singel (buik — ) 


tali(n) tijan. 


sirih 


léko £ . 


slaaf 


sëpangan, pandjak. 


slaan 


mantok. 


slaapdrank 


sësirëp. 


slaapplaats 


petindoan, pësaréjan, përendjëpan (v. h. p.) 


slachten 


górok, njëmëlèh. 


slachter 


djagal. 


slapen 


tindoe, ëndjep (v/h. g. p.), mësaré. 



51 



slagtand 


djaloe. 


slang 


oelah. 


slecht 


lëngé. 


slechts 


dowang. 


sleepen 


ngörös (öros); të'öros (passief). 


slendang 


lèmpöt. 


slenteren 


ngaliomang, bëkëdèk-këdèk. 


slenteraar 


paliomang. 


sleutel 


anak sësërëk. 


slikken 


nëlen, bëlot, bëlët. 


slim 


tjërdi c ; bevattelijk — mëngë, mëlèk. 


sloop (kussen — ) 


pais, sarong. 


sloot 


èrat, oloh. 


slordig 


èkèk. 


slot 


sësërëk. 


sluiten 


njimpët; m/e deksel sluiten — ngoedoeug. 


slurf 


toelalé. 


slijk 


raok. 


slijm 


köèk. 


smaak 


idap. 


smakelijk 


mai £ . 


smal (v/e weg) 


soekët, koeti c . 


suieeken 


noenas. 


smelten 


nglëboer (lëboer) ; tëlëboer (passief). 


smid 


pandai. 


smijten 


mlèwas, mlèntong, ngengapëk, nëtèh. 


snavel 


tjoetjoek. 


snel 


njërëk, bëtjat, gëlis. 


snikken 


këdoedoesan, tërënggi c -ënggi £ . 


snoeper ij en 


djadjë. 


snoeren 


gantoes. 


snoet (varkens — ) 


tjëribèk. 


snorken 


gërëk, kërëk. 


snot 


iroes, idoes. 


snijden 


mëlëng, mèlóng (pëlëng, polong) ; tëpëleng, 




tëpölong (passief). 


soldeeren 


patri. 


soms 


kadang*. 



52 



soort 


warnë. 


sorteeren 


ngapi = . 


spaarpot 


pëtjèlèugan. 


spannen 


masang. 


spatten 


mërisat. 


speeksel 


tidjoe, djoela^; spuwen — bë tidjoe, bëdjoela*. 


speelgoed 


pëkëdèkan kanak. 


spelen 


bëkëdèk kedèk. 


spiegel 


mëke, kasnë ; spiegelen — bëmëkë, bekasnë. 


spier 


oerat. 


spin 


gonggang garem. 


spion 


los, mate mate. 


spook 


sèla £ , sètan, medol. 


spoor 


önös, tam pak. 


spreekwoord 


sesenggak. 


spreken 


ngraos, bëkërante; wartaal spreken — ngrèmon. 


sprinkhaan 


balang. 


springen 


njontlak, ngradjëng : v/ boven 11/ beneden sprin- 




gen - nimpoh. 


spuwbak 


pëloedahan. 


spijker 


besi pakoe. 


spijs 


kakënan, adjëngan. . 


staal 


wadja. 


staan 


ngandjëng, boetëng. 


staart 


èlong. 


stad 


koetë. 


stal 


bare. 


stampen 


noedja £ . 


stang (v/e paard) 


pëlèbèk. 


stank 


bais. 


stap 


djëngkang, lèngka c . 


stapelen 


noempoek (toempoek) ; tëtoempoek (passief). 


steel 


dandë. 


steen 


batoe, 


stekel 


doeri, doewi. 


stekelvarken 


landak. 


steken (m/e wapen) 


bégalah ; v/ vleesch o/e stok — noendjoek, njoesoek 


stelen 


me maling. 



53 



stellig 

stem 

stempel 

stengel 

ster 

sterk 

sterkgebouwd 

sterven 

stevig 

stiefkind 

stikdonker 

stil 

stilhouden 

stoppen 

stom 

stoom, damp 

stooten (zich) 

storm 

storten 

stortregen 

stotteren 

stout 

straat 

straffen 

straks 

stram 

strand 

streep 

streng 

striem 

stroef 

strooien 

stroomen 

strop, strik 

struikelen 

stuk, defect 



tëntoe, misti. 

soewarë, ongkat. 

tjap. 

gauto c . 

bintang. 

kërëng, koewat. 

angker, koekoeb. 

maté £ , sédë (v/ b. g. p.) 

koekoeb. 

anak téré £ . 

petëng limoet. 

soewoeng, sëpi. 

tëdo s . 

bëtëlab, mëntëlab. 

pako 21 , dako £ . 

koekoes. 

këdampës, këlantoer, këdantoek. 

barat. 

noempab. 

oedjan bëli £ . 

bëga c ga £ . 

tëlë. 

langan, roeroeng. 

ngoekoem, mongor (boekoem. pongor): tëboekoem, 
tëpongor (passief). 

laoen, barès. 

kodjor. 

pasisi (kust), tamparan. 

goerat. 

këras. 

bilët, balar. 

sërët. 

njangkoerang, njaoer. 

ngèlèk (v/ water). 

sèt. 

klënggoe, këdantoek. 

sédë, bëlab ; (v/ touw) — boetes, pëgat; in dui- 
zend stukken — rëmoek. 



:>l 



stuk (b/h tellen) 

stijf 

stijgbeugel 

stijgen 

suiker 

suikerriet 

sukkelen 



boengkotl, boelet. 

sigoek. 

loengka 2 , sangka oedi. 

taèk. 

goela. 

tëboe. 

pënjakitan. 

T. 



taai 


këras. 


taal 


base. 


tabak 


tëmbako, mako. 


tafel 


médjë. 


tak 


pèmpang. 


tam 


isah. 


tamarinde 


bagé £ . 


tand 


gigi- 


tandvleesch 


isi(n) gigi. 


tante 


ina £ sai. 


tapijt 


pramadani (n/h Mal.) 


teekenen 


gambar. 


teen 


ranggot naé. 


tegelijk 


barëng 2 . 


tegenhouden 


ngandekang, ngëndötang 


tegenkomen 


bëdait. 


tegenover 


bërandangan. 


tegenovergestelde 


lawanan. 


tegenwoordig — zie : nu. 




telkens 


sering. 


tellen 


bëritoeng. 


tellen (v/ een paard) 


ngidjik. 


tepel 


pótök soesoe. 


terug (keeren) 


mëtoelak. 


teug 


lëgoek. 


tevreden 


girang, tjëmoh. 


thuiskomst (bij) 


sëoeli £ (në). 


tien 


sëpoeloe; 10000 -- sëlaks 


tikken (kloppen) 


ngröntok. 



55 



timmerman 




toekang kajoe, bëndagi. 


tjabé 




sebye. 


toebehooren 


« 


ngépé; wien hoort dit toe? — sai ngépé siné? 
sai épénë siné? 


toedoen 




ngoedoeng. 


toen 




piranan; vroeger — sëdek siuo c . 


toenemen 




bërómbo £ . 


toestaan 




ngëloegrahin. 


tol 




gangsi ng. 


tolk 




djoeroe base. 


tong 




èla*. 


toom 




pëlèbèk. 


tooveren 




sëmbali mata. 


top 




pótó. 


tot 


** 


djangkë, èntah ; van .Selong tot Pantjor — lekan 
S. djangkë (èntah) P. 


totaal 




djoemlah, boengkoelan. 


touw 




tali ; touw draaien — mëpit, of nglëles tali. 


traan 




ai c mata. 


tractement 




gadji. 


trap v/e huis 




oendak. 


trekken 




ngantoe c , awèk, ngëdeug. 


trekken (uit den 


grond) 


'mbot (uitspreken: ëmbot); uit de scheede trek- 
ken — njërèt. 


trekpaard 




djaran pëngöros. 


troebel 




këroh, këmoet, koerëk. 


trom 




gëndang, bëdoek, tamboer (n/h Nederl.) 


trompet 




përèrèt. 


tros 




toendoen. 


trotsch 




këmbo c . 


trouw 




bakti. 


trouwen 




bëkawin. 


tuin 




këbon. 


tulband 




sorban. 


tusscben 




antarë, sëlak. 


twee 




doewa; 12 — doewa olas; 22 — doewa likoer; 
32 — tëloeng dasa doewa; 42 — pëtang d;\^i 
(ampat poeloe) doewa ; 52 — sèkët doewa ; 62 



56 



tweelingen 



twisten 

tijdens (gedurende) 

tijd 



tijger 

U 

ui 

uier 

uit 

uitbarsten 

uitdagen 

uitdooven 

uitgehongerd 

uitgeput 

uithouden 

uitkiezen 

uitkomen 

uitlachen 

uitleggen 

uitnoodigen 

uitsluitend 
uitstellen 
uittrekken 
uur 

vaak 
vaccineeren 

vadem 
vader 



— in-m dasS (poeloe) doewa ; 72 — pitoeng dasa 
doewa; 82 — baloe £ poeloe doewa; 92 — siwa £ 
poeloe doewa ; 200 — satak ; 2<>00 — doewaug 
tali; 20000 — doewa laksa. 

këmbar. 

bësoewal, bëkëntjan, bëkréjok. 

sëdëk. 

kalangau ; ik heb nu geen tijd — sinëkë ëndé £ 
ara kalangan ; tijd v/ oogsten — kënjëkënë 
mata c . 

matjan. 

u. 

sidë, (t/h. g. p.) pelinggih de kadji. 
bawang; witte ui — lëngsoenë. 
soesoe. 
lé £ . 

ngëmpok. 

nantang (tantang); tëtantang — uitgedaagd, 
njëmati', mëda c api. 
këlapahan. kelaparan. 
lëlah, këutalo 2 , loeloeh. 
tahan. 

mili £ (pih £ ) : tëpilèn (passief), 
nëdoen, njoegoel. 
ngréré c 
nërangang. 

mesila £ ; ngatoeri, ngoendang (sila^, atoer, oen- 
daug) ; tëpësila^, tëatoer(in), tëoendang, (passief). 
doang. 

boeroengang. 
ngëmbot. 
djam; hoe laat is 't? — pantok pirë? 

V. 

pëpës, sering. 

njoentik. 

dëpë. 

ama 2 (v/ niet adellijken); mami (v/ adellijken) 



57 



vagina 




pépé, tëlé. 


vallen 




tëri £ . 


valsch (vau 


geld). 


gegaèn. 


van (voorzetsel). 


lé c , lèkan. 


vangen 




baoe. 


varken 




bawi. 


vast 




keréng, koewat; vasthouden — nëgël, ngëuti £ . 


vechten — 


zie: twisten. 




veder 




boeloe. 


vee 




sësato. 


veel 




loewé c . 


vegen 




njapoe, njampat (sapoe, sampat) tësapoe, tesam 






pat (passief). 


veger 




sapoe, sampat. 


veld 




lëndang. 


vellen 




badoeng, ngrëba £ . 


ver 




rënggang. 


veranderen 




ngobah. 


verbaasd 




bënga c . 


verbannen 




boeang. 


verbergen 




njëbo c ; zich verbergen — njëbo e diri(në) ; stam = 

sëbo — tësebo c (passief). 


verbeteren 




ngëna £ 'ang (këna s ); tëkena c, ang (verbeterd). 


verbieden 


X 


bebala £ . 


verbod 




pëmbala c . 


verboden 




tëbala^. 


verbrand 




kotong, djoelat. 


verdacht 




tëparan. 


verdeelen 




bagi. 


verder 




rënggangan. 


verdriet 




sakit até. 


verdwaald 




këpoesa £ , kësangsang. 


verdwenen 




tëlang. 


verf 




tjèt. 


vergaan 




këtëlëp, këselëm. 


vergaderd, 


vergaderen 


sangkëp. 


vergadering 


sangkëpan. 


vergeefs 




sija 2 . 



58 



vergelijken 
vergeten 



banding. 
loepa c . 



vergeven 


ngampoem (ampoen); teampoenin (passiei). 


vergiffenis 


sampoerajan. 


vergift 


tjëtik, opas. 


vergissen 


pëlih, njala c . 


vergoeden 


bëgënti c . 


vergroot en 


ëmbëli £ 'ang. 


vergulden 


njadoer, njëpoeh. 


vergunnen 


ngëloegrëhin. 


verhaal 


wëwaran, dëdöngèng. 


verhemelte 


lantak. 


verhindering 


sëngkala. 


verhuizen 


ngalih (alih) ; tealih — verhuisd. 


verkwistend 


gandoer. 


verjagen 


mësoet, gëroh. 


verkeerd 


sala c . 


verkleinen 


ngodé^ang, beri^ang. 


verkiezing 


pëpilènau, pëpilè'ang. 


verkoopen 


bedjoewal. 


verkouden 


sëlëma. 


verlaten 


ngadé, ngëntëngang. 


verlegen 


ila £ . 


verleppen, verlept 


lajoe. 


verliefd 


bëkëmélé z . 


verlies (schade) 


pötjöl. 


verliezen 


ngalah. 


verloren 


tëlang. 


vermoeid 


lëlah. 


vermoorden 


njëmati £ . 


vernachten 


maré c , nindo £ . 


vernemen 


dëngër, dengah. 


vernielen, vernietigen 


njënjéda c . 


veroordeelen 


möngor, ngoekoem, moepoetin ; ter dood veroor 




deelen — ngilangang. 


verpanden 


njanda^. 


verplaatsen 


ngalih. 


verplicht 


ngépé këwadjipan. 



59 



verrichten (v/ heerendienst) 

verroest 

verrot 

verruilen 

versch 

verscheuren — zie: scheuren. 

verschil 

verschoonen 

verschrikt 

verschijnen 

versieren 

versleten 

verspreiden 

verstaan 

verstellen 

versterken (v/h lichaam) 

vertellen 

vertoeven 

vertrekken 

vertrouwd 

vertrouwen 

vervangen 

vervoeren 

vervolgen 

vervolgens 

verwaand — zie: trotsch. 

verwant 

verwonden 

verwijten 

verzadigd 

verzoek 

verzoeken 

verzot 

verzuimen 

verzwikken 

vet (dik) 

veulen 



ngajah. 

bëtai. 

lëngi, bërëk. 

noekërang, noekahang, njiloerang. 

bagoes, baroe. 

binë; verschillen — bëbine. 

bëgënti c , besalin. 

tagèt, tindjot. 

datëng, marek. 

majasin. 

lotoh. 

kësangkoer, kësaoer, kësaoeh. 

ngerti, paham, pëdas. 

bëdjait, nampël. 

njëgëran awak; v/e kamp — ngoekoehang desa. 

njeritajaug, noetoerang, dongèngaug. 

'ndot, mëro. 

angkat, loembar (v/ h. g. p.) 

baoe te sadoe. 

njadoe. 

gënti c , njaloek. 

djaoe £ . 

pali c , teroektoek. 

moedian, bandjoeran, beteroes. 

bëkadang, bësemëton djari. 

bakatin, natoeaug, ngëlëkëtang. 

mësala 2 . 

bësoeh, besoer; këmantang — onverzadigd. 

pëngèndèngan, pënoenasan. 

noenas, ngèndèng. 

tjoeloek, sangët demen. 

ngampahang. 

leso £ . 

moköh, lemoe. 

anak djaran. 



lil! 



vier 



voedsel 



voelen 



arapat; 14 — ümpat olas; 24 — ampat likoer; 
34 — tëloeng dasa ampat ; 44 — pëtang dasïi 
(poeloe) ïirupat; 54 sèkët ampat; 64 — nëm 
dasa (poeloe) ampat; 74 — pitoeng dasa (poe- 
loe) ampat; 84 — baloe" poeloe ampat; 94 — 
siwa c poeloe ampat ; 40 — pëtang dasa, ampat 
poeloe ; 400 — samas ; 4000 — pëtang tali ; 
40000 — ampat laksa. 



vierhoekig (vierkant) 


mërapat. 


vies 




remis, èkèk. 


vinden 




dait. 


vinger 




ranggot. 


vingerbreed 




njari ; bijv. doewa njari. 


viool 




rëdep. 


viscli 




ëmpa 51 ; zeevisch — ëmpa 1 sëgara; riviervisch — 
ëmpa c kókó c . 


visschen 




man tj ing. 


vischnet 




djala, sörok. 


vlak 




asah. 


vlakte 




lëndang. 


vlechten 




ngoelat. 


vleermuis 




këntjolit ; vliegende hond — boekal. 


vlerk (v/e prauw) 


kantir. 


vleugel (v/e vogel) 


klètèk. 


vlieg 




këlikit. 


vliegen 




ëngkèlèp, ëngkëbër, ëngkësoer. 


vlinder 




këbëkol, èwok~. 


vloed 




pasang. 


vloer (aarden 


-) 


bëtaran ; v/ planken — banbau ; v/ bamboe — lasah. 


vlot 




rakit. 


vluchten 




bërari, pëlai. 


vlug 




bëtjat, njërëk ; erg vlug — santër. 


vlijt, vlijtig 




pasoe. 


voeden 




v/ dieren — ngimpan ; v/ menschen — béng ma- 
ngan. 



v/ dieren — impan ; v/ menschen — kakënan, pa- 

nganan ; daharan en adjëngan (v. h. g. p.) 
ngidap. 



61 



voet 


nae. 


voetpad 


èlèsan, pëngoröng. 


voetspoor 


önös, tam pak naé. 


voetzool 


lampak naè E . 


vogel 


këmanoekan. 


vogelkooi 


koeroengan. 


vol 


pëno £ , sabol. 


voldoende, genoeg 


sëmai £ , gënëp. 


volgen 


miloe, ' noeroet ; ngiring (v/ h. g. p.) 


volhouden 


tahan. 


volk 


bangsa. 


voor 


lé c djoeloe, lé c arëpan (v/ h. g. p.) 


voor (ten behoeve van) 


oema £ , lakar (Mal. bakal). 


voorbeeld 


imbë, tjonto. 


voorbehoedmiddel 


pëngadang bahlë. 


voorbijgaan 


liwat. 


voordeel 


oentoeng, agët. 


voorhoofd 


tëlakar. 


voorhuid 


lèndong lésé, boetó £ . 


voorgallerij 


sësangkok. 


voornemen 


nijat, angën (ber — ). 


voorover 


kalëp, langkëp. 


voorteeken 


tandó £ , tjiri. 


voortaan 


èra £ . 


voorttelen 


bëdjari, berombo c . 


voorttrekken 


oros, awèk, ngedëng. 


voorzichtig 


adèng 2 , iugët 2 , onja 512 . 


vork 


yakar. 


vorm 


tjitakan, rëmbagan. 


vorst 


datoe. 


vouwen 


ngëlëpët. 


vragen 


bëkëtoan; om iets vragen — ngèndèng, noen;i> 


vracht 


boewatan. 


vrede 


patoeh. 


vrees 


takoet. 


vreten 


mangan, ngakën (pangan, kaken) ; tëpangan të- 




kaken (passief). 


vreugde 


këdëmënan, kësënëngan. 



62 



vriend 




sahabat, beraja, kekasihan. 


vroedvrouw 




bëlijan nganak. 


vroeg (i/d morgen) 


lèuia c lèma 2 . 


vroeger 




piranan. 


vrouw 




dëngan ninë ; echtgenoote — seninë ; wijfje van 
dieren — përina ; vrouwelijk — ninë. 


vrucht 




boewa c . 


vrijmoedig 




bani, las. 


vrijspreken 




njampoerë (sampoerë) ; kësampoerë, tësampoerë, 
(passief). 


vuil — zie: 


vies. 




vuilnis 




dëdóró, rërónggó. 


vuist 




rëgëm. 


vulkaan 




goenoeng bërapi. 


vullen 




ngisi £ . 


vuur 




api; gloeiende houtskool — barak. 


vuurvlieg 




ëntèp 3 . 


vijand 




moesoeh. 


vijf hoek 




bësagi lima. 


vijl 




kikir. 


vijlen 




ngikir. 


vijver 




tëlaga. 


vijzel 




lisoeng ragi (lisoeng = stamper, ragi = Mal. 



waaien (m/ een waaier) 

waaier 

waar 

waarde 

waarheen 

waarom 

waarschuwen 

waarschijnlijk 

wachthuis 

wachten 

wagen 



boemboe). 

w. 

ngëpët. 

këpët. 

lé £ ëmbé. 

adji. 

odjok ëmbé, anèng ëmbé. 

koembéné, bërëmbë, apa sëbabnë, koembénë 

sangka c . 
mëringët, mëkiling (t/ h. g. p.) 
sang, badé £ -badé £ . 
gërdoe. 
ngantih. 
bani. 



63 



waken 


djaga*. 


wakker 


ngasë, mëtaugi (v/ h. g. p.) 


wand 


v/ bamboe — pager ; v/ steen — tèmbok. 


wandelen 


bekedèk. 


wang 


sangkèp. 


wanneer 


piran. 


wannen 


nëmpi £ (tëmpi 2 ); tëtëmpi 2 (passief). 


want 


sëbab, këranë. 


wapen 


sikëp, gëgaman. 


war (in de war zijn) 


simo. 


warm 


angët, panas, bënëng. 


was 


lilin. 


wasschen 


biso £ ; v/ kleedingstukken — mópó*. 


wat 


apa. 


water 


ai £ . 


waterketel 


këmè c bësi. 


waterpokken 


tjangkrim, rëbo c ai c . 


waterleiding 


tëlabah. 


waterval 


ai c nimpoh. 


wedden 


bëtaro c . 


weddenschap 


taro £ . 


weder, nogmaals 


ampo c , malik. 


wedloopen 


bëarong-arong. 


wedstrijd 


arong 2 . 


weduwe 


bëbaloe. 


weefsel 


sèsèkan. 


week (bv. nw.) 


ëmboek. 


week (tijd) 


één week — sëdjoeina'at. 


weenen 


nangis, bësërmin (v/ h. g. p.) 


weerlicht 


kisap. 


wees 


anak ijatim. 


weg 


langan, ratajan, roeroeng. 


wegens 


sëbab. 


wegjagen (v/ dieren) 


gëroh, nijah, mësoet; v/ personen — noendoeng 


wegwijzer, gids 


djawa c . 


weide 


lëndang. 


weinig 


sëkëdi £ , sëkëtjèt. 


wekken 


dodo £ ; nanginin (v/ h. g. p.) 



64 



welk 




si ëmbé; welk huis ? — balé si ëmbé? 


welvarend 




ma c moer. 


wenk 




owap. 


wenkbrauw 




alis. 


wenken 




ngowap. 


wennen (zich) 




kaso. 


wensch 




pengarëpan. 


wereld 




doenia. 


werk 




pëgawéjan. 


werkelijk 




tëtoe' 2 , patjoe' 2 , djati 3 . 


werken 




bëgawéjan. 


werpen — zie : 


smijten. 




werpnet 




djalë. 


wesp 




gëgëti, lani. 


west 




barat. 


weten 




nao c . 


weven 




njèsèk. 


wieg 




gijong. 


wiegen 




bëgijong. 


wiel 




rode. 


wierook 




mënjan. 


wildzwijn 




bawi gawah. 


wimpers 




boeloe(n) mata. 


wind 




angin. 


wind laten 




ngëntoet. 


winden (v/ touw) 


goeloeng. 


winkel 




bëbalé c . 


winnen (kans, 


gevecht — ) 


mënang. 


winst 




bati, agët, oentoeng. 


wit 




poeté s . 


wolk 




awoen 2 . 


wond 




bakat, tatoe ; lëkët — onbeduidende wond 


wonden — zie : 


verwonden. 




wonder 




këbënga £ 'an. 


wonen 




endot, bëbalé, djënëk. 


woning 




balé ; gedèng (v/h. g. p.) 


woord 




ongkat, leng, manik (v/h. g. p.) 


viorm 




bijah. bijar. 



65 



worstelen 
wortel 
wrang 
wreed 

wreken 

wroeten 

wrong (v/ haar) 

wrijven 

wij 

wijd 

wijlen 

wijsvinger 
wijzen 



bërampësau. 

akah, akar. 

sëpët. 

bingis, bëboedoehun. 

ngintëmang, ngantemang (intern, antëin) tëintëni- 

(ang), tëantëm(ang) passief), 
ngëngëdoek. 
poendjoeng. 

ngosok (osok); tëösok — gewreven, 
itë pada sëlapoe. 
galoek, goewar. 
(v/ h. g. p.) mëlèkat, arowah : v/ minderen — 

pëdarë. 
tidjó c . 
widjó £ (tidjó 2 ) ; tetidjó c — gewezen. 



Y. 



ylen 
yverig 
yzer 
yzerdraad 



ngremon. 
pasoe. 
bësi. 
kawat. 



zaad (v/ gewassen) 
zaaien (v/ padi) 

zaadbed 
zaak ' 
zacht 

zadel 

zak 

zand 



zang 



zeden 
zee 

Verhandelingen Bat. Gen. Dl. LXI. Ie stuk. 



biuè £ ; dierlijk zaad — mani. 

ngampar; v/ anderen planten — nimoeh, më- 

rembas. 
pëngamparan. 
përkara. 
emboek ; — v/ aard — lëma c leniboet. bësëmoe, 

danë darm Ti, (v/ h. g. p.) 
këkapë; v/e pikoelpaard — kasoeran. 
kantong. 
gerès, gësik. 
lë];il<a £ . 
adal . 



segara. 



66 



zeef 

zeep 

zeer 

zeeroover 

zeggen 

zeil 

zeker 

zelden 

zelf 

zelfde 

zelfs 

zemelen 

zenden 

zes 



zeven 



zeven (werkw.) 
zichtbaar, inzicht 

ziek 

ziekte 

ziel 

zien 

zilt 

zilver 

zingen 



èrok. 

saboen. 

lalo £ , gati, langsot. 

badjak. 

bëbada £ , matoer (t/ h. g. p.) 

lajar. 

tëntoe, moela ngëaoe = (Mal. memang bagitoe). 

langah, rarang, kapah. 

nièsa 2 . 

ia siné, ia sino. 

këtima £ . 

koet, oenggoen, lamböek, sésé. 

ngirim, njempait. 

nëm; 16 — nemolas; 26 — nemlikoer; 36 — të- 
loeng dasa nëm ; 46 — pëtaug dasa (ampat 
poeloe) nëm; 56 — sèkët nëm; 66 nëm dasa 
(poeloe) nëm; 16 — pitoeng dasa (poeloe) nëm ; 
86 — baloe £ poeloe nëm; 96 — siwa £ poeloe nëm 
60 — nëm dasa; 600 — tëloeng atak; 6000 — 
nem tali ; 60000 — nëm laksa. 

pitoe c ; 17 — pitoelas ; 27 — pitoe £ likoer; 37 — 
tëloeng dasa pitoe ; ; 47 — pëtang dasa pitoe c ; 
57 — sèket pitoe £ ; 67 — nëm dasa (poeloe) 
pitoe £ ; 77 — pitoeng dasa pitoe 2 ; 87 — baloe £ 
dasa (poeloe) pitoe c ; 97 — siwa £ poeloe pitoe c ; 
70 — pitoeng dasa (poeloe); 700 — pitoeng 
atoes; 7000 — pitoeng tali; 70000 — pitoeng 
laksa. 

rtgèrok (èrok); tëèrok — gezeefd. 

pëgitan. 

sakit, soengkan (v/h. g. p.) 

pënjakit. 

njawa. 

gita s , njingakin, njerminang (v/ h. g. p.) 

pae . 

sëlaka. 

bëlawas, ngidoeng, ngrambang, nëmbang. 



(57 



zitten 

zoeken 

zoenen 

zoet 

zolder 

zon 

Zondag 



tokol, v/ h. g. p. melinggih, mandjak; m/d bee- 

nen kruiselings zitten — bësila. 
niètë, boja E . 
bësidoek. 
manis. 
tëkep. 
djëlo ; opkomen v/d zon — tiwo 2 ; het ondergaan 

v/d zon — sërëp, tëlëp. 
djëlo ahat. 



zonder 


ëndé c në. 


zoo 


ngëni, ngëno. 


zooals 


mara c . 


zoodat 


djangkë. 


zoodra 


sëwahnë. 


zooeven 


onè c . 


zoogen 


njoesoe. 


zool — zie : voetzool. 




zoon 


anak mamë. 


zorgen 


ingetang, pëlihara c . 


zout 


sija. 


Zuid 


laoe £ ; Zuidelijk — bëlaoe c . 


zuigen 


ngëmot. 


zuster 


sëmëton ninë. 


zuur 


pedis. 


zwaar 


bërat. 


zwager 


ipar. 


zwak 


lëmës, loemah. 


zwaluw 


alats. 


zwam 


loeloep. 


zwanger 


bëtijan. 


zwart 


bèdëng, bidëng. 


zwavel 


warirang. 


zweep 


petjoet; karwats — tjëmëti. 


zweer 


bongkang. 


zweet, zweeten 


bëbëk, bëbëkan, daoer, bedaoer 


zwellen 


bara c . 


zwemmen 


ngönöng. 



68 



/weren (eed afleggen) 


bësoenipah. 


„ (v/ wonden) 


bënana^, bërnat 


zwijgen 


tëdo s , pènang. 


4J 


ü a - 


zijde, zij (stof) 


soetra. 


zijn (werkw.) 


ara £ . 


zijn (bez. voornw.) 


ne. 



v 




V» 



1916 

EENIQE Ln 

FABELS en 

WAN DE 

Onderafdeeling Beloe 

op het eiland Timor 

DOOB 

A. MATHIJSEN, 

flpost. mission. te Lahoeroes in het landschap Fialaran (Ned. Timor). 

Met een aanhangsel 

DOOR 

Dr. N. ADRÏANI. 



VERHANDELINGEN 



VAN HET 



Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. 



Deel LXI. 

Tweede stuk. 


Batavia, 
ALBRECHT & Co. 


's H A G K, 

M. NIJHOFF. 



1915. 



MAR 31 1916 

EENIQ E 

FABELS en VOLKSLEGENDEN 

VAN DE 

Onderafdeeling Beloe 

op het eiland Timor 

DOOR 

A. MATHIJSEN. 

Apost. mission. te Lahoeroes in het landschap Fialaran (Ned. Timor). 

Met een aanhangsel 

DOOR 

Dr. N. ADRIANI. 



VERHANDELINGEN 



VAN HET 



Bataviaascli Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. 



Deel LXI. 



Tweede stuk. 


Batavia, 


'S H A G E, 


ALBRECHT & Co. 


M. NIJHOFF 



19 15. 



> \ 



E e n i ge 

Fabels en Volkslegenden 



VAN DE 



Onderafdeeling BELOE 
op het eiland Timor 



DOOR 



A. MATHIJSEN. 



Deze verhalen zijn voor het meerendeel door gewezen leerlingen der 
zendingschool opgeschreven; slechts een paar heb ik, onder het verhalen, zelf 
geschreven. 

Ik teeken hier bij aan dat de schrijfwijze van verscheidene woorden 
niet dezelfde is als die in de Tetum-EIollandsche woordenlijst. 

In de woordenlijst heb ik zooveel mogelijk de Nederlandsche schrijf- 
wijze gevolgd niet het doel de uitspraak gemakkelijk te maken. 

In deze verhalen echter heb ik de woorden geschreven, zooals ze door 
de oud-leerlingen op papier zijn gebracht. Zoo bijv. komt hier de verdubbeling 
der medeklinkers niet voor, en dus, waar in de woordenlijst: emma, tolloe. 
latta enz. staat, vindt men hier : erna, toloe. lata ; — in plaats van : bee, been, 
foon, zooals in de woordenlijst, staat hier: bei, bein, fooen. 

Ik geef deze fabels en volkslegenden uit, zooals ze mij schriftelijk of 
mondeling werden meegedeeld, behoudens enkele wijzigingen ter bevordering 
der duidelijkheid. 



Buitenzorg, 7 Juli 1913. 



Dale ai kanoïk. Verdichte Verhalen. 



i. 

Krawa no Lomoe=lomoe. Een aap en een reiger. 



Dala ida krawa no lomoe-lomoe ba Eens ging een aap met een reiger 

tiha naan tasi ; krawa nodi dai tiha visschen ; de aap vischte met een net ; 

naan; lomoe-lomoe naklili ko'e nodi de reiger droeg een mandje, volgde daar- 

toeir krawa, be l ) krawa tiha kona mee den aap, opdat, als de aap visch 

naan, atoe tau ba ko'è. — Kaloe krawa ving, bij dien in liet mandje zou leggen, 

tiha kona tan ba ko'è, lomoe-lomoe na Als de aap iets ving en in het mandje 

tia; krawa noesoe: „Naan iha nèëbè?" legde, at de reiger het op ; de aap vroeg: 

Lomoe-lomoe terik: „Nia monoe nosi „Waar is de visch?" De reiger zei: 

ko'è koeak". Hotoe nee krawa tiha „Hij is door eene opening van het 

nikar, tau ba ko'è nèë; lomoe-lomoe mandje gevallen". Daarop vischte de 

na teni dei.^ aap weer, legde het in het mandje; de 

reiger at het weer op. 

Hotoe nèë krawa nawan saè, kohi Daarna werd de aap boos, pakte den 

lomoe-lomoe, nati tia bele nia kan 2 ) reiger, trok al zijn veeren uit, wierp hem 

rahoen, so'è nela nia ba tasi rat ; hotoe op het strand en liet hem daar achter ; 

krawa ba oema, lomoe-lomoe nia kan toen de aap naar huis ging, vroeg de 

fèn noesoe ba krawa: „O kan ria iha vrouw van den reiger aan den aap: 



,0" 



neëbè?" „Waar is je zwager?' 

Krawa terik: „Nia sei naris". Mais De aap antwoordde: „Hij is nog aan 

krawa terik bosok. het baden". Doch de aap loog. 

Lomoe-lomoe nia kan fèn nanono, De vrouw van den reiger wachtte, 

nia la mai; hotoe nia ba tasi ba nali- hij kwam niet; toen ging zij Daar zee, 

koe nia; nia nare ba nia kan laen lao ging naar hem kijken; zij zag haar in;ui 

iha rat, 3 ) semo la bele tan 4 ) rahoen op het strand loopen; vliegen kon hij 

krawa nati nalo faloe; hotoe nee nia niet, omdat de aap al de veeren luid 

kan fèn nakau nia nodi ba oema, rai uitgetrokken; daarop droeg zijne vrouw 



1) 


In de woordenlijst: bee. 


2) 


n ii H : kaan. 


3) 


lï 11 11 * FclS-L. 


4) 


n n ii • taan. 



Verhandelingen Bat. Gen. Dl. LXI. 2e stuk, 



nia ba oema laran. La kleoer nia kan *) 
raboen toeboe nikar. Kaloe nia nare ema 
na baboear, nia liboer baboear kakoen. 
Kaloe krawa nare, lomoe-lomoe liboer 
baboear kakoen, krawa noesoe: „0 modi 
baboear kakoen nee atoe malo sa?" 



Nia terik: „Haoe atoe kalo ro 2 ) 
atoe kodi ba kontaratoe, kaloe emi 
hakara ba ho ami, bele". 

Krawa sia terik: „Soin". 

Kaloe sia nalo ro nee tomak ona, 
krawa liboer maloe; liboer botoe sia 
saè ro nèè atoe lao ona ; ba kalan nèë 
sia lao; kaloe sia too tasi klaran ro 
koeak, we tama ; dadi sia boloe lomoe- 
loinoe: „Ria ria ! naai lai te we tama 
ro"; botoe nee lomoe-lomoe toen ba, 
hetak toetoe koeak ro, tan oeloek kra- 
ma nati nia kan raboen; dadi nia na- 
wan saè; la oras ro mooet 3 ); krawa 
boloe lomoe-lomoe : „ A ria ! toean 
baoe"; mais lomoe-lomoe terik: „Lale, 
tan 4 ) oeloek o mati baoe kan raboen ; 
tomas baoe kan fèn ba foti haoe, lale 
haoe mate bakmamoek". 



Hotoe nee ro mooet, krawa mate nalo 
faloe, nén la hela kmisak 5 ) ida. Lomoe- 



hem naar huis, legde hem in huis. 
Niet lang daarna schoten zijn veeren 
weer uit. Als hij menschen waterme- 
loenen zag eten, verzamelde hij de 
schillen van de watermeloenen. Als de 
aap zag, dat de reiger de schillen van 
watermeloenen verzamelde, vroeg hij : 
„Wat wil je met die watermeloen- 
schillen uitvoeren?" 

Hij zei: „Ik wil een schuit maken 
om er mee te gaan handel drijven ; 
als julie plezier hebt met ons te gaan, 
dan kun julie dat doen". 

De apen zeiden: „Goed". 

Toen zij die schuit klaar hadden, 
kwamen de apen bij elkaar; toen zij 
bijeen waren bestegen ze de schuit om 
aanstonds af te varen ; dien avond ver- 
trokken zij ; toen zij midden in zee 
waren, raakte de schuit lek, het water 
stroomde binnen; daarom riepen zij den 
reiger: „Zwager, zwager kom terstond, 
want het water komt in de schuit"; 
daarop kwam de reiger naar beneden, 
pikte de schuit nog meer stuk, omdat 
de aap vroeger zijn veeren had uitgetrok- 
ken ; daarover was hij boos ; onmiddellijk 
zonk de boot; de aap riep den reiger: 
„Ach zwager! help mij"; maar de reiger 
zei: „Neen, omdat gij vroeger mijn 
veeren hebt uitgetrokken; gelukkig dat 
mijn vrouw mij ging opnemen, anders 
was ik ongewroken gestorven". 

Daarop zonk de boot, alle apen stier- 
ven, zelfs niet één bleef over. De reiger 



1) 


In de 


woordenlijst : 


kaan. 


2) 


« n 


» 


roo. 


3) 


H » 


n ' 


moot. 


4) 


n n 


)! 


taan. 


o) 


h n 


»* 


kmissak. 



lomoe semo nikar rai ba, ba nia kan vloog weer naar land, ging naar zijn 
oema. huis. 



2. 



Lakoe no Laho. 



De moesang x ) en de muis. 



Dala ida sia roewa lo'ér; sia lao, sia 
roewa nare fehoek isin ida ; hotoe nee 
sia foti. 

Sia lao too mota ida foin sia roewa 
nanawa; hotoe nee lakoe terik ba laho: 
„Ria ita roewa ha fehoek lai, hotoe 
lei x ) nani mota"; mais laho terik: „A 
keta 2 ) lai ; ita haris hotoe mak lei ha". 
Lakoe nata: „Hooe 3 ) soin". 



Hotoe nee "sia roewa ba nani mota; 
lakoe terik ba laho: „Ria ita roewa 
monoe we haknesak, 4 ) se mak atoe 
sae oeloek"; laho nata: „Hooe soïn"'. 
Hotoe nee sia roewa soemi loekoe ; 
mais laho nawan naroek; tan nee 
nia soemi loekoe too rai nia nakoe- 
ak rai ; mais lakoe la bele ; nia soemi 
loekoe la oras sae nikar; hotoe nia 
nanono. Laho saé kleoer; dadi noeoenee 
lakoe blaar ; teni nia nanoin laho mate 
tian ; mais laho nakoeak rai nalo too 
fehoek ba, hotoe na fehoek nalo faloe. 
Hotoe nee nia lao nosi koeak tama 
nikar mota atoe saè nikar; kaloe nia 
too mota nia saè; hotoe nia terik ba 



Een keer waren zij samen aan het 
wandelen ; terwijl zij voortgingen, zagen 
zij beiden een aardappel ; en zij raapten 
hem op. 

Zij gingen voort tot aan eene rivier, 
toen rustten beiden ; en de moesang zei 
tot de muis: „Zwager, laten wij samen 
eerst den aardappel opeten, en dan in 
de rivier gaan zwemmen" ; doch de 
muis zei: „0 nog niet; na gebaad te 
hebben zullen wij eten," De moesang 
antwoordde: „Nu goed". 

Daarna gingen zij beide in de rivier 
zwemmen ; de moesang zei tot de muis : 
„Zwager, laat ons om strijd onderdui- 
ken, wie het eerst boven zal komen"; de 
muis antwoordde: „Ja goed". Daarna 
doken zij beiden onder water ; doch de 
muis had een sterken adem ; daarom 
dook zij tot den bodem, en holde den 
grond uit; doch de moesang kon dat niet; 
hij dook en kwam terstond weer naar 
boven; daarna wachtte hij. Het duurde 
lang, voor de muis boven kwam ; dus was 
de moesang verwonderd ; daarbij dacht 
hij, dat de muis dood was ; doch de muis 
had den grond uitgehold tot aan den 
aardappel, en toen den aardappel geheel 



1) In de woordenlijst : lee. 

2) „ „ „ : ketta. 

3) „ „ „ : hoow. 

4) Dit woord staat niet in de woordenlijst; Zie 
tanessak. 



1) een roofdier dat gelijkt op een bunzing. 



lakoe: „Ria, ita roewn ba ha fehoek opgegeten. Daarop kroop zij door de 
lai;" lakoe nata; „Hooe soïn". Hotoe holte, kwam weer in de rivier om naar 
nee sia roewa ba ; ba sia nalikoe ba boven te stijgen ; toen zij bij de rivier 
fehoek laho na tian ; hotoe lakoe terik was, steeg zij naar boven, en zei tot 
ba laho: „Aria! haoe kanoin, fehoek o de moesang: „Zwager, laat ons samen 
kala ma tian tan 2 ) o soemi loekoe kle- den aardappel gaan eten"; de moesang 
oer lolos; haoe kanoin o makoeak rai antwoordde: „Ja, goed". Daarop gingen 
too nee mai, mak foin o ma"; mais laho zij beiden op weg; terwijl zij gingen 
terik : Hooe soïn ; kaloe o doe ba haoe keken zij uit naar den aardappel, dien 
dei, diak lioe o boetoek ai ba nee, hotoe de muis had opgegeten ; daarop zei de 
o soenoe; kaloe haoe ka tebes, hai na moesang aan de muis: „He zwager! 
haoe ; mais kaloe haoe la ka, hai la bele ik geloof, dat gij den aardappel mis- 
na haoe ; hotoe laho tama ba ai nee, schien al hebt opgegeten omdat gij zeer 
lakoe soenoe; mais laho matenek; nia lang gedoken hebt; ik denk, gij hebt 
nakoeak rai tama ba ; hai na nia la bele ; den grond tot hier uitgehold, en toen 
hotoe hai narain tia, nia sai, naksoke. gegeten"; doch de muis zei: „Nu goed: 
Hotoe nee lakoe tama fali, laho soenoe; als gij mij maar belastert, dan is het 
hai na lakoe too mate. beter, dat gij hier hout opstapelt, en 

dan aansteekt; als ik inderdaad gegeten 
heb, zal het vuur mij verteren ; doch 
als ik niet gegeten heb, dan kan het 
vuur mij niet verteren; daarop ging 
de muis in dat hout; de moesang stak 
het aan ; doch de muis was bij de hand ; 
zij maakte een gat in den grond, ging 
daarin ; het vuur kon haar niet verte- 
ren; toen het vuur was verminderd, 
kwam zij er uit en danste. Daarop ging 
de moesang op zijn beurt er in; de 
muis stak het aan ; het vuur verteerde 
de moesang tot hij stierf. 

3. 

Asoe no Krawa. De hond en de aap. 



Dala ida asoe ida ba meti ; nia lao Een Leer ging een hond naar het 
saè ba rai inan oan ida mais nia la drooggeloopen strand; onder zijn wan- 



1) In de woordenlijst: taan. 



natene sasa; la oras tasi nakonoe, nia 
sai teni la bele, tan tasi nakonoe halik 
rai inan oan tian ; nia nanono, tasi 
la mara; nia nalao tian, tan nee nia 
tanis. 



La oras nai bei ] ) ida mai, nia noe- 
soe ba asoe: „He bei oa tan sa mak 
o tanis?" Hotoe asoe nata: „Haoe 
kein 2 ) iha nee kleoer ona, tan nee 
haoe tanis; teni haoe la ketan ha; kaloe 
bei 3 ) dodan, nodi haoe ba haoe kan 
oema ba, masik haoe sewa bei bataka 
atoes hira-hira mos, soin dei". 

„A bei oa haoe sei kodi dasi lian ba 
nee ba". Asoe rona nee hetak tanis. 



La oras ioe ida mai noesoe ba asoe : 
„He bei oa tan sa mak o tanis?" Asoe 
terik : „A bei! haoe kein iha nee kle- 
oer ona, teni haoe la ketan ha tan nee 
haoe neon soesar mak haoe tanis; 
kaloe bei hakara dodan haoe, hodi 
haoe ba haoe kan oema ba, masik haoe 
seloe bei mean no moetin atoes hira- 
hira mos. soin dei". 



Ioe terik naak: „Hooe soin, o mai 
saè ba haoe kan fohon", hotoe nee ioe 
nodi nia ba too rai mara ; ioe natoen 
asoe; hotoe nee asoe terik ba ioe: „O 



deling klom hij op een kleine rots; 
doch hij wist van niets ; terstond daar- 
op kwam de vloed opzetten; hij kon 
er niet meer uit, omdat de zee hoog 
stond rondom de kleine rots; hij wachtte, 
de eb kwam niet ; hij had honger, 
daarom huilde hij. 

Plotseling kwam een krokodil, vroeg 
aan den hond: „Hé kleinzoon, waar- 
om huil je?" Daarop antwoordde de 
hond: „Ik wacht hier reeds lang, 
daarom huil ik ; daarbij ik krijg niet 
te eten ; als vadertje medelijden heeft, 
mij naar mijn huis brengt, al huur ik 
vadertje ook voor eenige honderde gul- 
dens, 't is mij goed". 

„Och kleinzoon, ik moet nog een 
boodschap van den koning naar ginder 
overbrengen". Toen de hond dit hoorde, 
huilde hij nog meer. 

Plotseling kwam er een haai, vroeg 
den hond: „Hé kleinzoon, waarom 
huil je?" De hond zei: „Ach va- 
dertje! ik wacht hier reeds lang; 
daarbij ik krijg niet te eten, daarom 
is mijn hart bekommerd en huil ik; 
als vadertje zich over mij wil ont- 
fermen, en mij naar huis brengt, 
al betaal ik ook eenige honderden 
goud en zilver aan vadertje, het is 
mij goed". 

De haai zei:. „Ja, goed, kom, klim 
op mijn rug" (letterl. : op mijn boven- 
kant) ; daarop bracht de haai hem op 
het drooge; de haai zette den hond 



1) In de woordenlijst: nai bee. 

2) De onbepaalde wijs is : hein ; in de wdlijst: heen. 

3) In de woordenlijst: bee. 



6 



mein *) ba nee lai ; haoe ba kola moe- 
rak kodi mai be seloe ba o ; hotoe nee 
ioe naak: „Hooe soin". 

Hotoe nee asoe ba soeroe baï soekabi 
klaak 2 ) nodi mai. 

Asoe terik ba ioe: „Bei 3 ), makaka 
o kan iboen, taka o kan matan"; ho- 
toe ioe mos nalo noeoedar asoe terik 
ba nia; la oras asoe tate bai soekabi 
klaak ba ioe nia kan iboen; la oras 
ioe noran moras; nia tafetoe an 4 ) too 
mate ba nee dei. 

Hotoe nee asoe ba terik ba krawa: 
„Ria! o mai be ita roewa ba koa naan 
bot ida nee ba, haoe koo tian"; hotoe 
krawa nata 5 ): „Hooe soin". Hotoe 
uee sia roewa ba koa ioe maten nee ; 
sia koa hotoe tia, krawa terik: „A! 
ita roewa atoe ha ona, tan nee o 
ba maris lai"; asoe naak: „Hooe". 
Hotoe nee asoe ba naris ; naris hotoe 
nia mai nikar; mais krawa terik ba 
asoe: „A ria! o maris o kan raek mos, 
mais o kan koïk nee halo mos no, 
ros hodi rai henik halo kwer; hotoe 
asoe mos toeir krawa nia kan lia dei; 
kaloe asoe ba naris krawa loi 6 ) naan 
nodi ba tetoe fafoehoen, la hela oda ba 
asoe. 



af; daarna zei de hond tot den haai: 
„Wacht hier eerst; ik ga geld halen 
en breng het hier om u te betalen"; 
daarop zei de haai: „Ja goed". 

Toen ging de hond gloeiende kolen 
van koesambihout bijeenscheppen en 
bracht die mee. 

De hond zei tot den haai: „Vadertje, 
doe je mond open, doe je oogen dicht"; 
toen deed de haai ook zooals de hond 
hem zei ; plotseling wierp de hond de 
gloeiende kolen van koesambihout in 
den mond van de haai; onmiddellijk 
voelde de haai pijn; hij stuiptrekte tot 
hij op de plaats dood ging. 

Daarop ging de hond aan den aap 
zeggen: „Zwager! kom opdat wij samen 
ginder een grooten visch dien ik ge- 
dood heb, in stukken gaan snijden"'; 
en de aap antwoordde: „Ja goed". 
Daarop gingen zij dien dooden haai in 
stukken snijden; toen zij met snijden 
klaar waren, zei de aap: „Kom, we 
zullen zoo gaan eten, ga jij daarom 
eerst een bad nemen"; de hond zei: 
„Goed". Toen ging de hond baden; 
na gebaad te hebben, kwam hij terug ; 
doch de aap zei tot den hond: „Hè 
Zwager ! uw vuil hebt gij schoon 
gewasschen, maar uw uitslag moet gij 
ook schoon maken, ge moet dien met 
zand wrijven en glad maken"; daarna 
volgde de hond het gezegde van den 
aap ook op ; toen de hond ging baden, 



1) De onbepaalde wijs is : hein ; in de wdlijst : heen. 

2) Zie : haï klaak. 

3) In de woordenlijst: bee. 

4) „ „ „ : tafetoe aan. 

5) De onbepaalde wijs is : hata : in de wdlijst : hataa. 

6) In de woordenlijst: looi. 



droeg de aap de stukken visch weg, 
bracht ze boven op een hooge balé-balé, 
liet niets voor den hond over. 
Hotoe nee asoe mai nikar, nia nalikoe, Daarna kwam de hond terug ; hij 
naan iha rai la iha tian ; asoe tenara keek, de stukken visch lagen niet meer 
ba tetoe fafoehoen; krawa loi naan nalo op den grond; de hond keek opwaarts 
faloe la nela oda ba asoe; asoe terik: naar de bovenzijde van de balé-balé; 
„Hooe diak ria! o la mela naan oda de aap had den heelen visch wegge- 
ba haoe ; leoe-leoe o kala toen iha rai bracht, had niet een weinig voor den 
mai''; krawa nonok doeoek; asoe daka hond overgelaten; de hond zei: „Goed 
nohoen iha rai; kaloe krawa toen, nia zoo, Zwager! jij hebt niet een weinig 
atoe na noo krawa; mais krawa la toen ; visch voor mij overgelaten; pas op, als 
krawa toer oras ida, nakati; *) la oras jij beneden op den grond komt"; de 
nia mouoe toen nosi tetoe fafoehoen ; aap zweeg maar ; de hond waakte voort- 
asoe nare nia kohi nia; krawa noesoe durend op den grond; als de aap naar 
perdoea 2 ) ba niau.„A ria! o keta inoo beneden kwam, zou hij den aap dood 
haoe; haoe lei ba kola naan be fo ba bijten; doch de aap kwam niet af; de 
o ma"; mais asoe la nooek; nia tata aap zat geruimen tijd, sluiuierde in; 
krawa nee nalo mate, hotoe nia na nalo plotseling viel hij van den bovenkant 
faloe. van de balé-balé ; toen de hond hem 

zag, greep hij hem ; de aap vroeg hem 
vergiffenis: „Ach Zwager! maak me 
niet dood ; ik zal visch gaan halen om 
u ten eten te geven"; doch de hond 
wilde niet; hij beet den aap dood, daar- 
na at hij hem heelemaal op. 

4. 
Krawa no Banahi. Een aap en een tripang. ') 



Dala ida krawa ba meti ; nia meti Een keer ging een aap visschen op 

too tasi nakonoe nia sai nikar. Kaloe het drooggeloopen strand ; hij visclitc 

krawa sai too tasi rat, nia sama tan 3 ) tot de vloed kwam, en ging weer weg. 

banahi ida, hotoe nee banahi terik ba Als de aap op het strand kwam, trapte 

krawa „A bei sian ! masik ami ata lao hij op een tripang; daarop zei de tri- 



1) De onbepaalde wijs is: hakati; in de wdlijst: 1) zee-egel. 
hakatti. 

2) In de woordenlijst: berdoea. 

3) „ _ „ taan. 



8 

bare ami oda"; hotoe krawa terik ba pang tot de aap: „Och lieve dengd ! 
banahi: ,A o oï at ] ) nee! keta 2 ) lia al zijn wij slaven, kijk een beetje naar 
wam ; o kalan loron makoi 8 ) an ba ons als gij loopt"; daarop zei de aap 
rai henik dei; teni lao la bele too ami tot de tripang: „Wat jij met je leelijk 
sama sala o, mak foin o lia wain". gezicht! jij mag niet veel praats heb- 

ben ; dag en nacht lig jij maar in het 
zand, en loopen kun je niet, zoodat wij 
bij vergissing op u trappen, en dan heb 
je veel te zeggen". 
Hotoe nee banahi nonok dei. Daarop hield de tripang zich stil. 

La oras banahi terik ba krawa: Een oogenblik later zei de tripang 
„Hooe soin, o terik haoe lao la bele; tot den aap: „Nu goed, gij zegt dat ik 
ita roewa halai haknesak 4 ) oda". niet loopen kan ; wij zullen zamen eens 

een wedloopje houden". 
Krawa nata naak: „Hooe soin ; wain De aap antwoordde en zei : „Ja goed; 
hira mak ita atoe halai haknesak? over hoeveel dagen zullen wij den wed- 

loop houden ?" 
Banahi terik: „Wain roewa". De tripang zei: „Over twee dagen". 

Krawa nata: „Hooe soin, wain roewa De aap antwoordde: „Nu goed, over 
haoe lei mai". twee dagen zal ik komen". 

Ba loron nee banahi liboer nia kan Op dien dag verzamelde de tripang 
maloek sia, terik ba sia: „Awan ita zijn verwanten en zei tot hen : „Morgen 
atoe liboer an, atoe hakoi an ba rai moeten wij bijeen komen, en onder het 
henik, tan wain roewa krawa atoe mai zand liggen, omdat over twee dagen 
nalai naknesak no ita; tan nee awan een aap zal komen en met ons een wed- 
ita atoe liboer an hanesa an hosi nee loop houden; daarom zullen wij morgen 
too neeba, niabè kaloe ita atoe halai, bijeen komen, en ons op een rij plaat- 
krawa boloe, ita hata 6 )". sen van hier tot ginder, opdat wanneer 

wij zullen loopen, en de aap roept, wij 

antwoorden". 

Too wain roewa krawa mai;tootasi Na twee dagen kwam de aap; bij het 

rat 6 ) krawa no banahi nahoe nalai ; strand gekomen begonnen de aap en 

kaloe krawa nalai kei kedok nia boloe de tripang te loopen ; als de aap reeds 

1) In de woordenlijst: aat. 

2) „ „ „ : ketta. 

3) De onbepaalde wijs is: hakoi; in de wdlijst: 
hakooi; met „an" (wdlijst aan) verbonden is het we- 
derkeerig en beteekent dus: zich begraven. 

4) Zie : tanessak. 

5) In de woordenlijst: hataa. 
(!) „ „ „ : raat. 



9 

banahi: „Oé ria banahi ! Banahi nata *). tamelijk ver had geloopen, riep hij de 
Krawa nalai kedok teni, kakaoer: „Oé tripang: „Hé vriend tri pang !" De tri- 
ria banahi ! Banahi nata. P aü g gaf antwoord. De aap liep nog 

verder, en riep: „Hé vriend tripang!" 

De tripang gaf antwoord. 

Krawa rona banahi nata nia, nia Toen de aap hoorde dat de tripang 

hetak nalai nima-nimak daudau too hem antwoord gaf, liep hij altijd maar 

nia nakloti, nawan mohoe mate ba harder, tot hij er bij neerviel, buiten 

nee dei. adem raakte en daar op de plaats dood 

bleef. 



5. 



Krawa no Naibei. 



Een aap en een krokodil. 



Krawa noï toer iha bakat tehen, 
nalikoe bakat tahan ; la oras naibei 
ida nare krawa nee, hotoe naibei noe- 
soe ba krawa: „Hei beloe ! o malo sa 
ida?" Krawa nata: „Haoe koi Ier soe- 
rat"; naibei: „O mos matene soerat 2 ) 
no?" 

Krawa: „Haoe katene soerat, foin 
haoe Ier soerat". 

Naibei: „Soerat nee se mak solok 
ba o?" 

Krawa: „Haoe kan feton mak solok 
ba haoe". 

Naibei: „O kan feton tama hanorin 
iha neebe?" 

Krawa: „Iha Larantoeka ba". ■'>). 

Hotoe krawa noesoe: „Beloe o kan 
oan nain hira?" 

Naibei: .Haoe kan oan nain hitoe". 



Een aap zat aan den rand vau een 
strandwortelboom, keek naar diens bla- 
ren; plotseling zag een krokodil dien 
aap ; daarop vroeg de krokodil aan den 
aap: „Hé vriend! wat voer je uit?" 
De aap antwoordde: „Ik ben een brief 
aan 't lezen"; de krokodil: „Kun jij 
ook lezen ?" 

De aap: „Ik kan lezen, bijgevolg 
lees ik een brief". 

De krokodil: „Wie heeft u dien brief 
gezonden?" 

De aap: „Mijn zuster heeft hem mij 
gezonden"; 

De krokodil : „Waar is je zuster gaan 
leeren?" 

De aap: „In Larantoeka". 

Daarna vroeg de aap: „Vriend, hoe- 
veel kinderen heb je?" 

De krokodil: „Ik heb zeven kinde- 
ren". 



1) De onbepaalde wijs is : hata ; in de wdlijst; hataa. 

2) Letterl.: Kent gij ook boek? (brief). 

3) Een 25 jaar geleden gingen er enkele meisjes 
van Timor naar de zusterschool te Larantoeka. 



10 



Krawa: „Neete ] ), fo o kan oan 
nain ida ba haoe kanorin". 

Naibei: „Soin, neete o mein ba nee 
lai haoe ba kola. 

Krawa: „Soïn, soerak lailais. 

Naibei: „Soïn". 

La oras dei naibei nodi niakan oan 
mai ; too mai krawa simoe nola, nakau 
nola. 

Krawa noesoe: „Nee 2 ) te o kan oan 
bisik, ka ema seloek nia kan oau?" 

Naibei: „Haoe kan oan bisik". 

Krawa: „Soïn ona, amiroewalao ona". 

Naibei: „O daka amin oan halo dia- 
diak". 

Hotoe krawa no naibei oan lao. 

Mais krawa nodi naibei oan nee ba, 
la hanorin ; mais nia nodi too moat 
ba, noo tia naibei oan nee foin na. 



Kaloe krawa na hotoe tia, nia ba 
nikar iha nia kan fatin nee ; nia foin 
ba, naibei noesoe: „Haoe kan oan ma- 
ten ek sei? 

Krawa simoe: „Matenek ona mais 
sei. Beloe! o ba mola teni o kan oan 
ida, tan o kan oan kwaik tanis kalan 
loron". 

Hotoe naibei naak: „Soïn". 

Hotoe naibei ba nola oan ida teni 
nodi mai. 



De aap: „Welnu dan geef een van 
uw kinderen aan mij om het te onder- 
richten". 

De krokodil: „Goed; blijft dan eerst 
hier, ik ga het halen". 

De aap: „Goed, als je 't maar vlug 
doet". 

De krokodil: „Goed". 

Terstond bracht de krokodil zijn 
jong mee ; toen hij daar gekomen was, 
nam de aap het en droeg het. 

De aap vroeg: „Is dat uw eigen kind, 
of een kind van een ander mensch?" 

De krokodil: „Mijn eigen kind". 

De aap: „Goed, wij gaan". 

De krokodil: „Zorg goed voor mijn 
kind". 

Toen vertrok de aap met het jong 
van de krokodil. 

Doch de aap bracht het jong van 
de krokodil weg en leerde het niet; 
maar hij ging er mee naar de wilder- 
nis, doodde het jong van de krokodil 
en at het op. 

Toen de aap het had opgegeten, 
ging hij weer naar zijn plaats terug; 
hij was er nauwlijks, of de krokodil 
vroeg: „Ts mijn jongen al geleerd of 
nog niet?" 

De aap antwoordt: „Al geleerd, maar 
nog niet 1 ). Vriend ! ga jij nog een van 
uw kinderen halen, want uw oudste 
kind huilt dag en nacht". 

Daarop zei de krokodil: „Goed". 

Toen ging de krokodil nog een jong 
halen en bracht het mee. 



1) Staat niet in de woordenlijst. 

2) Hier is „nee'' aanwijzend voornaamwoord. 



1) d. i. nog niet voldoende. 



11 

Hotoe krawa nodi ba, mais la nano- Toen bracht de aap het weg, doch 
rin, nodi ba noo teni dei. leerde het niet; hij bracht het weg en 

maakte het ook dood. 
Noeoenee dei daudau naibei nia kan Zoo ging dat maar door, totdat alle 
oan hitoe nee hotoe. zeven jongen van de krokodil er ge- 

weest waren. 
Too loron ida naibei ba nalikoe nia Op zekeren dag ging de krokodil 
kan oan sia; nai bei ba' te nare misa zijn jongen zien; de krokodil ging 
nia kaa oan sian roein, krawa Hboer en zag slechts de geraamten van 
iha toewa hoen; hotoe krawa nia kan zijn jongen, die de aap aan den voet 
akadiroen tahan boetoek ida; hotoe van een boom had verzameld; verder 
naibei nee toba kalolon akadiroen tahan, de aap had een stapel lontar-blaren ; 
neebe krawa mai, naibei atoe kohi en de krokodil legde zich neer even- 
krawa nee ; mais krawa matenek ; nia wijdig met de lontar-blaren, opdat 
sei kedok dei, nia boloe ona: „Hoi als de aap kwam hij den aap zou 
beloe ! o foin mai ka?" Kaloe krawa grijpen; doch de aap was verstau- 
boloe, naibei nonok doeoek, krawa lioe dig: toen hij nog ver was, riep hij 
mai te nia atoe na krawa; mais krawa reeds: „Hé vriend! ben jij pas aange- 
boloe notoe noeoenee, nia lao dalan komen ?" Als de aap riep, hield de 
seloek nodi ba nateke naibei. Kaloe krokodil zich stil; immers als de aap 
krawa nee nare naibei, nia terik: „Ita nader bijkwam, zou hij den aap opeten ; 
mak neeka?" Naibei: „[ta mak nee doch nadat de aap geroepen had, ging 
beloe?" hij een anderen weg om de krokodil te 

gaan zien. Toen de aap de krokodil zag, 
zei hij : „Is n dat?" 

De krokodil: „Is u dat vriend?" 
La oras naibei nalolo hori neeba atoe Plotseling zette de krokodil zich van 

na krawa; la oras dei krawa nalai ba daar in beweging om den aap te bij — 
sae iha ai bot ida; hotoe krawa terik ten; onmiddelijk liep de aap weg, klom 
ba naibei: „Melok ma mola haoe kan in een dikken boom; toen zei de aap 
matan tèn oda". tegen den krokodil. „Zou je niet een 

weinig van het vuil van mijn oogen 
komen eten?" 
Hotoe naibei terik ba krawa: ,Wo Daarop zei de krokodil tot den aap: 

soïn beloe! leoe-leoe o kala atoe ba „Ho 't is goed vriend! pas op als je 
tasi". naar zee gaat". 

Too loron ida krawa meti klamoer Op een dag vischte de aap naar zee- 

foean ; iha we kadomoek oan ida no wiervruchtjes ; in een klein diep water 



12 



klamoer foean wain lolos; mais naibei waren zeer veel zeewiervruchtjes; doch 

ba toba iha we nee, kaloe krawa atoe de krokodil ging in dat water liggen; 

na, naibei kohi; krawa ba na klamoer als de aap zou eten, zou de krokodil 

foean nee, naibei kohi nia ; naibei kohi hem grijpen ; toen de aap die zeewier- 



hotoe noesoe: _0 matene haoe sei?' 



6. 



Michel no samea oeloen 
hitoe. 



vruchtjes ging eten, greep hem de kro- 
kodil ; toen de krokodil hem gegrepen 
had, vroeg hij : „Ken je mij of nog niet?" 

Michiel en de slang met 
zeven koppen. 



Lioerai feto no mane, sia roea nahoris 
oan mane ida naran Michel. 

Lioerai nee soi lolos; naran sasa kiik 
bot la koeran ba nia. 

Nia kan oan kalan loron nanak nak- 
dioek moerak nalo noeoedar kaleik. 2 ) 

Mais iha Lioerai niakan kota nee no 
laloean ida, sena boean bot nain hitoe 
ba, tan boean bot nee krakat lolos ; tan 
nee Lioerai atoe naboesik mais nataoek 
boean nee keta na erna. 

Tan nee Lioerai naroeka andati ba 
terik ba erna hotoe-hotoe, keta hasai 
boean bot nee hosi laloetoek ; kaloe se 
mak nasai boean bot nee hosi laloetoek, 
Nai atoe hoö nia. 



Een koningspaar bracht een zoon ter 
wereld, Michiel genaamd. 

Die koning was zeer rijk ; niets groot 
noch klein ontbrak hem. 

Zijn zoon speelde dag en nacht 
met een stuk geld als met eene 
werpschijf. 

Maar in de kampong van den koning 
was eene afsluiting, waarin zeven groote 
toovenaars waren opgesloten, omdat 
die groote toovenaars zeer kwaadaardig 
waren. 

Daarom zou de koning hen wel los- 
laten, doch hij vreesde, dat zij menschen 
zouden eten. Daarom gaf de koning last 
aan den omroeper om aan alle menschen 
te doen weten dat zij die groote too- 
venaars niet uit de afsluiting zouden 
laten ; die hen uitliet, zou door den 
koning gedood worden. 



1) In de wollijst : kaleek. De vrucht eener slingerplant ; 
de vruchten zitten in eene peulschil van een halven of 
drie kwart meter lengte ; zij hebben den vorm eener kas- 
tanjebruine schijf van de grootte van een rijksdaalder en 
worden in deze streken veel door de kinderen gebruikt 
om mee te spelen ; door de eene partij worden deze 
schijven in eene rij rechtop in den grond gezet; de 
andere partij werpt met dusdanige schijven naar die in 
den grond gezet zijn, met het doel deze om te werpen. 



13 



Erna hotoe-hotoe nataoek ; erna nain 
ida la kreis laloean nee. 

Dala ida Lioerai oan nanak nakdioek 
moerak ualo ba kaleik, la oras niakan 
loekaton ida mouoe tama ba boean 
bot sia kan laloean ; Lioerai oan noesoe 
ba boean: „Boean fo bodik haoekan 
moerak mai lai"; boean nata: „Haoe 
la fo; kaloe o loke odamatan, foin haoe 
fo; lale haoe la fo". Mais Lioerai oan 
nee naloea tian nia kan ama nian Ha, 
nasai oda tnatan nalo boean bot sai ; 
hotoe boean bot fo nikar moerak ba 
Lioerai oan ; boean bot lao tama nikar 
moat ba. 



Lioerai mai nalikoe ba boean bot, 
la iha ; nia krakat lolos ; nia terik ba 
erna sia: „Se mak nasai boean bot nee, 
terik; kaloe la terik haoe atoe koö 
erna hotoe-hotoe. Mais Lioerai oan nata: 
„A Ama! Ita keta hoö erna sia, sia la 
sala; haoe mak sala, bele hoö haoe". 



La oras Lioerai lo'è soerik atoe nodi 
ta niakan oan ; mais ema dato sia na- 
kakik tia nai, mak foin nai la ta fali. 
Mais ba loron nee Lioerai nola nikar 
moerak hotoe-hotoe no tais diak hotoe- 
hotoe fo nikar tais at ba nia kabala ; 
teni nia la na namoetoe no nia kan 
aman teni, tan aman krakat nia; nia 
la na diak noeoedar oeloek teni, nia na 
iha dapor no atan sia ; nia la toba iha 
fatin diak noeoedar oeloek teni ; no 



Allen waren bevreesd ; niemand ging 
dicht bij de afsluiting. 

Eens speelde de koningszoon met een 
geldstuk als met eene werpschijf; onmid- 
dellijk viel zijn rijksdaalder in de afslui- 
ting der groote toovenaars; de konings- 
zoon vroeg aan een toovenaar: „Toove- 
naar geef mijn geld hier"; de toovenaar 
antwoordde: „Ik geef het niet; als gij 
de deur open maakt, dan geef ik het ; 
anders geef ik het niet". Maar die 
koningszoon had het bevel zijns vaders 
vergeten, deed de deur open, liet de 
groote toovenaars uit; toen gaven de 
groote toovenaars het geld aan den 
koningszoon terug; de groote toove- 
naars gingen weer de wildernis in. 

De koning kwam kijken naar de 
groote toovenaars; zij waren er niet; 
bij was zeer boos; hij zeide tot de 
menschen : „Die de groote toovenaars 
heeft uitgelaten zegge het ; als hij het 
niet zegt, zal ik alle menschen dooden. 
Doch de koningszoon antwoordde: „Ach 
Vader ! dood de menschen niet, zij 
hebben geen schuld ; ik heb schuld, gij 
kunt mij dooden". 

Terstond hief de koning het zwaard 
op om er zijn zoon mee te dooden; 
doch de hoofden weerhielden den koning, 
zoodat de koning zijn zoon niet doodde. 
Maar op dien dag nam de koning al 
het geld terug en al de goede kleereu, 
gaf hem weder slechte kleeren om te 
dragen ; ook at hij niet meer met zijn 
vader samen, omdat zijn vader op hem 
vertoornd was ; hij at niet lekker meer 
zooals vroeger ; hij at in de keuken 



14 



sasawan nia nodi bibi malae ba daka, 
nodi no we au ida no biitar talin 
ida, nalo ba boekae; toö loraik nia 
natama bibi malae ba laloetoek; hotoe 
nian isin lolon foër lolos, la naraos an 
teni, noeoedar oeloek nian aman sei nalo 
diak nia. — Ba loron ida Nai ida solok 
soerat ba Nai sia iha rai hotoe-hotoe; 
iha soerat laran nee Nai terik: „Iha baoe 
kan rai soesar lolos, tan nee eini atoe 
toean haoe. Kaloe Nai neebe mak no 
oan niane, nia nalo mai ; kaloe oan 
mak noo samea oeloen bitoe nee, nia 
mak atoe kawin no baoe kan oan feto 
kmisak". Lioerai botoe-hotoe nalo sia- 
kan oan mane ba, niais Lioerai oan 
ida la kfobok atoe nakaat no samea 
oeloen bitoe nee. Too loraik Lioerai 
oan Micbel nee nodi bibi malae fila 
natama ba laloean; natama hotoe tia 
ba laloean, nian atan sia terik ba nia: 
„Nai oan! erna uoi mai terik, erna dato 
oan hotoe-hotoe atoe liboer an ba rai 
ida nee ba; kaloe se mak noo samea 
oeloen bitoe nee, nia atoe kawin no 
Lioerai nee nia kan oan feto". 



Lioerai oan nata: „A bei sian, emi 
hare dei, haoe nee Lioerai nia kan 
atan". 

Lioerai oan kalan nee nanoin nia 
kan atan sia terik neë nia tanis. 



met de slaven; bij sliep niet meer in 
een goed vertrek zooals vroeger; en des 
morgens bracht hij de schapen weg en 
bewaakte ze ; hij nam een bamboe met 
water en tien kolven mais mee, om 
buiten te eten ; des avonds bracht hij 
de schapen in den stal ; vervolgens 
bij was zeer vuil ; hij reinigde zich 
niet meer, zooals vroeger toen zijn 
vader hem nog goed behandelde. Op 
zekeren dag zond een koning een brief 
naar de koningen in alle landen ; in 
dien brief zeide de koning: „In mijn 
land heerscht een groote ramp ; wilt 
mij daarom belpen. De koning die een 
zoon heeft, late hem komen ; de zoon 
die de slang met zeven koppen doodt, 
zal huwen met mijne eenige dochter". 
Alle vorsten lieten hunne zonen gaan, 
doch geen vorstenzoon durfde te strij- 
den tegen die slang met zeven kop- 
pen. Toen het avond geworden was, 
bracht de koningszoon Michiel de 
schapen terug in den stal; nadat hij 
ze had binnengebracht zeiden zijne 
slaven tot hem: „Koningszoon! er 
kwamen zooeven menschen vertellen, 
dat alle hoofdenzonen bijeen zullen 
komen in een land daarginder; hij 
die de slang met zeven koppen doodt, 
zal trouwen met de dochter van dien 
koning". 

De jeugdige koningszoon antwoordde : 
„Ach goede hemel! gij ziet mij hier 
slechts als den slaaf eens konings". 

In dien nacht als de koningszoon 
zich herinnerde, wat zijne slaven ver- 
teld hadden, weende hij. 



15 



Too sasawan nia nodi nikar bibi 
malae ba daka ; nia nodi too loean ba, 
nia nare obin boean bot nain hitoe 
nee : boean bot nee mos nare nia ; sia 
mai nadinan ohin Lioerai oan nee ; teni 
sia nain hitoe nee naris nia f'o tais 
diak ba nia natais diak lioe oeloek nia 
kan aman natais nia; hotoe Lioerai 
oan terik ba boean bot nain hitoe nee: 
„Bei, haoe rona erna sia terik naak 
iha rai ida neeba Lioerai ida no nian 
oan feto ida ; Lioerai feto nee kabaas 
lolos; hotoe ohin Lioerai feto nee nia- 
kan aman solok soerat nodi fo natene, 
kaloe Lioerai niakan oan mane noo 
samea oeloen hitoe, nia atoe kawin no 
ohin Lioerai feto oan nee". 



Boean bot nata: „Hooe soin o keta 
neon soesar, awan sasawan o mai mi- 
kar". 

Too loraik Lioerai oan Michel nodi 
bibi malae natama nikar ba laloean ; 
too nikar sasawan nia nodi bibi malae 
sai nikar ba daka ; hotoe boean bot 
nee nare nia, naris nia natais nia dia- 
diak, hotoe fo no koeda anin ida ba 
nia sae ; fo teni soerik naroek ida ba 
Lioerai oan, be atoe nodi ba nakaat 
no samea oeloen hitoe nee. Laoras Lioe 
rai oan sae ba koeda nee nodi nalai 
ba samea oeloen hitoe ba ; too tia, 
erna iha kota nee blaar taa Lioerai 
oan nee natais diak lolos, no teni nia 
kan koeda diak lolos, nalai lais noe- 
oedar anin. Lioerai oan nee too samea 



Den volgenden morgen ging hij weer 
uit de schapen hoeden : toen hij ze 
naar buiten had gebracht, zag hij de 
bewuste zeven groote toovenaars, de 
groote toovenaars zagen ook hem ; 
zij kwamen dien koningszoon verwel- 
komen; zij met hun zevenen wieschen 
hem ook, gaven hem mooie kleereu, 
kleedden hem mooier dan zijn vader 
hem vroeger kleedde ; daarop zei de 
koningszoon tot de zeven groote too- 
venaars : „Ik heb menschen hooren 
zeggen, dat in een land daarginder 
een koning is met zijn dochter, die 
koningsdochter is zeer schoon, verder, 
de vader van die koningsdochter heeft 
een brief gezonden om te doen weten, 
als een vorstenzoon de slang met zeven 
koppen doodt, zal hij met die konings- 
dochter trouwen". 

De groote toovenaars antwoordden : 
„O goed zoo, maak u niet ongerust, 
kom morgen terug". 

Des avonds bracht de koningszoon 
Michiel de schapen weer in den stal 
terug; den volgenden morgen ging hij 
weer uit de schapen hoeden ; vervol- 
gens toen de groote toovenaars hem 
zagen, wieschen zij hem en kleedden 
hem zeer goed ; daarna gaven zij hem 
een zeer snelloopend paard om te be- 
stijgen ; gaven daai'enboven een lang 
zwaard aan den koningszoon, om daar- 
mee te gaan strijden tegen de slang 
met zeven koppen. Onmiddellijk besteeg 
de koningszoon dat paard, reed er mee 
naar de slang met zeven koppen ; toen 
hij daar aankwam, waren de menschen 



16 



oeloen hitoe nee nian fatik nia boloe 
ba samea oeloen hitoe nee : „Hei samea ! 
o maak ema hotoe-hotoe, nataoek o ; 
sai mai, haoe atoe koko kare o kan 
bit nee". Samea nata nikar ba Lioerai 
oan: „Hei beloe! tan sa o mai sadi 
haoe? oin noeoedar o nee nen la sana 
an ba haoe kan nean let". 

Lioerai oan nata: Hooe soin; masik 
o tos malo boewa fatoe haoe fera kare, 
kodi haoen lawarik fera kare. 



Hotoe la oras samea oeloen hitoe sai 
mai ba Lioerai oan; laoras sia roea ta 
maloe; teki-tekis oedan anin; oedan no 
anin la namoto daudau too loro monoe. 
Lioerai oan Michel mak menaan noo 
tia samea oeloen hitoe nee, foin oedan 
no anin namoto. 



Hotoe Lioerai oan toen nosi koeda, 
koa samea oeloen hitoe nian nanaan 
dikin ; hotoe nia faloen ba soerat ida, 
nodi ba boean bot rai nahoelin. 



Hotoe nia nodi bibi malae ba nata- 
ma nikar ba laloean, natais nikar nian 
tais at fo nikar ohin tais diak nee ba 
boean bot. 



in die kampong verwonderd, omdat 
die koningszoon zeer schitterend gekleed 
was, alsook omdat hij zoo'n mooi paard 
had dat liep met de snelheid van den 
wind. Toen de koningszoon bij het ver- 
blijf der slang met zeven koppen geko- 
men was, riep hij deze toe : „Hé slang! 
gij zegt, dat alle menschen u vreezen; 
kom te voorschijn, ik zal uwe kracht eens 
beproeven". De slang antwoordde den 
koningszoon : „ Hé vriend ! waarom komt 
gij mij uitdagen? iemand als gij vult 
niet eens de ruimte tusschen mijne 
tanden". De koningszoon antwoordde: 
„Nu goed; al zijt gij zoo hard als 
oude pinang, ik zal trachten u te splij- 
ten; met mijne jengdige kracht tracht 
ik u te splijten". 

Onmiddelijk daarna kwam de slang 
met zeven koppen te voorschijn en ver- 
toonde zich aan den koningszoon ; ter- 
stond gingen zij den strijd met elkander 
aan; plotseling ontstond er regen en 
wind ; de regen en de wind hielden 
niet op voor de zon onderging. De 
koningszoon Michiel overwon, sloeg de 
slang met zeven koppen dood, waarna 
de regen en wind ophielden. 

Daarna steeg de koningszoon van het 
paard, sneed de punt af van de tong 
der slang met zeven koppen ; die punt 
wikkelde hij in papier en bracht ze 
naar de groote toovenaars om te be- 
waren. 

Daarna bracht hij de schapen weer 
naar den stal, trok zijn slechte kleeren 
weer aan, en gaf de mooie kleeren aan 
de groote toovenaars terug. 



17 



Ba loron ida erna ida ba tiha naan, 
nare nola samea oeloen hitoe maten 
nee iha tasi rat ; la oras nia ta kotoe 
samea oeloen ; nia la tiha teni naan 
mais nia nodi ohin samea oeloen nee 
ba natoedoe ba Lioerai iha kota nee; 
nia terik ba Lioerai: „Haoe mak ta 
koo samea oeloen hitoe nee; tan nee 
haoe mak atoe kawin ko Ita kan oan". 
Lioerai terik. „Iha neebe samea nia 
kan oeloen hitoe nee?" Nia natoedoe 
ba Lioerai. Lioerai terik: „Soin, awan 
sasawan haoe atoe karoeka erna liboer 
an, wain roea emi atoe kawin". 



Too wain roea sasawan erna naksoe- 
dik hele tia, Nai terik: „Ohin haoe 
kan oan feto atoe kawin, dadi emi ba 
hafoetar dalan no oema"; hotoe erna 
sia nataa: „Diak nai". 



Ba loron nee ema nafbetar Nai nia- 
kan oema no dalan nalo diak lolos; 
sia naè tais misa diak ba dalan klaran, 
ema kawin atoe lao ba. 

Ema hotoe-hotoe mai bele tia too 
oema ema atoe kawin ba, oras nee mos 
Lioerai oan Michel too no boean bot 
nain roea toeir nia ; hotoe Lioerai oan 
too oema, ema hotoe-hotoe mate sala ; 
hotoe nia toen nosi koeda nodi we 
nisik ema iha oema kawin laran, hotoe 
sia moris nikar. 



Verhandelingen Bat. Gen. Dl. LXI. 2e stuk. 



Op zekeren dag ging iemand visschèri, 
en zag de doode slang met zeven kop- 
pen op het zeestrand; onmiddelijk sloeg 
hij de koppen der slang af; hij vischte 
niet meer, maar hij ging met de koppen 
der slang op weg om die aan den koning 
in die kampong te toonen ; hij zeide tot 
den koning : „Ik heb de slang met zeven 
koppen doodgeslagen; daarom zal ik 
met uwe dochter in het huwelijk tre- 
den". De koning zeide: „ Waar zijn de 
zeven koppen van de slang?" Hij toonde 
ze den koning. De koning sprak: „Goed, 
morgen vroeg zal ik last geven, dat 
de menschen samenkomen; overmorgen 
zult gij in het huwelijk treden". 

Na twee dagen toen de menschen des 
morgens allen waren samengekomen, 
zeide de koning: „Heden zal mijne 
dochter in het huwelijk treden ; gaat 
gij daarom den weg en het huis ver- 
sieren"; daarop antwoordden de men- 
schen: „Goed, heer". 

Op dien dag versierden de menschen 
het huis van den koning en den weg 
zeer mooi; zij spreidden kleederen uit 
op het midden van den weg, opdat de 
gehuwden er over heen zouden gaan. 

Toen allen bij het huis, waarin het 
huwelijk zou plaats hebben, gekomen 
waren, toen was ook de koningszoon 
Michiel daar met twee groote too ve- 
naars als sfevolff ; toen de koningszoon 
bij het huis kwam, vielen allen in 
zwijm; toen steeg hij van het paard, 
besproeide de menschen in het brni- 
loftshuis met water, waarop zij weer 
bijkwamen. 

2 



18 



Hotoe Lioerai oan noesoe : „Iha 
neebe erna atoe kawin no Lioerai feto 
nee?" 

Erna hirak nee nataa: „Nia mak nee"; 
hotoe Lioerai oan noesoe ba ema nee: 
neebe sainea niakan nanaan dikin?" 

Ema nee nata : „ Ami loke samea oeloen 
hitoe niakan iboen mais niakan nanaan 
dikin la iha". Lioerai oan terik: „Sa- 
mea niakan nanaan dikin iha haoe". 



Laoras boean bot nain roea nee ba 
flri sai ohin ema atoe kawin no Lioerai 
oan nee, nodi tama nikar moat laran 
ba. 

Lioerai oan Michel mak kawin no 
Lioerai feto misak nee; ema nalo dahoer 
kalan hitoe, loron hitoe. 



Toen vroeg de koningszoon: „Waar 
is de man, die met deze koningsdochter 
in het huwelijk zal treden ?" 

De menschen antwoordden: „Hier is 
hij". Daarop vroeg de koningszoon aan 
dien man : „Waar is de punt van de 
tong der slang?" 

De man antwoordde: „Wij hebben 
den muil van de slang met zeven 
koppen geopend, maar de punt van 
de tong hebben wij niet gezien". De 
koningszoon zeide : „De punt van de 
tong der slang is bij mij". 

Onmiddelijk traden de twee groote too- 
venaars toe, sleurden dien man, die met de 
koningsdochter zou huwen, naar buiten, 
en verdwenen met hem in de wildernis. 

De koningszoon Michiel huwde met 
de eenige dochter van den vorst; de 
menschen vierden feest zeven dagen 
zeven nachten. 



7. 

Boei kiak no Maoe kiak. De weeskinderen Boei en Mau. 



Ema nain roewa naran Maoe inan 
no Mau aman, sia lere toos. Boei kiak 
no Mau kiak sia moekit; ema fai batar, 
sia ba nili batar monoe ; hotoe ema 
nodi aloë tae sia roea tan batar monoe 
nee; hotoe batar tomak sia rai Hboer, 
batar nakro'è sia teïn ba na; hotoe 
sia nili batar wain tian sia lere toos; 
sia lere hotoe, sia koeda batar. 



Twee menschen genaamd Mau inan 
(moeder van Mau) en Mau aman 
(vader van Mau) bewerkten den tuin. 
De weeskinderen Boei en Mau waren 
arm; als iemand maïs stampte, gingen 
zij de maïs die op den grond viel 
oprapen ; en dan sloegen de menschen 
hen met den stamper ter wille van die 
neergevallen maïs ; de gave maïs verza- 
melden zij ; de stuk gestampte kookten 
zij terstond; toen zij reeds veel maïs 
opgeraapt hadden, maakten zij een tuin 
schoon; daarna plantten zij de maïs. 



ii) 



Mau inan no Mau araan baboet nola 
lawarik roewa nee sia kan toos; sia nela 
rohan ida dei, fo ba lawarik roewa nee ; 
hotoe daudau too batar tasak ona, fahi 
foeik ida mai na lawarik roewa nee nia- 
kan batar; hotoe lawarik roea nee tanis 
tan sia kan batar; sia tanis, manoe 
foeik ida naran Berlikoe mai ba sia 
roewa, noesoe: „Emi tanis ba sa"; sia 
simoe: „Ami tanis tan fahi foeik na 
ami kan batar"; hotoe Berlikoe nee terik: 
„Emi roea keta tanis; emi roea ba 
boeka oelar naran klata haoe lei ba boloe 
fahi foeik kodi mai ; hotoe Berlikoe nee 
ba boloe fahi; ba boeka netan fahi 
foeik iha fatoekoeak ida ; fahi terik : 
„Haoe ka Man kiak no Boei kiak nia 
kan batar tasak ; haoe baroek"; hotoe 
Berlikoe terik: „Ita roea ba ha haoe 
kan batar tasak iha nee ba, wain lolos ; 
sia roea ba, Berlikoe oeloek, fahi toeir ; 
hotoe sia ba too toos tehen nee, fahi 
terik: „A! o bosok haoe; o terik o 
kan toos seloek; mais lale haoe ka 
loro-loron Boei kiak no Mau kiak nia 
kan toos nee". 



Hotoe Berlikoe terik: „O soin ! lao 
mai"; hotoe fahi terik: „Haoe kata- 
oek boeat metan nee; haoe la tone"; 
fahi nare dia, Mau kiak sia roewa 
Boei kiak nalo hein fahi nee; Ber- 
likoe terik: „Lao mai"; fahi ba, 



Mau inan en Mau aman pleegden 
bedrog, ontnamen dien twee kinderen 
hun tuin ; zij lieten slechts een stuk 
over; gaven het aan die twee kinderen ; 
vervolgens voortdurend totdat de maïs 
rijp was, kwam een wild varken maïs 
van die twee kinderen eten; toen huil- 
den die twee kinderen om hun maïs ; 
terwijl zij huilden, kwam het vogeltje 
Berlikoe *) tot hen, en vroeg: „Waar- 
om huilt julie?" zij antwoordden: „Wij 
huilen omdat een wild varken onze 
maïs heeft opgegeten". Daarop zei Ber- 
likoe : „Julie moet niet huilen, gaat 
beiden den worm zoeken, die klata 
heet, ik zal het varken gaan roepen, 
en er mee hier komen"; daarop ging 
Berlikoe het varken roepen ; hij ging 
zoeken en vond het wilde varken in 
eene rotsholte; het varken zei: „Ik 
heb de rijpe maïs van de weezen Mau 
en Boei opgegeten ; ik was lui"; daar- 
op zei Berlikoe: „Wij gaan samen mijn 
rijpe maïs eten daar ginder, er is zeer 
veel"; zij beiden gingen, Berlikoe voorop, 
het varken achteraan ; toen zij tot den 
rand van den tuin waren voortgegaan, 
zei het varken : „O gij bedriegt mij ; gij 
zegt, dat uw tuin een andere is, maar 
neen, dagelijks at ik van dezen tuin die 
aan de weezen Boei en Mau toebehoort '. 

Daarop zei Berlikoe: „Nu goed! 
kom' hier"; het varken zei: .Ik ben 
bang voor dat zwarte ding; ik kom 
niet"; het varken zag de val die de 
weezen Mau en Boei voor het varken 
gemaakt hadden; Berlikoe zei: „Kom"; 



1) Een vogeltje van de grootte vaneen rijstvogeltje. 



90 

iama, dia kona ba ma kan kako- het varken ging binnen, en kwam met 

rok ; hotoe Berlikoe kakaoer ba Boei den hals in de val te recht ; toen riep 

kiak no Mau kiak ; hotoe sia roea mai ; Berlikoe naar de weezen Boei en Mau ; 

Mau kiak nodi diman ida, Boei kiak daarop kwamen beiden ; Mau droeg een 

nodi aloë; hotoe Boei kiak taè nodi lans mee, Boei een rijststamper; daar- 

aloe, Mau kiak sona nodi diman ; hotoe op sloeg Boei met den rijststamper, 

Berlikoe terik : „Soin, emi roea hodi Mau stak met de lans; Berlikoe 

fahi ba ona, emi fo haoe kan oelar zei: „Groed zoo, brengt het varken 

klata mai; hotoe sia fo oelar nee ba nu maar weg, geeft mijn worm klata 

Berlikoe; sia fo notoe tia, sia lao hier"; toen gaven zij dien worm aan 

faè maloe; sia nain roea noelan nodi Berlikoe; na hem gegeven te hebben, 

fahi ba oema ; sia nodi ba too oema, verlieten zij elkaar ; zij droegen met 

hai mate; hotoe Mau kiak naroeka hun beiden het varken naar huis; toen 

Boei kiak ba nola hai iha Mau aman zij er mee aan het huis kwamen, was 

no Mau inan ; nia foin ba oema nee het vuur uit ; toen beval Mau, dat Boei 

nia noesoe hai; Mau inan terik: vuur zou gaan halen bij Mau aman en 

„Loro-loron emi la mai hola hai; Mau inan; zij was nauwlijks bij dat 

haoe kanoin emi foti fafioer maten huis aangekomen, of zij vroeg om vuur ; 

ida"; (Mau inan noesoe nodi lia Mau inan zei: „Dagen achtereen komt 

tatean, la terik bisik); hotoe lawa- gij geen vuur halen; ik geloof dat julie 

rik terik: „Aini la foti"; nia neli een doode kwartel opgeraapt hebt", 

natos fahi nee; hotoe Mau inan fo (Mau iuan sprak zinnebeeldig, niet in 

hai ba nia, nodi terik: „Kaloe emi eigenlijken zin); daarop zei het kind: 

foti fafioer maten ida modi hai nee „Wij hebben er geen opgeraapt", het 

ba too mota oan, hai mate nanik zweeg van dat varken; daarop gaf Mau 

o; kaloe emi la foti fafioer maten inan vuur aan haar, zeggende: „Als 

o modi hai nee ba too oema. Ho- julie een doode kwartel hebt opgeraapt, 

toe lawarik nee nodi hai ba too zal het vuur ten uwen ongerieve uit- 

mota oan nee, hai mate nanik nia ; gaan, wanneer gij er mee bij het rivier- 

hotoe nia fila nikar ba noesoe teni; tje komt; als julie geen doode kwartel 

nia noesoe, Mau inan terik: „O bosok; hebt opgeraapt, dan bereikt gij met het 

emi foti fafioer maten"; hotoe lawa- vuur het huis". Toen het kind met het 

rik terik: „Lale ami la foti"; „soin vuur tot aan het riviertje gekomen was, 

o la foti, o modi mikar hai nee ba"; ging het vuur ten zijnen ongerieve uit; 

nia nodi ba too mota oan nee, hai daarop keerde het terug giug weer 

mate nikar ; hotoe nia ba Hoe nia (vuur) vragen ; toen het er om vroeg 

kan oema ba; hotoe nia terik ba zei Mau inan: „Gij hebt gelogen; julie 

nia kan nan: „Haoe ba koesoe hebt een doode kwartel opgeraapt". 



21 



hai, Mau inan terik emi foti fafi- 
oer maten ida"; hotoe nan terik: 
„Soin; noeoesa o la modi hai mai?" 
hotoe feton terik: „Haoe kodi hai 
mai too mota oan, hai mate nanik 
haoe"; nan terik: „Soin, o ba mi- 
kar, mo Mau aman no Mau inan mai, 
hodi no hai kedan"; hotoe nia ba 
nikar; too ba tia nia terik: „Ita 
lao na ; atoe ba ami kan oema 
ba"; hotoe sia toloe ba oema ba; 
sia ba* sia nodi no hai; too ba 
tia sia hare fahi iha oda matan ; 
hotoe Mau aman no Mau inan terik: 
„Emi heli hatos fahi nee ba ami; 
ami mai foin hare fahi maten nee"; 
hotoe sia nain hat toenoe fahi nee; 
toenoe hotoe tia, koa; sia koa bele 
tia Mau aman terik: „Boeat nee 
haoe kanoin lanoek; haoe ka ko- 
kon lai, emi toloe keta lai ha"; 
hotoe Mau aman na kokon roban 
ida; nia na tia, nia terik: „Naan 
nee moroek lolos, emi toloe keta 
ha oli; ami atoe hodi naan nee 
ba oema ba, atoe hodi ba tisi 
lai; awan emi lei toeir ba hola; 
hotoe Mau aman no Mau inan nodi 
ohin naan nee ba sian oema ba; 
lawarik roea nee soebar nela tian 
naan rohan ida iha ai tahan ohak; 
erna roea nee lao tia, sia nasai 
naan rohan nee hotoe sia roea 
nasoe; nasoe hotoe sia koa nalo 
rohan ; Mau kiak terik ba nian 
alin : „0 keta ma lai, haoe ka 
kokon lai"; hotoe nia na kokon ; 
na hotoe nia toba; nia toba daudau 



Het kind zei: „Neen, wij hebben er 
geen opgeraapt"; „nu goed, als gij er 
geen hebt opgeraapt, breng dan het 
vuur weer naar ginder toe"; toen zij 
er mee bij het riviertje kwam, ging 
het vuur uit ; toen ging ze door naar 
huis; zij zei tot haar broeder: „Ik 
ging vuur vragen; Mau inan zei, julie 
hebt een doode kwartel opgeraapt"; toen 
zei de broer: „Goed, waarom hebt gij 
geen vuur meegebracht?" de zuster zei: 
„Toen ik met het vuur bij het riviertje 
kwam, ging het vuur ten mijnen on- 
gerieve uit"; de broer zei: „Goed, ga 
terug, kom hier met Mau aman en Mau 
inan, breng meteen vuur mee" daarop 
ging zij terug ; toen zij daar was, zeide 
ze: „Laat ons gaan; we zullen naar 
ons huis gaan"; toen gingen zij met 
hun drieën naar het huis ; bij het weg- 
gaan namen zij ook vuur mee; daar 
aangekomen, zagen zij het varken bij 
de deur ; daarop zeiden Mau aman en 
Mau inan: „Julie hebt van dat varken 
bij ons gezwegen; nu wij hier zijn, 
zien we eerst dat doode varken"; daarop 
braadden zij met hun vieren dat varken ; 
na het gebraden te hebben sneden zij 
het (in stukken); toen zij het geheel 
gesneden hadden, zei Mau aman: „Ik 
geloof dat dat goedje bedwelmt ; ik zal 
eerst proeven, julie drie moet nog niet 
eten"; daarop proefde Mau aman een 
stuk; na gegeten te hebben zei hij: 
„Dat vleesch is zeer bitter; julie drie 
moet er niet van eten ; wij zullen dat 
vleesch naar huis brengen, en het dan 
eerst eenige keeren koken ; morgen zult 



22 



loro malirin, nia nader nikar; nia 
terik: „Mau inan no Mau aman 
bosok ita; naan nee ha diak lolos, 
awan o atoe ba raola inikar ita 
kan naan nee; nola nikar sawan 
nia kan alin ba noesoe ohin naan 
nee; Mau inan no Mau aman te- 
rik naan sei la miis daoek sei kamoroek ; 
hotoe lawarik terik: „Wain hira haoe 
mai kikarV" Mau inan terik: „Awan 
sawan o mai mikar"; nola nikar 
sawan lawarik oan nee ba nikar; 
too ba sia nain roea nee terik : „ A ! 
naan nee la miïs daoen, emi keta 
ba lai, lale lanoe emi ; hotoe la- 
warik noesoe: „0 medi haoe kan 
oetoe lai"; Mau inan terik: „Lale 
haoe la katene kedi oetoe ; diak 
lioe o medi haoe kan"; hotoe la- 
warik nee nedi Mau inan nia kan 
oetoe, noesoe ba Mau inan: „Emi 
hataoek samea ka lale?" „Lale ami 
la hatauk; nee te Mau aman nia 
kan heti knotak" ; hotoe lawarik 
noesoe fali: „Sarnodo emi hataoek 
ka lale?" Mau inan nata: „Lale 
nee te Mau aman nia kan foetoe 
oeloen"; hotoe noesoe fali: „Toko 
emi hataoek ka lale?" „Ami la 
hataoek, nee te Mau aman nia 
kan kakaloek" ; daudau terik too 
oelar hotoe-hotoe ; sia la nataoek 
bele ; hotoe lawarik noesoe fali : 
„Domalaka : ) emi hataoek ka lale?" 
Hotoe sia roea simoe : ,0 keta 
terik boeat nee, ami hataoek lo- 
los" ; hotoe lawarik terik: „Soin 



gij naar ons toegaan om het te halen"; 
toen gingen Mau aman en Mau inan 
met dat vleesch naar hun huis; de twee 
kinderen hadden een stuk vleesch onder 
bladeren verborgen; toen die twee men- 
schen weg waren, haalden zij dat vleesch 
(van onder de blaren) uit en kookten het; 
na het gekookt te hebben sneden zij het 
in kleine stukjes. — Mau zei tot zijn zus- 
ter: „Jij moet nog niet eten, ik zal eerst 
proeven"; toen proefde hij; daarna ging 
hij slapen ; hij sliep tot's namiddags en 
stond weer op ; toen hij opstond zei hij : 
„Mau inan en Mau aman hebben ons 
bedrogen ; dat vleesch smaakt zeer goed ; 
morgen moet gij ons vleesch terug gaan 
halen"; des anderen daags ging zijne zus- 
ter en vroeg om dat vleesch ; Mau inan 
en Mau aman zeiden, het vleesch is nog 
niet goed, het is nog bitter, daarop zei 
het kind : „Over hoeveel dagen zal ik te- 
rugkomen?" Mau inan zei: „Kom mor- 
gen vroeg terug" den volgenden dag 
ging het kind terug; toen het daar was, 
zeiden die twee: „Och! het vleesch is nog 
niet goed,juliemoeter nog niet van eten, 
anders bedwelmt het u"; daarop verzocht 
het kind: „Reinig mijn haar van onge- 
dierte"; (letterl. knip mijn luizen). Mau 
inan zei: „Neen luizen knippen kan ik 
niet; knip jij liever de mijnen": daarop 
knipte het kind de luizen van Mau inan 
en vroeg aan Mau inan : „Ben julie bang 
voor een slang of niet?" Mau inan ant- 
woordde: „Neen daar zijn wij niet bang 
voor; immers dat is Mau aman zijn buik- 
band"; daarop vroeg het kind: „Ben julie 



1) In de wdlijst domo laka, 



23 

haoe lao na"; nia fila nikar nia bang voor een groene slang?" Mau inan 
kan nan ba, nia terik: „Sia la antwoordde: „Neen, dat is immers Mau 
nataoek oelar hotoe-hotoe ; sia nata- aman zijn hoofddoek"; daarop vroeg zij 
oek domalaka misa dei"; hotoe sia weer: „Ben julie bang voor een gekko?" 
roea lao ba boeka domalaka; sia „Daar zijn wij niet bang voor; dat is 
tau ba au oan roea nakonoe; hotoe immers Mau aman zijn sirihtasch"; en 
kalan sia roea nodi ba Mau inan zoo verder allerhande ongedierte; zij 
no Mau aman sian oema ; sia atoe vreesden voor niets ; toen vroeg het kind 
tama nosi oda matan, mais oda weer: „Vuurvliegen ben julie daar bang 
matan sena, foetoe metin lolos; voor of niet?" Toen antwoordden beiden: 
hotoe sia nosi loean nanono, sia „O spreek niet over dat ding; daar zijn 
noï na naan; hotoe sia atoe tama wij zeer bang voor"; daarop zei het kind ; 
nosi oda matan la diak, hotoe sia „Goed, ik ga weg"; toen zij bij haar 
sae nosi oema fafoehoen; nain ida broer was teruggekomen, zei ze: „Zij 
toer nosi kakoeloek ida, nain ida zijn voor geen ongedierte bang; zij vree- 
toer nosi kakoeloek ida; hotoe sia zen alleen de vuurvlieg"; daarop gingen 
roea soboe oema nalo koeak ; hotoe zij samen vuurvliegen zoeken, vulden er 
erna nain roea iha oema laran rona twee kleine bamboes mee; des nachts 
botoe, sia terik: „Sa laho mak gingen zij er mee naar het huis van Mau 
soboe ami kan oema?" Hotoe la- inan en Mau aman, zij wilden door de 
warik roea nee soboe nonok dei ; deur binnengaan, maar de deur was ge- 
soboe nalo koeak loewa tia sia roea sloten, stevig gebonden; daarop bleven 
tama nosi ohin koeak nee, sia zij buiten wachten ; die in huis waren 
toen toer ba kahaak; sia nain bezig met vleesch te eten; vervolgens 
roea toer ba nee, sia tate ohin daar zij door de deur niet konden bin- 
domalaka ba Mau aman no Mau nengaan, klommen ze over het dak; 
inan sia kan oeloen ; hotoe sia na- de eene nam plaats bij den eenen paal 
ko'è; „Ko'è ko'è ko'è, tama fatoe, (waar de nokbalk op rust); de andere 
koeak, tama toei-toeir; tama ai bij den anderen paal; daarop maakten 
koeak, tama toei-toeir"; hotoe Mau zij een gat in het dak; toen de twee 
aman no Mau inan nalai nela sia kan in het huis leven hoorden, zeiden ze : 
oema sia roea nalai ba iha fatoek „Wat voor een muis maakt ons dak 
bot ida, noesoe ba fatoek, terik: „O stuk?" Daarop maakten de twee kin- 
kan oema loewa ka lale ?" Hotoe deren (het dak) stuk zonder leven te 
fatoek nonok dei; hotoe sia nalai maken; toen zij een wijde opening 
Hoe, sia ba noesoe ba ai koeak: gemaakt hadden, gingen ze door die 
„O kan oema loewa ka lale?" Hotoe opening naar binnen, ze daalden af en 
ai koeak terik: „Ami kan oema la namen plaats op een zoldertje; terwijl 



24 

loewa"; hotoe sia nain roea nalai zij daar zaten, schudden ze de vuur- 
lioe dei, ba noesoe ba au: ,0 vliegen uit op het hoofd van Mau aman 
kan oema loewa ka lale?" „A ami en Mau inan; daarop schreeuwden ze 
kan oema la loewa"; hotoe sia ba (tot de vuurvliegen); „Kwè, kwè kwè 
teni noesoe ba fafoeloe ; fafoeloe als zij (Mau inan en Mau aman) een 
terik: „Soin tama mai"; sia tama too rotshol binnengaan, gaat er met hen 
fafoeloe laran, fafoeloe botoe nakfera binnen; als zij een hollen boom ingaan, 
nodi sia nain roea; sia nain toewa gaat er met hen in"; daarop liepen 
mate. Erna mane nee toeboe nalo ba Mau aman en Mau inan hun huis uit; 
badoet ida; hotoe feto nee toeboe nalo zij liepen naar een grooten rotssteen, 
ba ai bano hoen ida. vroegen den steen: „Is uw huis ruim 

of niet?" De steen zweeg slechts; zij 

liepen verder, gingen aan een hollen 

boom vragen: „Is uw huis ruim of niet?" 

De holle boom zei: „Ons huis is niet 

ruim"; daarop liepen zij beiden maar 

verder, gingen aan een bamboe vragen : 

„Is uw huis ruim of niet?" „0 ons huis 

is niet ruim"; toen gingen ze het weer 

aan een fafoeloe x ) vragen; de fafoeloe 

zei: „Goed, kom binnen"; toen zij er in 

waren gegaan knalde de fafoeloe en 

barstte met hen ; beiden waren dood. 

De man groeide en werd een harsboom ; 

de vrouw groeide en werd een banoboom. 

Hotoe lawarik roea nee fila nikar Toen gingen de twee kinderen terug 

ba Mau inan no Mau aman sian oema, naar het huis van Mau inan en Mau 

sia foti naan tau ba au; sia nalo oema aman; zij namen het vleesch, deden het 

mamoek hotoe sia soenoe; soenoe hotoe in een bamboe; zij maakten het huis 

tia, sia lao ; sia nodi ohin naan no leeg en staken het in brand ; na het 

bahoak nee ba sia kan oema ba. in brand gestoken te hebben, gingen 

zij weg; zij namen dat vleesch en de 
barang mee naar hun huis. 
Hotoe ohin lawarik roea nee Boei En die twee kinderen Boei en Mau 
kiak no Mau kiak dadi soi lolos, sa werden zeer rijk, niets ontbrak ,hun. 
ida la koeran ba sia. — 



1) van fafoeloe maken ze hier blaaspijpen en dwars- 
fluiten. 



25 



8. 



Soeri ikoen no kikit 
roewa. 



Erna mane ida uo f e rik ida naboris 
oan mane hitoe feto hitoe ; teni nia 
koeda talas batak hitoe. 



Kalau ida fahi mai na talas nee ; 
nola kalan nia oan kwaik ida mai daka ; 
kalan rai nafae fahi mai too baa tehen 
boloe: „Wai talas kolo raek *) sakoio 
raek o nain iha nee ka knoea ba?" 
Talas nata: „Waihaoe nain knoea ba"; 
hotoe fahi naro'è baa, nodi nakwèk 
naak : „ Kwek, kwek ka talas kolo raek 
ka no nain". 



La oras ohin erna daka nalai ; hotoe 
fahi ria nalo talas batak hotoe kedan ; 
nola awan ida mai daka fali ; too kalan 
rai nafae fahi mai nikar ; too baa tehen 
fahi boloe nikar: „Wai talas kolo raek 
sakoio raek o nain iha nee ka knoea 
ba?" Talas nata: „Haoe nain knoea 
ba"; noeoenee dei daudau too sia nain 
nen lioe tian ; too Soeri ikoen nia kee 
rai koeak foin nia tama ba ; nalo ki- 
lat iboen dei mak sai; kaloe fahi mai 
nia atoe noesi. Kalan rai nafae nia 
matan nakati, nia nola koenoes no 



Soeri ikoen en twee 
roofvogels. 



Een man en eene oude vrouw schon- 
ken het leven aan zeven zonen en ze- 
ven dochters; ook beplantte hij een 
stuk grond van zeven terrassen met 
knollen. 

Een zekere nacht kwam een varken 
die knollen eten; de nacht daarop kwam 
een van zijn groote jongens waken ; 
te middernacht kwam het varken bij 
den rand der omheining en riep: „Hé 
knol is uw eigenaar hier of in de 
kampong?" De knol antwoordde: „Ho, 
mijn eigenaar is in de kampong"; 
daarop vernielde het varken de omhei- 
ning en schreeuwde: „Kwek, kwek ik 
eet de aardknollen, eet ook den eige- 
naar op". 

Terstond vluchtte die bewaker weg; 
daarop at het varken in eens het heele 
terras leeg; den volgenden dag kwam 
een ander waken; toen het middernacht 
was, kwam het varken weer; toen het 
bij den rand der omheining was geko- 
men riep het weer: „Hé kuol is uw 
eigenaar hier of in de kampong?" De 
knol antwoordde: „Mijn eigenaar is in 
de kampong"; zoo ging het maar door, 
tot dat zij alle zes gewaakt hadden ; 
toen Soeri ikoen aan de beurt kwam, 
groef hij een kuil en ging er in ; alleen 



1) „kolo raek" zou hetzelfde zijn, zoo is mij gezegd, 
als „fahi loemak" = een worm, die aan de wortels van 

de rijst knaagt; wat het hier moet beteekenen is mij 
niet duidelijk en daarom niet vertaald. 



26 

masin teni derok nia noesak moetoe het uiteinde van den geweerloop liet hij 
neebe nia matan nakati, nia koa kane er uitsteken ; als het varken kwam, zou 
liman foean tau ba koenoes nee. hij schieten. Toen te middernacht zijne 

oogen van slaap dicht vielen, nam hij 
Spaansche peper, zout en limoen, mengde 
dat alles dooreen, opdat als hij slaperig 
werd, hij de vingers, na er een wond in 
gesneden te hebben, in dat mengsel 
zou steken. 
Kalan rai nafae fahi mai too baa Te middernacht kwam het varken bij 
tehen boloe: „Wai talas kolo raek sa- den rand der omheining en riep: „Ho, 
kolo raek o nain iha nee ka knoea knol is uw eigenaar hier of in de kaïn- 
ba ?" Talas nata: „Haoe nain knoea pong?" De knol antwoordde: „Mijn 
ba". La oras fahi naro'è baa tama mai eigenaar is in de kampong". Onmiddelijk 
nodi nakwèk: „Kwek kwek ka talas vernielde het varken de omheining, ging 
koloraek ka no nain"; nia foin atoe na binnen terwijl het schreeuwde: „Kwek, 
talas, Soeri 'ikoen noesi; hotoe Soeri kwek. ik eet de knollen ik eet ook den 
fila nikar ona, ba boloe nian maun sia eigenaar op", hij zou juist een knol eten, 
nen mai atoe koa fahi nee ; sia too ba toen Soeri ikoen schoot; daarna keerde 
tia sia koa; naran hotoe-hotoe sian Soeri terug, ging zijne zes oudere broeders 
misa, Soeri ikoen nian oeloen no kidan roepen om dat varken in stukken te 
rohan oan ida; koa hotoe tia, sia fila snijden; daar aangekomen sneden zij 
nikar oema ba. het in stukken; alles werd het hunne; 

het deel van Soeri ikoen bestond slechts 

uit den kop en een stukje van den 

benedenrug; toen ze met snijden klaar 

waren, keerden zij naar huis terug. 

Too dalan nia maun sia nen terik Onderweg zeiden zijne zes oudere broe- 

ba nia; „Soeri, ama nian kadi iha o ders tegen hem: „Soeri, vader's wetsteen 

ka lale?" Hotoe Soeri ikoen naak: heb jij dien of niet?" Daarop zei Soeri 

„Lale, keta iha emi"; sia naak: „Lale, ikoen: „Neen, als julie hem maarniet 

neete o fila mikar ba iha rasan ba, hebt". Zij zeiden: „Neen. ga jij dus terug 

keta ita lao haloea iha rasan ohak naar den blarenhoop x ); misschien heb- 

aroema"; hotoe Soeri ikoen naak: ben wij hem bij het weggaan vergeten en 

„Ho soin, soerak emi hein haoe"; sia onder de blaren laten liggen"; daarop zei 



1) Als ze een varken of karbouw slachten, spreiden 
ze pisang- of andere blaren op den grond uit, om het 
in stukken gesneden vleesch daarop voorloopig neer 

t.e leggen. 



27 

terik: „Ho soin, lao lais ami hein o Soeri ikoen: „Ja goed, als julie maar op 
ba nee". Hotoe Soeri ikoen ba; too mij wacht"; zij zeiden: „Ja goed, loop 
ba, nia fèt naran rasan hirak nee la vlug, wij wachten je hier". Toen ging 
nare kadi ; hotoe nia fila nikar ona, nia Soeri ikoen ; toen hij daar aankwam, 
boloe lao-laok naak: „Owé! maun sia nam hij den heelen blarenhoop op, doch 
nen oan hein lai haoe"; la oras bei zag' den wetsteen niet; daarop ging hij 
tiloen belar nata: „Oi! ami nee mai"; terug; onder het gaan riep hij voort- 
Soeri ikoen terik naak: „Ses tia, haoe durend: „He! mijne lieve zes broeders, 
atoe lao lioe"; bei tiloen belar naak: wacht mij"; terstond antwoordden 
„Ami mak nee"; Soeri ikoen naak: spoken met de breede ooren : „Oei! 
„Neete la hos haoe maun; haoe maun hier zijn we"; Soeri ikoen zei: „Gaat 
la tiloen belar, hotoe haoe maun la op zij, ik wil doorgaan"; de spoken met 
kabala tais moetin nee hos; teni haoe de breede ooren zeiden : „Hier zijn we"; 
maun neau la moetin noeoenee te lale". Soeri ikoen zei: „Wel neen, dat zijn 
La oras bei tiloen belar lake nian tiloen mijne broeders niet; mijne broeders 
nafoeoet nola Soeri ikoen, nodi ba sena hebben geen breede ooren, en zij dra- 
ba laloean bisi ida laran. Laloean nee gen dat witte kleed niet, ook hebben 
no kian hoen bot ida iha laran; Soeri zij zulke witte tanden niet; o neen", 
ikoen nalikoe sae kian dikin ba te no Terstond daarop ontvouwden de spoken 
kikit oan roewa iha dikin ; nia naroeka hunne ooren sloegen ze om Soeri ikoen 
bei tiloen belar sae ba nola kikit oan en brachtten hem weg om hem in eene 
roewa nee fo ba nia. Bei tiloen belar ijzeren omheining op te sluiten. In die 
nodi han ba nia; nia na nola oan ida omheining stond een groote kapokboom; 
dei fo ba nian kikit oan dei ; noeoenee Soeri ikoen keek opwaarts naar den top 
dei nian kikit oan roewa bot ona ; hotoe van den kapokboom ; twee jonge roof- 
kikit oan terik ba nia: „Otamakokon vogels zaten in den top; hij gelastte de 
oektoloek nee be x ) ami roewa foti hare breedooren er in te klimmen de jonge 
o, bele ka la bele"; hotoe Soeri ikoen roofvogels te nemen en ze hem te geven, 
tama ba oektoloek nee, hotoe kikit oan De breedooren brachten hem eten ; hij at 
roewa nee foti nia, foti ba te bele nia slechts een weinig, gaf het maar aan zijne 
tiau ; hotoe rai toen nikar. jonge roofvogels; zoo ging het maar door 

en zijne jonge roofvogels waren nu ;il 
groot geworden ; en de jonge roofvogels 
zeiden tot hem : „Ga eens in deze mand, 
opdat wij beproeven u op te tillen, of het 
kan of niet"; daarop ging Soeri ikoen in 
die mand, en de twee jonge roofvogels 



]) In de wdlijst: bee, 



28 



Awan bei tiloen belar sia atoe noo 
nia ona; sei sawan dei bei tiloen sia 
mai tian atoe noo nia, sia sakili nia, 
nia nanasa kei nahaek ; botoe sia terik 
naak" : Naan bokoer tian". Soeri ikoen 
terik: „Emi atoe boo baoe, emi atoe 
bose diman talioer haoe, baoe toer ba 
oektoloek laran ; sia foin talioer, kikit 
oan roewa foti nola Soeri ikoen sae 
daudau kian dikin ba; botoe bei tiloen 
belar sia baloe nanisi baloe ta baloe 
kroit obin ai nee ; ai foin tobar kikit 
oan roewa nee foti nola Soeri ikoen 
sae ba kanoekoe bot ida dikin; botoe 
bei tiloen belar sia toeir ba; baloe noean 
baloe kalisi baloe nanisi; ai foin tobar 
obin kikit oati roewa nee foti nola 
Soeri ikoen sae ba fatoek naroek ida 
dikin ; hotoe bei tiloen belar sia toeir 
ba; baloe ta baloe kalisi baloe nanisi; 
fatoek la tobar bodik sia. 



Hotoe kikit oan roewa toen mai 
kisoe dele tia bei tiloen belar sian 
matau ; teni obin kikit oan roewa 
nee ba foti nola Hoe rai feto ida 
nodi mai nalo ba Soeri ikoen fen; 
botoe kikit roewa nee ba foti naran 
sasa oi-oik nodi mai bele; erna mos 
sia roewa foti nodi mai nalo Soeri 
ikoen nian atan ; botoe erna nalo daboer 
bot iba fatoek dikin ba ; hotoe Soeri 
ikoen nian maun sia naak : „Soeri ikoen 



tilden hem op; zij konden het reeds; 
toen zetten zij hem weer neer. 

Morgen zouden de breedooren hem 
dooden ; nog vroeg waren zij gekomen 
om hem te dooden, toen zij hem kit- 
telden, lachte hij luidkeels; daarop 
zeiden zij: „Het vleesch is al vet". 
Soeri ikoen zei: „Als julie mij wilt 
dooden, wilt dan uwe lansen wetten 
met uw rug naar mij toe, terwijl ik 
in de mand zit"; zij hadden nauwlijks 
hun rug gekeerd, of de twee jonge 
roofvogels namen Soeri ikoen op tot 
in den top van den kapokboom; daar- 
op beten sommigen der breedooren in 
dien boom, anderen bakten, anderen 
krabden; zoodra de boom brak, namen 
de vogels Soeri ikoen op naar den top 
van een grooten kanoekoe boom ; en 
de breedooren gingen daarheen; som- 
mi gen kapten, sommigen knepen, ande- 
ren beten ; zoodra de boom brak, namen 
de vogels hem op en brachtten hem 
naar den top van eene hooge rots; en 
de breedooren gingen daarheen; sommi- 
gen hakten, sommigen knepen, anderen 
beten ; de rots brak niet voor hen. 

Daarop daalden de twee jonge roof- 
vogels neer, pikten de oogen der breed- 
ooren uit; ook gingen de twee jonge 
roofvogels eene prinses opnemen, bracht- 
ten ze daar en gaven ze tot vrouw 
aan Soeri ikoen ; daarna gingen de 
vogels allerhande zaken halen en bracht- 
ten dat alles daarheen ; ook menschen 
namen ze op brachtten ze mee en maak- 
ten die tot de slaven van Soeri ikoen ; 
toen hielden de menschen een groot 



mak erna noi dahoer tan neeba ; ita ba 
halikoe kokon". — Nian maun sia foin 
mai too fatoek hoen, Soeri ikoen na- 
roeka kikit oan roewa mai kisoe dele 
nia maun sia kan matan, foti nasae 
nian ina ama no teni feton nain hitoe 
ba fatoek dikin. — 



Hotoe kikit oan roewa terik ba Soeri 
ikoen: Ami ba neete la mai ona"; hotoe 
Soeri ikoen nakoak nola ida, nia fen 
nakoak ida tanis la nooek naboesik. 



Hotoe kikit oan roewa terik ba Soeri 
ikoen naak: „Emi rai hane matan ida 
ba kahaak lor no rae M . Hotoe sia na- 
boesik kikit oan roewa semo ba ona, 
ba too kota ida sia roewa nare manoe 
malae roewa ; sia atoe foti ohin manoe 
nee ; ida foin atoe toen ba foti, erna 
noesi ida mate ; hotoe teni ida foin 
atoe ba foti, erna noesi teni ; noeoenee 
sia roewa mate bele. — 



Hotoe sia roewa nia rahoen ba tama 
ba hane matan roewa nakonoe ; ohin 
sia rahoen nee filak an ba mean no 
moetin, baloe filak an ba krau, erna, 
kilat, manoe ; naran sasa oi-oik iha 
bele. — 

Hotoe tian. 



feest op den top van de rots ; toen 
zeiden de broeders van Soeri ikoen: 
„Het is om Soeri ikoen, dat de men- 
schen daar ginder feest vieren ; wij gaan 
eens kijken". — Zijne broeders waren 
nauwlijks tot aan den voet van de rots 
gekomen, of Soeri ikoen beval de twee 
jonge roofvogels de oogen zijner broe- 
ders uit te pikken, doch zijne ouders 
en zijne zeven zusters naar den top 
van de rots op te voeren. — 

Toen zeiden de twee jonge roof- 
vogels tot Soeri ikoen: „ Wij gaan heen 
en komen niet weer"; daarop omarmde 
Soeri ikoen den eene, zijne vrouw 
omarmde den andere, weende en wilde 
hem niet loslaten. 

Toen zeiden de twee jonge roofvogels 
tot Soeri ikoen: „Zet een offermandje 
op de zoldering bij de voor- en achter- 
deur". Daarop lieten zij de twee vogels 
los, die wegvlogen; ze vlogen naar 
een kampong en zagen daar twee vreem- 
de vogels ; zij wilden die vogels opne- 
men; de eene roofvogel zou juist naar 
beneden vliegen om die vogels te grijpen, 
toen een man schoot ; die eene was 
dood; en ook de andere zou juist die 
vogels gaan grijpen, toen de man weer 
schoot; zoo stierven zij beiden. — 

En hun beider veeren gingen zich 
neerleggen in de twee offermandjes en 
vulden deze ; die veeren van hen veran- 
derden in goud en zilver, sommigen 
veranderden in karbouwen, in menschen, 
geweren, kippen; allerhande verschil- 
lende zaken waren daar aanwezig. 



Einde. 



go 



9. 



Krawa no Lenoek. 



Een aap en eene schildpad. 



Loron ida lenoek sae nosi tasi ba 
pasear iha rai mara, nasoin nia kan 
beloe krawa. Krawa terik ba lenoek: 
„Hei beloe, o makara mai, ita roewa 
ba ha hoedi iha haoe kan toos; lenoek 
naak: ,,0 kan tebeska? keta erna nian". 
Krawa terik: ,,Lale beloe, haoe kan 
doeoek ; lao mai, ita ba ha". Lenoek 
mos toeir krawa lian; dadi sia roewa 
ba bele ; inais hoedi nee la hos krawa 
nian ; erna seloek nian hoedi. Noeoenee 
dadi sia roewa mos ba too iha hoedi 
nee; krawa sae too, mais lenoek sae 
la too, nia nein iha hoedi hoen dei. 



Lenoek noesoe ba krawa: „Hei beloe, 
fo foean ida ba haoe". Krawa terik: 
„Haoe la fo". La oras lenoek nawan 
sae, terik : ,,0 la fo, haoe boloe''. 
Krawa terik; ,,Kaloe beloe nakara 
boloe, bele boloe". La oras lenoek boloe 
ba erna toos nain: „Hei ema hoedi 
nain, lailais mai te krawa na o kan 
hoedi". Noeoenee dadi ema toos nain 
nalai mai, mais krawa nalai tian;hela 
dei lenoek iha hoedi hoen. 



Toos nain noesoe lenoek: „Se mak 
nanao haoe kan hoedi?" 



Op zekeren dag steeg de schildpad 
uit de zee op, ging op het drooge wan- 
delen, en zag haar vriend den aap. De 
aap zeide tot de schildpad: ,, Hé vriend, 
als gij zin hebt, kom dan, dan gaan 
wij samen pisangs eten in mijn tuin"; 
de schildpad zei : „Is het heusch uw 
tuin? als hij maar niet van een ander 
is". De aap zei: „Neen vriend, 't is 
mijn eigen tuin; kom, wij gaan eten". 
De schildpad deed wat de aap zei, en zij 
gingen gezamenlijk ; doch die pisangs 
waren niet van den aap ; zij behoorden 
een ander toe. Zoo kwamen zij dan bei- 
den bij die pisangs; de aap kon er in 
klimmen, doch de schildpad kon dat niet; 
deze bleef beneden aan den pisangstam. 

De schildpad vroeg aaD den aap : 
„Hé vriend, geef mij een vrucht". De 
aap zei: „Ik geef er geen". Terstond 
werd de schildpad boos en zei: „Als 
ge er mij niet van geeft, dan roep 
ik". De aap zei: „Als mijn vriend wil 
roepen, mag hij roepen". Terstond riep 
de schildpad den eigenaar van den 
tuin: „Hé eigenaar van de pisangs, 
kom spoedig want de aap eet uw pi- 
sangs op". Zoo doende kwam de eige- 
naar van den tuin toegeloopen ; maai- 
de aap was al weg; de schildpad was 
alleen aan den voet van den pisang- 
stam achtergebleven. 

De eigenaar van den tuin vroeg aan 
de schildpad: „wie heeft mijne pisangs 
gestolen?" 



ai 



Lenoek terik: „Krawa mak nanao". 



„Krawa iha neebe?" 

„Krawa lao tian". 

„O terik, krawa mak nanao, hotoe 
haoe mai, o terik krawa la iha; haoe 
kanoin, o mak manao". 

Lenoek terik : „ A nai soin ! haoe 
ata la kanao". 

La oras hoedi nam kohi nodi lenoek 
natama ba laloean oan ida, tae nia too 
nareis mate ; hotoe nia terik ba nian 
oan fen: „Awan mak lei ita hoo". 



Nia terik noeoenee, lenoek mos rona ; 
dadi kalan nee lenoek nanisi laloean 
nee nalo koeak, hotoe nia nalai ba iha 
tasi laran. Nola sawan erna sia boloe 
maloe atoe ba hoo lenoek. Sia ba, lenoek 
nalai tian. 



Hotoe too loron ida krawa atoe ba 
meti ; dadi nia nasoin nola nia kan 
beloe lenoek ; dadi nia boloe ba lenoek : 
„Hei beloe! o isin diak?" 

Lenoek simoe: „Isin diak, beloe". 
Noeoenee sia roewa lao ba lao mai ; 
hotoe krawa terik ba lenoek: „Ria! o 
makara, ita roewa ba meti, tan haoe 
kakara tebes ka baboekoe doelak". 



Lenoek nata: „Hooe soin". Hotoe 
sia roewa ba ; ba krawa nare baboekoe 



De schildpad zei : ,,De aap heeft ze 
gestolen". 

Waar is de aap?" 
„De aap is al weg". 
„Gij zegt, dat de aap gestolen heeft, 
en nu ik kom, zegt gij, de aap is er 
niet, ik geloof dat gij gestolen hebt". 
De schildpad zei: „O groote heer! 
ik slaaf steel niet". 

Onmiddelijk daarna pakte de eigenaar 
der pisangs de schildpad, nam ze mee, 
liet ze binnen in een kleinen stal, en 
sloeg ze half dood ; daarna zei hij tegen 
zijn vrouwtje: „Morgen zullen we ze 
dood maken". 

Terwijl hij zoo sprak, hoorde de 
schildpad het ook ; dientengevolge toen 
het nacht geworden was maakte de schild- 
pad door te bijten een gat in den stal, 
liep daarop weg en ging in zee. Den 
volgenden dag riepen de menschen 
elkaar om de schildpad te gaan slach- 
ten. Toen zij gingen was de schild- 
pad reeds gevlucht. — 

Vervolgens op zekeren dag wilde de 
aap aan het strand gaan visschen;zoo 
kwam het dat hij zijn vriend schildpad 
zag ; hij riep dan de schildpad toe : 
„He vriend, maak je 't goed?" 

De schildpad antwoordde: „Ik maak 
het goed vriend". Zoo gingen zij samen 
heen en weer ; daarop zei de aap tot 
de schildpad: „Zwager! als je zin hebt, 
gaan we samen aan het strand visschen, 
omdat ik inderdaad graag groote schelp- 
dieren eet". 

De schildpad antwoordde: „Ho goed". 
Daarop gingen ze beiden ; terwijl ze 



82 



doelak ida, ma terik ba lenoek : „ A ria ! 
haoe ka nee ba na". 

Lenoek terik: „Aketa! soroe-soroek 
ba lain". 

Krawa nata naak: „Hooe. 

Hotoe sia roewa lao soroek ba ; nare 
teni ida; hotoe krawa noesoe ba lenoek: 
,,A ria ! haoe ka ba na". 

Lenoek naak: „Hooe soin". 

Hotoe krawa dorok liman ba baboe- 
koe, mak foin baboekoe nabit natos tia ; 
tan oeloek krawa na hoedi la fo ba nia, 
tan nee foin nia bosok krawa nalo dorok 
liman ba baboekoe mak baboekoe nabit 
krawa: krawa boloe: ,, Lenoek, a ria 
lenoek 1 toean haoe", mais lenoek la 
toean, terik: „Hei! oeloek o ma hoedi, 
la fo haoe, teni erna tae haoe tau tan". 



Hotoe krawa boloe ba tasi: „Tasi a 
tasi, makonoe x ) nai-naik!" 

Hotoe lenoek terik: „Tasi a tasi, 
makonoe lailais". 

Hotoe tasi nakonoe loeboer tia krawa 
too krawa mate. 



voortgingen zag de aap een groot 
schelpdier, en zei tot de schildpad : 
„0 zwager, ik eet die terstond op". 

De schildpad zei: „Doe dat niet, 
ga eerst wat verder". 

De aap antwoordde en zei : ,,Goed". 

Daarop gingen beiden verder, en 
zagen er weer een ; toen vroeg de aap 
aan de schildpad: ,,Hé zwager, ik eet 
deze nu terstond". 

De schildpad zei: ,,Ja goed". 

Daarop stak de aap zijn voorpoot 
m de (openstaande) schelp, waarna het 
schelpdier den poot hield vastgeklemd ; 
omdat de aap vroeger pisang gegeten en 
haar er niet van gegeven had, daarom 
bedroog zij den aap liet hem zijn poot 
in de schelp steken, waarna de schelp 
den aap hield vastgeklemd ; de aap 
schreeuwde: „Schildpad, o zwager schild- 
pad ! help mij"; maar de schildpad hielp 
niet en zeide : „Hé, laatst at gij pisangs, 
en gaaft mij niets, ook hebben de men- 
schen mij nog geslagen op den koop toe". 

Daarop riep de aap tot de zee: „Zee 
o zee stijg langzaam". 

Daarop zei de schildpad: „Zee o zee 
stijg snel". 

Toen daarna de vloed opkwam werd 
de aap er door overstroomd, tot hij stierf. 



10. 



Lawarik oan kiak Doean. De weesjongen Doean. 



Katoewas ida no ferik ida nahoris Een oude man en eene oude vrouw 
oan mane ida; lawarik nia kan naran schonken het leven aan een zoon; de 
Doean. naam van het kind was Doean. 



1) letterlijk: vul u of word vol. 



33 



Nian ma ama mate tia nia ba na 
iha nian baba sia. Dadi nian baban 
sia nare diak nia, mais nian kiin sia 
nare nia la diak ; nian kiin naroeka nia 
ba nein krau, fo batar foelin nia nodi 
ba na iha moat laran ; mais nia la na, 
tanis dei. Loro-loron noeoenee dei. Nia 
la teroes ona, dadi ba loron ida nia 
nalai ; sae taroeik toen taroeik, tama 
moat sai moat; noeoenee nia ba too 
iha hali hoen bot ida, hotoe kalan 
ona, dadi nia mos toba. Nia toba, nia 
nare fahi foeik bot ida no iha kakorok 
henoe mean bot ida; fahi nee toba 
tian, nia ba kasoe nola ohin henoe iha 
fahi kakorok ; hotoe nia nalai oeloek 
fahi nalai toeir, sia roewa nalolok 
maloe ba dei ; too tasi laran nia lao 
lioe, fahi fila nikar. Hotoe nia mos 
kobar ohin henoe nee ba knotak foin 
nodi faroe at oan ida bobar natos. 



Henoe nee uiït nia nodi toeir tasi 
laran nee ba dei. — Hotoe nia ba, na- 
soin nola ro Ingris ida; dadi ohin ro 
nee nian kapitan boloe: „Hei Doean 
kiak! o atoe ba iha neebeV" Doean 
nata : „ A nai ! Ita Bot mak atoe lao 
ba tasi laran sei hodi ro ; mais haoe ata 
la lika hodi ro, lao hodi ain dei". 



Toen zijne ouders waren gestorven, 
ging hij bij zijn oom eten. En zijn oom 
hield van hem, doch zijne tante hield 
niet van hem; zijne tante beval hem de 
karbouwen te bewaken, gaf hem maïs- 
kolven, die hij meenam om te eten in de 
wildernis ; doch hij at niet, hij huilde 
slechts. Zoo ging het dagelijks. Hij 
hield het niet meer uit, zoodat hij op 
zekeren dag wegvluchtte; en hij liep 
bergen op en af, liep de wildernis in 
en uit ; zoo ging hij door tot bij een 
grooten waringinboom; toen was het 
reeds avond, zoodat hij dan ook ging 
liggen. Terwijl hij daar neerlag, zag 
hij een groot wild varken met aan 
den hals een dikke gouden ketting; 
toen dat varken sliep, ging hij die 
ketting van den hals van het varken 
afnemen: daarop liep hij weg, hij 
voorop, het varken liep hem ach- 
terna; zij bleven hiaar achter elkaar 
loopen; toen ze aan de zee kwa- 
men, liep hij door, het varken keerde 
terug. Toen bond hij die ketting 
om het midden vast, en bond er, om 
ze te bevestigen, een versleten baadje 
overheen. 

Die ketting lichtte hem op om verder 
in zee voort te gaan. Toen hij voort 
ging, ontmoette hij een Engelsche 
boot ; de kapitein van die boot riep : 
„ He Doean kiak, waar wil je heengaan?" 
Doean antwoordde: „O heer! wanneer 
gij eene zeereis wilt doen, doet gij dat 
met een boot; doch ik slaaf heb geen 
boot noodig, ik reis maar met mijn 
voeten". 



Verhandelingen Bat. Gen. Dl. LXI. 2e stuk. 



34 



Kapitan mos dodan ba lawarik nee ; 
dadi nia terik: ,,Hei Doean ! o mai ma 
lai". 

Uoean simoe: ,,Diak nai, kaloe Ita 
Bot hakara". 

Kapitan terik : „Lao mai, ha ba". 

Dadi Doean mos mai ha. 

Doean na uotoe tia, kapitan noesoe 
ba Doean nakè: ,,0 lao toeir tasi bot 
laran, modi sa mak foin o la mooet 
nee?" 

Doean simoe : „Lale nai ; haoe ata 
lao kodi ata nian boeat at oan ida nee 
dei". 

,,0 fo haoe kalikoe kokon". 

,,Diak kaloe Ita hakara, haoe ata 
kasai". 

„Los o kan hakara; o makara fo 
haoe kare; o la mooek masai, los ba 
o; haoe la nokbit o". 

Hotoe Doean nasai fo ba kapitan tau 
nodi lao kokon; kapitan tan nodi lao 
ba mai, hotoe fo nikar ba Doean kiak. 



Hotoe ro lao tian Doean kiak mos 
lao toeir tasi laran nee ba dei ; nia sae, 
nasoin katoeas ida noi lere ; mais nia 
la lere, nia kan taha dei mak lere, 
noean, nanoetoe. 



Katoeas boloe ba Doean: „Hei Doe- 
an kiak, o atoe ba iha neebe?" 



De kapitein had medelijden met dien 
jongen; daarom zei hij: „He Doean! 
kom en eet eerst". 

Doean antwoordde: „Goed, heer, als 
UEdele het verlangt". 

De kapitein zei: „kom hier, eet ter- 
stond". 

En Doean kwam dan ook eten. 

Nadat Doean gegeten had, vroeg de 
kapitein aan Doean zeggende: „Als 
gij over de wijde zee reist, wat draagt 
gij dan bij u, (om te voorkomen) dat 
gij niet verdrinkt?" 

Doean antwoordde: „Neen heer; ik 
slaaf draag als ik reis slechts een klein 
waardeloos ding mee". 

„Laat het mij eens zien". 

„Goed, als U wil zal ik het voor den 
dag halen". 

„Zooals je wil; als gij wilt, geef het 
mij te zien ; wilt gij het niet voor den 
dag halen, dat moet gij weten; ik 
dwing je niet". 

Daarop haalde hij de ketting voor 
den dag, en gaf ze den kapitein om ze 
om te doen en te beproeven er mee te 
gaan ; de kapitein deed ze om ging er 
mee heen en weer, en gaf ze daarna 
terug aan Doean kiak. 

Toen de boot weg was, ging Doean 
kiak ook over de wijde zee verder ; toen 
hij er uit opsteeg zag hij op e^ns een 
ouden man, die bezig was hoog onkruid 
om te kappen ; doch hij kapte niet, 
alleen zijn kapmes kapte, sloeg af, 
hieuw om. 

De oude riep Doean toe: „He Doean 
kiak, waar wil je heengaan ?" 



35 



DoeaD nata ba katoeas: „Haoe lao 
boeka diak boeka at, boeka moris boe- 
ka mate". 

Katoeas mos dodan Doean ; dadi boloe 
mai, sia roewa na; sia roewa na noe- 
oenee, katoeas noesoe ba Doean : „Doean, 
o keta krakat, haoe koesoe o". Doean 
terik ba katoeas: .Haoe la krakat". 



Hotoe katoeas noesoe: „O lao mai 
nee modi sa ? o sae ro ka lao rai?" 

Hotoe Doean simoe: „Katoeas, oerak 
o erna katoeas ida sei maroeka o kan 
taha lere rai, o toer modi ma dei, sa 
ba haoe erna foiwai la ko haoe kan 
boeat diak daka haoe isin, no nodi 
haoe lao ba mai?" 

Katoeas terik ba Doean : „Neebe? o 
masai haoe kare kokon". 

Doean mos nasai, fo ba katoeas tau 
henoe nee nodi lao tatna nikar tasi 
laran; katoeas ba la noran nia atoe 
mooet, no nia ain la botes. 

Hotoe katoeas sai nikar nosi tasi 
laran mai, terik ba Doean: „Diak lioe 
oa, ita roewa toekar ona ; o f o o kan 
henoe ba haoe, haoe fo haoe kan taha 
ba o". — Dadi Doean mos ber te nia 
nakara ohin katoeas nia kan taha; 
„soin kaloe ama nakara bele". 

Dadi katoeas fo taha ba Doean; Doean 
fo henoe ba katoeas. — Katoeas terik 
ba Doean: „O ba ona haoe mos lao 
ona". 



Doean antwoordde den oude: „Ik 
loop te zoeken naar geluk en ongeluk, 
naar leven en dood". 

De oude had ook medelijden met 
Doean ; daarom riep hij hem bij zich, 
en toen aten zij samen ; terwijl zij zoo 
te samen aten, vroeg de oude aan Doe- 
an: „Doean, je moet niet boos worden, 
als ik u iets vraag". Doean zei tot den 
oude: „Ik ben niet boos". 

Daarop vroeg de oude: „Hoe ben je 
hier gekomen ? met een schip of te 
voet ?" 

Toen antwoordde Doean: „Oude, zelfs 
gij een bejaarde man beveelt uw kap- 
mes den grond schoon te kappen, ter- 
wijl gij maar blijft zitten en eten ; zou 
ik dan een jonge man niet iets goeds 
hebben om mijn lichaam te beschermen 
en mij heen en weer te voeren?" 

De oude zei tot Doean: „Wat? haal 
het voor den dag, dat ik het eens zie". 

Doean bracht het te voorschijn, stond 
den oude toe de ketting om te doen en 
er mee in zee te gaan ; de oude ging 
dan eu had geen gevoel alsof hij zou 
zinken, en zijne voeten waren niet nat. 

Toen de oude weer uit de zee kwam, 
zei hij tot Doean: „Het zou goed zijn, 
jongen, als wij ruilden; geef gij uw 
ketting aan mij, ik geef mijn kapmes 
aan u". En Doean wilde het ook, want 
hij begeerde dat kapmes van den oude ; 
„goed, als vadertje wil dan kan het". 

Dus gaf de oude het kapmes aan 
Doean; en Doean gaf de ketting aan 
den oude. — De oude zei tot Doean : 
,,Ga nu, ik ga ook". 



36 



Doean nakfali taha uoeoedar henoe 
dei, niit nia nodi lao iha tasi laran. 
Dadi Doean fila nikar ba atoe lao toe- 
ir tasi laran. Nia tama mooet Hoe we 
ain ; botoe foin nia nani sae nikar ba 
iha rai tnara. Kaloe nia ba too iha rai 
mara, nia sei ba boeka nikar ohin ka- 
toeas be atoe nola nikar nia kan henoe; 
nia lao ba, nasoroe nola katoeas, terik 
ba nia: „Hei katoeas o fo hikar haoe 
kan henoe mai, mola mikar o kan 
taha". 

Katoeas terik nikar ba Doean: „Haoe 
la kooek fo, toekar tia dala ida dei". 

Doean rona katoeas terik noeoenee, 
nia neon soesar la diak basoek ; dadi 
nia mos nakidoek ba iha nioat, nia 
terik lia foean ida roewa ba taha : ^Ta- 
ha kaloe haoe koesoe haoe kan henoe 
ba katoeas, kaloe katoeas la fo, o ta 
katoeas, o miste maklosoe mosi oon 
knoean, hela dei dikin". 

Doean terik hotoe noeoenee, ba nikar 
noesoe nadia nian henoe ba katoeas, 
mais katoeas la nooek fo. 

Doean terik ba nia: „O la mooek fo 
tebes katoeas?" Katoeas simoe ba Doe- 
an: „Haoe la fo tebes, toekar tia dala 
ida dei; o atoe malo sa ba haoe?" 

La oras Doean terik ba taha: „Ta 
katoeas taha!" 

Doean foin terik noeoenee taha nak- 
losoe sai, hela dei dikin. Katoeas nare, 
nalai hori neeba mai nakoak Doean nia 



Doean meende dat het kapmes even- 
als de ketting hem zou oplichten om 
over de zee te gaan. Das ging Doean 
weer terug om een zeereisje te maken. 
Toen hij er in ging, zonk hij tot op 
den bodem ; toen zwom hij, steeg er 
weer uit en kwam op het drooge. Zoo- 
dra hij weer op het drooge was, ging 
hij weer den oude zoeken om zijne 
ketting weer terug te nemen ; terwijl 
hij giug, ontmoette hij den oude, en 
zei hem : ,,Hé oude, geef mijne ket- 
ting terug, en neem uw kapmes weer". 

De oude zei tot Doean : „Ik wil ze 
niet geven ; eens geruild blijft geruild". 

Toen Doean den oude zoo hoorde 
spreken, was zijn hart zeer bedroefd ; 
hij ging dan achteruit in de wildernis 
en sprak een paar woorden tot het 
kapmes: „Kapmes, als ik den oude om 
mijne ketting vraag, en de oude ze 
niet geeft, dan zult gij den oude slaan ; 
gij moet dan uit uw schede komen, 
alleen den punt er in laten". 

Nadat Doean dit gezegd had, ging 
hij terug en vroeg voor goed zijne 
ketting aan den oude, doch de oude 
wilde ze niet geven. 

Doean zei tot hem: „Wil je ze in- 
derdaad niet geven, oude?" De oude 
antwoordde aan Doean : „Ik geef ze 
inderdaad niet; eens geruild blijft 
geruild; wat wil jij mij doen?" 

Onmiddellijk daarna zei Doean tot 
het kapmes: „Sla den oude o kapmes!" 

Nauwlijks had Doean dat gezegd, 
of het kapmes sprong uit de schede, 
alleen de punt bleef er in. Zoodra de 



37 

kan ain nodikakaoer; ,A keta oli halo oude dat zag, kwam hij vandaar toe- 
noeoenee, haoe fo kikar o kan henoe, geloopen, omvatte de voeten van Doean 
mais o miste fo mikar haoe kan taha". terwijl hij riep: „Ach doe dat niet, ik 

geef uwe ketting terug, maar gij moet 
het kapmes teruggeven". 
Doean naak: „O fo oeloek haoe kan Doean zei: „Geef gij eerst het mijne, 
mai lai, hotoe mak haoe fo o kan tone". dan geef ik het uwe". Toen nam de 
Hotoe katoeas foti nia kan henoe fo oude zijne ketting en gaf ze aan Doean. 
ba Doean; Doean raoet nola henoe no Doean nam met een ruk de ketting 
taha nodi nalai. en het kapmes en liep er mee weg. 

Katoeas teoer toei-toeir ba dei dau- De oude zette hem onafgebroken na 

dau too iha tasi laran: mais tan nia tot in zee; doch daar hij reeds bejaard 
katoeas ona nia foin nani sai nikar was zwom hij maar even, ging er weer 
fila nikar ba nian oema. uit, en keerde naar zijn huis terug. 

Mais Doean lao toeir tasi laran nee Maar Doean ging over zee tot in 
ba hoesar; nia terik ba henoe: „Henoe het midden; hij zei tot de ketting: 
miit haoe hodi lao toeir tasi klaran"; „O ketting, licht mij op, om naar het 
nia terik noeoenee henoe mos niit nia midden der zee te gaan"; toen hij zoo 
nodi lao toeir klaran; dadi nia lao ba sprak lichtte de ketting hem ook op 
dei too kala pal hitoe ka waloe noe- om langs het midden te gaan ; zoo 
oenee ; nia nare ba sidadi l ) bot ida, ging hij dan maar verder tot misschien 
erna noi dahoer, baloe bidoe baloe zeven of acht paal zoo; toen zag hij 
likoe rai. eene groote stad, waar de menschen 

bezig waren met feest vieren ; somnii- 

migen dansten afzonderlijk, anderen 

dansten in de rij en trommelden. 

Doean nalikoe noeoenee, terik ba Terwijl Doean dat zoo aanzag, zeide 

henoe: „Henoe hodi haoe toen ba iha hij tot de ketting: „Ketting, voer mij 

sidadi nee". Nia too ba noesoe : „Emi neer in die stad". Zoodra hij daar was 

halo dahoer ba sa?" Erna iha sidadi nee aangekomen, vroeg hij :, Waarom viert 

simoe: „Ami halo dahoer ba oelar Naga gij feest?" De menschen in de stad zei- 

iha lalean klaran atoe mai nola ami nai den: „Wij vieren feest om den draak, 

oan mane kmisak ; ami nai nian meo die ter halver hoogte van den hemel 

nain sanoeloe resin roewa, mais la bele woont en die den eenigen zoon van 

dei; oelar Naga bit lioe". onzen koning zal komen halen; wij 

's konings voorvechters zijn met ons 



1) sidadi van het Portugeesch „cidade" en dus stad. 



38 



Doean simoe erna iha sidadi: „Haoe 
bele koo oelar Naga ; lioerai atoe fo sa 
ba haoe?" 

Erna sirnoe : „Om noeoe o Doean kiak 
nen la sana oelar Naga nean let". Doean 
terik : „ Kaloe emi hakara ba terik nai, 
ata Doean kiak atoe nasoroe oelar Naga 
iha lalean klaran; mais Ita Bot miste 
fo nian kole". 



Nai terik: „Diak; haoe fo enia renoe 
hotoe-hotoe no rai nee ba nia oekoen. 
Mais Doean kaloe o mate haoe la kata 
o nain". 

Doean terik: „Diak nai, haoe mate, 
nia doeoek ; se mak atoe noesoe haoe, 
haoe ata erna oa kiak. Mais kaloe nai 
nakara, awan ami roewa Naga hasoroe 
maloe iha lalean klaran". 

Nai terik: „Nee los Doean nian ha- 
kara, haoe la bele nokbit". 

Sei sa wan Doean terik ba henoe: „Hiit 
haoe hodi sae saka oelar Naga iha 
lalean klaran". 

Doean terik noeoenee, henoe mos niit 
nia nodi sae ba; too ona iha lalean 
klaran, oelar Naga mos mai ona;dadi 
oelar nee nia nawan oedan koekoer ma- 
meran ; Doean la teroes malirin. 



twaalven, maar wij kunnen hem toch 
niet aan ; de draak is sterker". 

Doean antwoordde aan de menschen 
in de stad: „Ik vermag den draak te 
dooden; wat zal de vorst mij geven?" 

De menschen antwoordden : „Iemand 
als gij Doean kiak vult niet eens de 
openingen tusschen zijne tanden". Doe- 
an zei: „Als gij wilt, gaat dan aan 
den koning zeggen, slaaf Doean kiak 
zal den draak ontmoeten op de halve 
hemelhoogte; maar Uwe Hoogheid *) 
moet hem zijne moeite vergelden". 

De koning zeide: „Goed, ik geef hem 
alle onderdanen en dit land te regee- 
ren. Maar Doean, als gij sterft ben ik 
niet voor uw persoon verantwoordelijk". 

Doean zei: „Goed, o koning, als ik 
sterf dan is dat niets ; wie zal naar mij 
vragen, naar mij slaaf, geringe wees. 
Doch als de koning het wil, zullen ik 
en de draak morgen elkander ontmoe- 
ten op de halve hemelhoogte". 

De koning zei: „Dat is volgens Doe- 
an 's verlangen; ik mag geen dwang 
uitoefenen". 

Des morgen zei Doean tot de ketting: 
„Hef mij op om den draak op de hal- 
ve hemelhoogte tegemoet te stijgen". 

Als Doean zoo sprak, hief de ketting 
hem ook op en deed hem stijgen ; zoodra 
hij tot de halve hemelhoogte was op- 
gestegen, kwam de draak ook te voor- 
schijn; en de adem van den draak 
veroorzaakte regen, donder en bliksem, 
Doean hield het niet uit van de kou. 



1) Hier wordt de kouing plotseling tegenwoordig 
gedacht. 



39 



La oras oelar Naga boloe ba Doean : 
„Hei Doean kiak! ba neebe?" 

Doean nata: „Haoe mai boeka o". 
Oelar Naga terik: „Hei koitadoe! Doean 
hodi ra noerak mai soè bat ba sa ida? 
Diak lioe o fila mikar ona. Haoe atoe 
ba kola rnane kmisak iba raiklaran". 

Doean simoe: „Haoe Doean atoe ses 
o? Diak lioe mate". 

Oelar Naga terik: „O makara tebes 
Doean ?" 

Sia roewa to'è noeoenee, Naga bori 
neeba mai. Doean nare Naga mai, te- 
rik ba taha: „Taba manoin o kan ser- 
wisoe". 

La oras taha nakbois tama nosi Naga 
iboen sai nosi ikoen, tama nosi karoek 
sai nosi koana ; la oras Naga leak an 
bori lalean klaran toen ba rai ; rai nak- 
doko noeoedar kakekoek ; koeda kaboek 
krau kaboek noloes. 



Plotseling riep de draak Doean toe : 
„Hé Doean kiak! waar ga je heen?" 

Doean antwoordde: „Ik kom u zoe- 
ken". De draak zeide: „Och arme! 
waartoe komt Doean zijn jeugdig bloed 
verspillen? Het is beter dat je terug- 
keert. Ik zal op aarde den eenigen zoon 
(des konings) gaan balen". 

Doean antwoordde: „Ik Doean zal 
voor u wijken? Beter is het te ster- 



ven". 



Nai terik ba Doean : „ Diak lioe o 
modi ba so'è ba tasi ; lale sain dois 
nalo erna mate koboe". 



Nai terik noeoenee, Doean mos terik 
nikar ba taba: „O miste foti modi oelar 
Naga nee ba so'è ba tasi". Taba koa 
nalo roba-roban nodi ba so'è ba tasi 
laran. 



De draak zeide: „Wil je wezenlijk, 
Doean?" 

Terwijl zij zoo met elkander twistten, 
kwam de draak naderbij. Toen Doean 
den draak zag komen, zei hij tot het kap- 
mes: „O kapmes denk aan uwe taak". 

Terstond schoot het kapmes uit de 
schede, drong in den muil van den 
draak en kwam er door den staart weer 
uit, drong door de rechterzijde binnen, 
kwam door de linkerzijde buiten ; on- 
middelijk stortte de draak van uit de 
halve hemelhoogte op de aarde neer; 
de aarde schudde als bij aardbeving, 
drachtige paarden en karbouwen wier- 
pen voor den tijd. 

De koning zei tot Doean: „Het zou 
goed zijn, als je hem (den draak) weg- 
bracht en in zee wierpt; anders zal hij 
de lucht verpesten en de menschen 
doen uitsterven". 

Nadat de koning dit gezegd bad, 
zei Doean weer tot het kapmes: „Gij 
moet den draak opnemen, hem weg- 
voeren en in zee werpen". Het kapmes 
sneed hem in stukken bracht deze wil; 
en wierp ze in zee. 



40 

Dadi Doean mak oekoen iha sidadi En Doean regeerde in die stad ; Doean 
nee; Doean nauono ba nai, erna renoe was onderdanig aan den koning; de 
rona ba Doean. onderdanen luisterden naar Doean. 

11. 

Niïs noe wèn x ) no Krawa. De Krab en de Aap. 



Ba loron ida niis noe wèn ida no Op zekeren dag sloot eene krab vriend- 

krawa ida nalo beloe. Loro-loron niis schap met een aap. Dagelijks kwam 

noe wèn nee sae nosi tasi, mai iha rai die krab uit de zee op het droge om 

maran atoe saka nia kan beloe krawa. haar vriend den aap te ontmoeten. Op 

Too ba loron ida niis noe wèn sae zekeren dag kwam de krab uit de zee 

nosi tasi laran mai iha rai maran atoe op het droge om haar vriend den 

saka nian beloe krawa, hotoe krawa aap te ontmoeten ; en de aap kwam 

nee mos mai ; kei oras ida noeoenee ook ; na een poos vroeg de aap aan 

krawa noesoe ba nia kan beloe niis noe vriend de krab: „Vriend, hoe hebt gij 

wen: „Beloe o kan kotoek makerik nee het aangelegd om die figuren op uw 

o malo oin sa?" rug te maken?" 

Hotoe niis noe wen nata: „Haoe Daarop antwoordde de krab: ,,lk 

tama iha hai laran, foin ema soenoe ging in het vuur, en toen stookten de 

halik haoe ; hotoe hai mate, foin haoe menschen rondom mij ; en toen het 

sai; noeoenee haoe kan kotoek dadi vuur uitgebrand was, ging ik er uit; 

makerik". zoo werd mijn rug met figuren voor- 



zien". 



Hotoe krawa terik ba nia kan beloe: Toen zei de aap tot zijn vriend; 

„Neete beloe o malo haoe kan no". „Nu dan vriend, maak mijn rug ook 

Hotoe beloe niis noe wen nata: „Soin, zoo". Daarop antwoordde vriend de 

kaloe beloe nakara". krab: „Goed, als vriend het verlangt". 

Hotoe niis noe wen mos ba liboer Toen ging de krab hout en gras 

ai no hae; kei oras ida noeoenee krawa bijeen brengen; na een poos kwam de 

mai no nia kan oan no fen dala ida. aap met zijn kind en zijne vrouw te 

Hotoe nee niis terik ba nia kan beloe gelijk. Toen zei de krab tot haar vrieud 

krawa: „Tama ba ona". den aap: „Ga er terstond in". 

Hotoe krawa mos tama; hotoe niis En de aap ging er in; toen stak de 

noe wen soenoe, la oras hai na ; la krab het aan, terstond brandde het vuur 

oras krawa kakaoer nosi hai laran: hem; onmiddelijk schreeuwde de aap 



1) Niis betcekent krab (land- en zeekrab); noe wèn 
beteekent klappenvater ; wat deze benaming er bij 
doet, is mij niet duidelijk en daarom niet vertaald. 



41 



„Beloe haoe sai ba na". Niis nata: van uit het vuur: „Vriend, ik kom er 
„Keta lai beloe, ora-oras oon kotoek onmiddelijk uit". De krab antwoordde : 
makerik ona. »Nog niet vriend, aanstonds is uw rug 

met figuren voorzien". 
Hotoe bai mos na dei daudau krawa En bet vuur brandde maar door, tot- 
mate iha bai laran. dat de aap er in omkwam. 



12. 



Erna matan at no ema 
ain at. 



Een blinde en een 
lamme. 



Perik ida no katoeas ida niti oan 
mane nain roewa, ida matan at ida 
ain at. Noeoenee dadi ferik naak ba 
katoeas : ,A katoeas, diak lioe ita boeka 
kokon ema makdok be mai tau kokon 
oan nain roewa nee". 

Katoeas nata: „Aija! bodi halo sa 
no boeat at nee? diak lioe hoo tia; 
boeat at nee babaan bakmamoek, la 
nasain saida". 

Hotoe ferik simoenikar: „A katoeas, 
o nee lia noeoedar lawarik oan ; keta 
haak matan at, ain at ; nen masik asoe 
ka manoe ka; mais kaloe Nai Maro- 
mak fo tau ba ita bitin, atoe halo oin 
sa? ita miste simoe dei no neon diak; 
kala sain diak". 

Hotoe katoeas si moe nikar: „Hooe! 
niate soin, emi hein ba nee; bè haoe 
lao lai te haoe la kakara kare ema 
noeoenee". 

Katoeas nee terik notoe noeoenee, 
raoet an lao ba rai seloek ; dadi hela 
misa sia iha oema. 



Eene oude vrouw en een oude man 
schonken het leven aan twee zoons, 
waarvan de eene blind, de andere lam 
was. En de oude vrouw zei tot haar 
man: „Och oude, het zal goed zijn als 
we een ziektebezweerder zoeken om 
de twee jongens te behandelen". 

De oude antwoordde : „ Och ! wat zul- 
len we met dat slecht goedje aanvangen? 
Het beste is dood maken; dat tuig voeden 
we te vergeefs, daar komt niets van". 

Daarop antwoordde de oude vrouw : 
„Och oude, jij praat als een kind; zeg 
niet een blinde, een lamme; zelfs een 
hond of een kip (moeten we voeden); 
maar als God (kinderen) schenkt en 
op onzen schoot plaatst, hoe dan te 
handelen? wij moeten ze met vreugde 
aannemen; misschien worden ze goed". 

Daarop autwoordde de oude: „Ja, 
nu goed dan, blijft julie maar bier; 
maar ik ga weg, want ik wil zulke 
menschen niet zien". 

Toen de oude dat gezegd had, maakte 
hij zich uit de voeten en ging naar een 
ander land; dus bleven zij alleen in 
huis achter. 



42 

Hei koitadoe! se mak atoe boeka Och arme! wie zal eten zoeken om 
han be fo bodik basia? noeoenee ferik het hun te geven? Zoo ging dan de 
nee ba boeka ai foean, ai tahan hodi oude vrouw vruchten en bladeren zoeken, 
mai sia toloe na; ha ai foean, ai tahan bracht ze mee, en clan aten zij met 
la bele ona, ba haloeroe batar ikoen hun drieën ; toen zij geen vruchten en 
hare ikoen iha erna nian toos bosa bladeren meer konden eten, ging zij naar 
hodi mai foin ha; noeoenee loro-loron de geoogste tuinen om de overgebleven 
sia moris toeir boeat nee dei. djagongkolven en rijstaren te zoeken, 

die bracht zij dan mee, en dan aten 

zij; zoo leefden zij dag in dag uit van 

dat goedje. 
Hotoe sia roewa mos matas ona, Zij waren intusschen al groot ge- 

mais koitadoe ! ida matan diak mais worden ; maar och arme ! de een zag 
ain at; ida ain diak isin bot mais ma- goed, doch zijn voeten waren gebrek- 
tan at; noeoenee dadi soesar botlolos; kig; de andere mankeerde niets aan 
la iha erna ida dodan sia. zijn voeten, hij was dik maar blind; 

zoodoende hadden zij het zeer zwaar; 

niemand ontfermde zich over hen. 

Too loron ida erna dahoer iha nai Op zekeren dag was er feest in het 

nian oema; dadi erna dale ba sia; sia huis van den koning; en de menschen 

» 
roewa naak atoe ba no, mais ferik deelden hun dat mee; zij zeiden dan dat 

la nooek. Ferik naak: „A ama ! emi ze er ook heen wilden gaan, doch de oude 

nain roewa nee misa at, hotoe emi atoe vrouw wilde het niet; zij zei: „Vadertje 

ba halo sa? koitadoe ita nee! nen isi lief! Julie bent beiden gebrekkig, wat 

foetar diak ida la iha ; hotoe emi hodi wilt gij er dus gaan doen ? och wij 

isiu tanan noeoenee atoe ba hare da- armen ! zelfs geen goed kleed is in ons 

hoer iha lioerai nian oema". bezit; en dan zoudt gij ongekleed gaan 

kijken naar het feest in het huis van 

den koning". 

Hotoe sia roewa nata nikar; A ina! Daarop antwoordden zij: „Och moe- 

boeat ita erna kiak nee itan lioerai der! de koning kent ons weezen wel; 

natene ; ba serwisoe todan kala la bele ; zwaar werk gaan verrichten, dat kan 

mais teoer netik asoe aroema, lale soe- waarschijnlijk niet; maar wel de honden 

di netik hai aroema; soerak atoe ita wegjagen, of het vuur aanhouden; als 

oin keta lakon". we maar niet afwezig zijn". 

Hotoe ferik naak: „Soin ama, emi Daarop zei de oude vrouw: „Goed 

terik haak noeoenee te soin, lao ba; jongens; nu julie zoo spreekt, gaat dan 

soerak atoe hare erna dato, erna bo-bot maar; als gij maar oplet bij het zien 



43 

la bele nai hakoe-kakoer, olik euia toe- van lioofdeu en voornamen ; die moogt 
san ita; hotoe ita atoe fo sa? ita nee gij zoo maar niet dwars voorbijloopen ; 
nen boeat ida la iha". misschien zouden de menschen ons 

beboeten ; en wat zouden wij dan ge- 
ven? wij hier hebben zelfs niet één 
ding (van waarde)". 
Hotoe matan at katoer ain at; sia Daarop nam de blinde den lamme 
roewa ba daudaun ; rai loraik sia roe- op den schouder ; zij vertrokken ter- 
wa too. — Sia roewa too ba, erna noi stond ; in den namiddag kwamen zij 
dahoer namanas ; too nikar sawan li- daar aan. — Toen zij daar aankwamen, 
oerai naroeka boloe sia roewa. Sia roewa waren de menschen druk aan het feest 
too mai, lioerai noesoe : „Hei bei ma- vieren; den volgenden morgen liet de 
tan at no bei ain at, emi roewa mai vorst hen beiden roepen. Toen zij ge- 
boeka sa?" komen waren, vroeg de vorst: „He 

vadertje blinde en vadertje lamme, wat 
komt julie zoeken?" 
Hotoe sia nata: „Hè nai lioerai! Daarop antwoordden zij: „Ja heer 

ami ata rona, ata mamaloek dale naak koning ! wij slaven hoorden andere 
dahoer iha nai lioerai nian oema metan, slaven vertellen, dat er feest was in 
nee mak foin ami ata mos mai". de woning van den heer koning, daar- 

om zijn wij slaven dan ook gekomen". 
Hotoe lioerai simoe nikar: „Soin; Daarop antwoordde de vorst: „Goed 
ita halo dahoer lai; dahoer hotoe lei zoo; wij vieren nu feest; na het feest 
emi roewa fila". Hotoe sia naak : „Diak zult gij beiden terugkeeren". Daarop 
nai lioerai, los Ita Bot hakara". zeiden zij: „Goed, heer koning, zooals 

Uwe Hoogheid wil". 
Noeoenee too dahoer hotoe sia roewa Toen zij dan na het feest zouden 
atoe fila ona, nai terik ba nian ata sia terugkeeren, zei de koning tot zijne 
atoe tau etoe ba taan ida naan ba slaven dat zij eene mand met rijst en 
taan ida fo ba bei matan at no bei eene andere met vleesch zouden vullen, 
ain at; hotoe nai terik ba sia: „Emi en aan den blinde en lamme geven; 
roewa ba ona; emi neon kona emi lei daarop zei de koning tot hen: „(iaat 
mai". nu maar ; als gij weer eens aan ons 

denkt, komt dan maar". 
Sia roewa nata: „Diak nai lioerai, Zij antwoordden: „Goed heer koning, 

ami ata neon kona te, ami lei mai". dan zullen wij terugkomen". 

Hotoe bei matan at katoer bei ain Daarna nam de blinde den lamme 

at, bei ain at toetoer etoe no naan sia op den schouder ; de lamme droeg het 



44 



roewa lao daudaun ; too ai takak ida 
bei ain at naak ba bei matan atnake: 
„O matoeoe''; hotoe bei matan at na- 
toeoe; noeoenee ba dei daudau too we 
Diatan ida; we nee klean kala roa roewa 
noeloe resin ; dadi bei matan at naak : 
,A! ain at, nee kala we ida"; hotoe 
bei ain at nata naak: „Hèè; nee oeloek 
itan bei sian we hemoe mak nee". 
Hotoe bei matan at naak: „A niate 
ita roewa hanawa ba nee lai, te haoe 
la bele ona; haoe katoer o no teni etoe 
naan taan roewa nee; o manoin todan 
noeoesa?" 



Hotoe bei ain at naak: „Nee los ba 
o dei ; haoe kanono ba o dei te haoe 
noeoedar oon matan, o noeoedar haoen 
ain; kaloe o toer haoe la bele lao ona; 
kaloe haoe toer o la bele lao ona". 

Hotoe sia roewa nanawa ba we nee ; 
bei ain at mak fae etoe no naan ; mais 
nia la fae toeir los, nalo bei matan 
at nia kan oeat no roein wain 
Hoe, nalo nia kan isin no bokoer 
misa; noeoenee dadi bei matan at 
nanisi nabit, nanisi nabit, nabit les 
tia nian matan ; hotoe nia nateke ba 
bei ain at nian misa naan isin no 
bokoer, dadi nia nawan sae, foti bei 
ain at so'e tama ba we matan la- 
ran. — Hotoe bei ain at kakaoer nak- 
tebek, kakaoer naktebek, la oras tebe 
nalolo tia nia ain; hotoe nia sae ni- 
kar mai, sia roewa bei matan at kaer 
maloe liman, bidoe, naksokè, noesoe 
maloe isin diak, terik: „Noeoesa mak 



vleesch en de rijst op zijn hoofd; zij 
vertrokken terstond; toen zij bij een 
laag overhangenden boom kwamen, zei 
de lamme tot den blinde: „Buk"; 
daarop bukte de blinde; zoo ging het 
maar door tot bij eene bron ; dat wa- 
ter was misschien meer dan twintig 
vadem diep; en de blinde zei : „Hé lam- 
me, dit is misschien een water"; daarop 
zei de lamme: „Ja, eertijds was dit 
het drinkwater van onze voorouders". 
Toen zei de blinde: „Nu goed, hier 
rusten we eerst, want ik kan niet meer; 
ik draag u en daarenboven nog deze 
twee manden met rijst en vleesch ; 
hoe zwaar denk jij dat dat is?" 

Daarop zei de lamme: „Zooals gij 
wilt ; ik luister maar naar u, want ik 
ben als uw oog, gij zijt als mijn voet; 
als gij zit kan ik niet verder gaan; als 
ik zit kunt gij niet meer gaan". 

Daarop rustten zij samen bij dat 
water; de lamme verdeelde de rijst 
en het vleesch ; maar hij verdeelde 
het niet rechtvaardig; het deel van 
den blinde had veel peezen en beende- 
ren ; het zijne was enkel vleesch en vet ; 
zoo kwam het dan, dat de blinde bij 
het bijten rukte ; hij beet en rukte, en 
reet zijne oogeu open; en toen zag 
hij naar het deel van den latnnie, 
allemaal vleesch zonder beenderen en 
vet; dus werd hij boos, pakte den lam- 
me op en wierp hem in het water. — 
Daarop schreeuwde de lamme voort- 
durend en maakte beweging; plotseling 
schopte hij en rekte de beenen uit ; 
toen steeg hij uit het water, en gaven 



45 



teki-tekis ita roewa bele hetan diak 
noeoenee?" 



Hotoe sia roewa foti etoe naan .toe- 
toer, ba daudaun naksokè lao-laok. 



Too sian oerna ba, sian ina sai saka 
mai no nahoek nakfali ema lanoe ka 
erna boelak ; mais sia roewa boloe naak : 
„Ina a ina! keta matauk, te ami roe- 
wa mak diak ona". 



Hotoe ferik naak: „A aina se mak 
nadiak bodik emi roewa?" 

Hotoe sia roewa dale noeoesa dadi 
tian ba sia nahoe iha dalan dan-dan 
too we raatan, foin sia roewa netan 
diak. 



Hotoe sia toloe nalo dahoer daudau 
too loraik. 



hij en de blinde elkander de hand, 
zij dansten en sprongen, wenschten 
elkaar gezondheid en zeiden : n Hoe komt 
het, dat wij beiden plotseling zoo'n 
geluk verkregen hebben?" 

Daarop namen zij beiden de rijst en 
het vleesch, plaatsten een en ander op het 
hoofd en gingen terstond op weg, terwijl 
zij onder het gaan telkens dansten. 

Toen zij bij het huis kwamen, kwam 
hunne moeder naar buiten hen te ge- 
moet en gilde, daar zij meende dat daar 
dronken of gekke menschen aankwamen ; 
maar zij beiden riepen zeggende : „Moe- 
der o moeder ! wees niet bang, want 
wij beiden zijn hersteld". 

Daarop zei de oude vrouw : „ Och 
vadertje lief, wie heeft julie gezond 
gemaakt?" 

Daarop verhaalden zij, hoe het hun 
vergaan was, te beginnen met wat ge- 
schiedde op den weg tot ze kwamen 
aan de bron, waar ze de gezondheid 
verkregen. 

Daarna vierden zij met hun drieën 
feest tot den avond. 



13. 



Lioerai mane ida no lioerai 
feto ida. 



Een prins en eene 
prinses. 



Dala ida Hoe rai mane ida nosi rai 
seloek sae ba ro hai ida nodi lo'èr loer. 
Dadi ro hai nee lao too mota ida ain 
sae ba tasi. Mais ohin lioerai mane 
nee nodi no nia kan kair be atoe 
nodi nakair naan tasi; too tasi ba nia 
so'è nia kan kair ba tasi. 



Eens ging een prins van een ander 
land op een stoomboot om te spele- 
varen. En die boot voer naar de mon- 
ding eener rivier en ging in zee. Maar 
die prins had zijn hengel meegenomen 
om er mee te visschen; toen hij in 
zee was, wierp hij den angel in zee. 



46 



Mais iha ohin rnota nee nia kan oe- 
loen ba no lioerai feto ida noi loekoe 
iha mota laran ; lioerai feto nee nia kan 
foeoek naroek lolos; dadi nia kan foe- 
oek nalolon an toeir mota daudau too 
tasi ; hotoe f'oin lioerai mane nee nia 
kan kair kait an ba ohin lioerai feto 
nia kan foeoek. Dadi nia naroeka erna 
sia bisoek ro hai, be atoe lao kalolon 
toeir mota hodi haloion ohin lioerai 
feto nee nia kan foeoek. 

Hotoe ro hai nee sae baba dei dau- 
dau too mota oeloen ba, foin sia kohi 
nola lioerai feto nee no niakan atan ida. 
Hotoe atan lelear *) nee sasi hotoe ba 
nasae lia ba nai, fo natene sia kan 
lioerai feto oan nee erna kohi tiau. 



Dadi nai mane katoeas nee rona 
niakan oan feto erna kohi tian, naroe- 
ka erna tae tala no toehoen hodi boloe 
niakan renoe sia atoe Hboer an be atoe 
toeir niakan oan feto. 

Hotoe erna lear toeir ohin lioerai 
oan nee; hotoe sia nare toma ohin ro 
hai nee iha lor ba tian. 

Hotoe erna lear nee fila nikar ba 
nalo konta ba nai, sia nare ohin ro 
hai nalai iha lor metan ba tian; „dadi 
ami ata la bele toeir ona nai". 

Hotoe ohin lioerai mane nee filak 
ohin lioerai feto oan nalo ba niakan fen. 
Mais ohin ro nee sei la ba lioe nia kan 
rai ba dauk ; dadi sia sei iha tasi laran. 



Doch aan den oorsprong van die ri- 
vier bevond zich eene prinses, die daar 
bezig was met in de rivier het haar te 
wasschen ; het haar van die prinses was 
zeer lang, zoodat het zich over die rivier 
tot aan zee uitstrekte ; en zoo gebeurde 
het, dat de angel van dien prins zich 
vasthaakte aan het haar der prinses. 
Daarom beval hij de boot om te keeren, 
om de rivier op te varen, om het haar 
der prinses te ontwarren. 

En de boot voer steeds verder tot 
aan den oorsprong der rivier, waarna 
zij die prinses met eene harer slavin- 
nen oplichtten. En de vele slavinnen 
die ontsnapt waren, gingen de zaak 
aan den koning meedeelen, deden hem 
weten dat hunue jeugdige prinses door 
menschen was opgelicht. 

Toen de oude koning vernam, dat 
zijne dochter door menschen was gevan- 
gen genomen, beval hij de gong en de 
trom te slaan om zijne onderdanen bij- 
een te roepen, opdat deze zijne dochter 
zouden nagaan. 

Daarop gingen vele menschen de ko- 
ningsdochter achterna, en toen zagen 
zij die boot reeds ver in zee. 

Daarna keerden die vele menschen 
terug en deden den koning weten, 
dat de boot reeds ver in zee was; „dus 
konden wij slaven de vervolging niet 
voortzetten, o koning". 

En die prins nam de prinses en 
maakte haar tot zijne vrouw. Maar de 
boot srino' nog niet naar hun land 
terug ; zij bleven nog op zee. 



1) lelear is een verkorte vorm van lea-lear. 



47 



Ba loron ida kala oras loro laka noe- 
oenee lioerai feto oan terik ba niakan 
atan feto, sia nain roewa atoe ba na- 
likoe tasi ; dadi ohin atan feto nee doedoe 
honoe lioerai feto oan ba tasi laran; 
hotoe nia la mooet lioe tasi kidoen ba, 
mais nia kaer ba ro hai niakan kidoen ; 
hotoe naan tasi bot ida nalai mai kisoe 
nola ohin lioerai feto nee niakan ma- 
tan foean roewa. 

Hotoe ohin atan feto tama ba lioe- 
rai feto nia kan kean, hotoe nia se- 
loek an ba ohin lioerai oan nian tais 
hotoe nafoeoet nalo kmetis foin toba 
ba lioerai feto niakan toba fatin. 

Dadi too kalan oras sia atoe na, 
ohin lioerai mane naroeka sika lamak 
hodi ba nai feto atoe na ; dadi sia nodi 
too ba rai ba meda, hotoe nia naroeka 
erna miste sai foin nia na; te kaloe 
nia na ba ema lear oin te, nia natauk 
nasai niakan oin, te niakan oin metan 
lolos; dadi kalan loron noeoenee dei 
daudau ro hai nee too nikar ohin lioe- 
rai mane nia kan rai ba. 



Hotoe ro nee balaboe *) tia, ema na- 
honoe toen sampan oan ida atoe hodi 
toen lioerai feto nee ; bè la hos lioe- 
rai feto nee, mais ohin ata feto nee. 

Sia nakfali ohin lioerai feto tebes ; 
dadi sia hotoe-hotoe hakau hodi nia ba 
iha ohin lioerai mane niakan oema 
metan, hotoe hatama nia ba kean ida 
kabaas lolos ; dadi nia kalan loron to- 



Op zekeren dag, misschien even voor 
zonsondergang, zei de prinses tot hare 
slavin, zij zouden beiden een kijkje gaan 
nemen over de zee ; en de slavin duwde 
de prinses naar beneden in het water; 
en zij zonk niet door tot op den bodem 
der zee, doch zij hield zich vast aan 
de kiel van de boot; daarop kwam 
een groote visch op haar af en pikte 
de twee oogappels der prinses uit. 

Toen ging de slavin in de hut van 
de prinses, stak zich in de kleeren 
van deze, wikkelde zich daar vast in 
en ging toen slapen op het bed der 
prinses. 

Toen het avond geworden en de tijd 
van eten gekomen was, beval de prins de 
spijzen op te nemen en naar de prinses 
te brengen; dus bracht men bet eten en 
plaatste het op tafel; daarop beval zij 
(de slavin) dat de menschen naar buiten 
zouden gaan, dan zou zij eten ; want zij 
vreesde, als zij zou eten in veler bijzijn, 
haar gelaat te ontblooten, want haar ge- 
laat was zeer donker; zoo ging het dag en 
nacht steeds door, totdat de boot in het 
land van den prins was teruggekeerd. 

Zoodra de boot voor anker lag, lieten 
ze een kleine prauw neer om de prinses 
af te zetten ; doch het was geenszins 
de prinses, maar het was die slavin. 

Zij meenden dat het inderdaad de 
prinses was ; daarom begeleidden ze 
haar en vergezelden haar tot aan de 
woning van den vorst, en voerden haar 
een zeer schoon vertrek binnen ; en zij 



1) geen Tetum evenmin als het in den volgenden 
regel voorkomend woord „sampan"; zooals blijkt is hef 
een foutieve vorm van het Maleische „berlaboeh". 



48 

ba noboen dei, nia loko lolos te kalan bleef maar dag en nacht liggen, en 

loron nia na diak nohoen.— zij deed heel voornaam, want zij kreeg 

voortdurend steeds lekker eten. 

Mais ohm lioerai feto oan mouoe iha Maar de jeugdige prinses die in zee 

tasi laran sei moris nafati, mais niakan was gevallen, leefde nog, doch hare 

matan dele tian ; nia la naboesik ro hai oogen waren blind; zij liet de kiel van 

nee niakan kidoen ; hotoe nia rona ro de boot niet los ; en toen zij hoorde 

hai nee ros au ba rai henik, nia nanoin dat de boot over het zand schuurde, 

kala ro hai kona rai ; dadi nia nodi dacht zij, de boot heeft misschien grond 

ain lamas kokon rai ; hotoe nia netan geraakt ; daarom tastte zij eens met de 

nola fatoek bot ida iha tasi laran, ho- voeten naar den grond, en zij kwam in 

toe nia sae ba ohin fatoek nee, foin nia aanraking met een grooten steen in zee ; 

toen ba rai, hotoe lao nima-nimak dau- daarna klom ze op dien steen, en ging 

dau too rai mara kreis mota oan ida toen naar beneden op den bodem; daarna 

no fafoëk maar lolos ; dadi nia tama ging zij steeds door tot op het droge 

ba fafoëk laran nee, nia salaen lolos; dicht bij eene rivier, waar het gras zeer 

hotoe nia lamas fafoëk tahan nai na- dicht stond; zij ging dan verder in dat 

na dei. — gras en had grooten honger en zij be- 
tastte de blaadjes en at maar raak. 

Mais nia monoe ba tasi laran, nia Maar toen zij in zee viel, was zij 

kaboek tian; dadi nia too fafoëk laran reeds zwanger; zoo gebeurde het dat 

nee foin nia nahoris oan mane ida no zij, nadat ze binnen dat gras was ver- 

kfitoen *) ida iha baboton. zeild, een zoon ter wereld bracht met 

eene ster op zijn voorhoofd. 

Hotoe nia nahaan nia kan oan nodi En zij voedde haar kind alleen met 

fafoëk tahan dei ; dadi niakan oan bot grasblaadjes ; en haar kind groeide op 

nalao daudau too matas. tot een volwassen jongen. 

Hotoe ohin sia roewa fa tik nee la Nu was hun verblijf niet al te ver 

kedók resik nosi ohin lioerai mane nee van het huis des konings ; dus ging de 

niakan oema; dadi lioerai feto niakan zoon der prinses dagelijks spelen dicht 

oan mane loro-loron ba nakdioek kreis bij het vorstelijk verblijf; en als hij dan 

oema metan; hotoe nia nare bisi at toevallig waardeloos ijzer zag, raapte 

aroema nia foti Hboer; hotoe nia toe- hij het op en verzamelde het ; hij smeed- 

koe nalo ba kair; dadi kair nee tomak de het en maakte er een vischangel 

tia nia ba nili Hboer tali roha-rohan, van ; toen die vischangel klaar was, ging 

hotoe foin toetan moetoe daudau too hij stukjes touw oprapen en verzame- 

kair talin ida. len, en bond ze aaneen tot een vischlijn. 

1) = fitoen. 



49 



Hotoe nia foti nola kair talin nee, 
kesi ba kair isin niakan rohan ; hotoe 
tomak tia foin nia ba nakair naan tasi 
oa-oan nodi ba nia kan ina ba, nia 
rai nela baloe, baloe nodi lioe ba faan 
nodi nola bisi hai; te sia roewa nian 
hai sei la iha dauk ; hotoe nodi nola 
teni sasauan be atoe tein siakan han ba. 
Dadi nia sosa notoe tia, nia fila nikar 
ba niakan ina iha moat laran ba. 



Nia too ba nia rai nela bahoak hirak 
nee; hotoe nia lao lioe ba boeka f'atoe 
koeak be sia roewa atoe toer ba. Dadi 
nia ba, netan nola fatoe koeak bot 
ida ; nia namos tia, foin nia fila nikar 
ba niakan ina ba, foti siakan sasanan 
no sian naan tasi nodi ba nikar iha 
fatoe koeak ba, rai nela tia ; hotoe fila 
nikar mai nakeloe nola niakan ina ba 
iha ohin fatoe koeak nee, hotoe nia 
nasoe naan tasi nee, sia roewa na. 



Hotoe nola sawan nia ba nakair 
nikar iha tasi ba ; nia fila nikar mai 
nodi naan wain lolos. Hotoe nia nodi 
baloe lioe ba faan ba erna soi nodi 
nola moerak; hotoe foin sosa nikar tais 
kabaas no daun. Dadi nia sosa notoe 
tia nia nodi bahoak hirak nee ba nia 
kan ina iha fatoe koeak ba; mais nia 
la bele lita te niakan matan sei at nafati. 
Dadi nia kan oan nee nanoin, haoe ina 
niakan matan foean kala sei iha naan 
kaboen laran nafati. Hotoe nia terik 
ba nian ina: „Haoe ba sosa kokon 
Verhandelingen Bat. Gen. Dl. LXI. 2e stuk. 



Daarna nam hij die visehlijn, bond 
ze aan den haak; toen het klaar was 
ging hij hengelen en vischjes vangen, 
en bracht ze naar zijne moeder; een 
gedeelte liet hij daar, een ander gedeelte 
ging hij verkoopen om zoodoende een 
vuurslag te koopen ; want zij hadden 
nog geen vunr; verder kocht hij daar- 
mee een kookpot om hun eten te koken. 
Toen hij met koopen klaar was, ging 
hij weer naar zijne moeder in de wil- 
dernis. 

Toen hij daar was aangekomen, liet 
hij al die verschillende dingen daar, 
en ging daarna verder door om eene 
rotsholte te zoeken waarin zij dan sa- 
men zouden wonen. En op zijn tocht 
ontdekte hij eene groote ruimte in de 
rots; nadat hij die had schoon gemaakt, 
keerde hij naar zijne moeder terug, nam 
hun kookpot en de visck, bracht een 
en ander in die grot en liet het daar; 
daarna keerde hij terug, begeleidde 
zijne moeder naar de grot, en nadat hij 
visch gekookt had, aten zij te samen. 

Den volgenden morgen ging hij weer 
in zee hengelen ; hij keerde met zeer 
veel visch terug. Daarna nam hij daar- 
van een gedeelte en ging dat verkoo- 
pen aan rijke menschen, nam er geld 
voor, en kocht toen weer mooie stof 
en naalden. Toen hij dat gekocht had, 
bracht hij al dat goed naar zijne moe- 
der in de grot; doch deze kon niet 
naaien, want hare oogen waren nog 
steeds blind. Haar jongen dacht nu, 
misschien zijn moeder's oogappels nog 
in den buik van den visch. En hij 

i 



r 



O 



kair isin bot ida no kair talin be zeide tot zijne moeder: „Ik zal eens 
kodi kakair kokon ohin naan bot; een gvooten vischangel gaan koopen, 
te kala o kan raatan sei iha naan en een lijn om er dien grooten visch 
kaboen laran". mee trachten te vangen ; want misschien 

zijn uwe oogeu nog in den buik van 

den visch". 
Nia terik noeoenee hotoe, nia ba Toen hij dat gezegd had, ging hij 

boeka ai bot ida ; nia toi nalo bero een dikken boom zoeken ; hij holde dien 
ida; hotoe bero nee tomak tia, nia nalo uit en maakte eene vlerkprauw; toen 
boekae etoe no naan kei wain, te nia die klaar was maakte hij nogal veel 
atoe lao kedok nodi boeka ohin naan eten klaar, rijst en visch voor de reis, 
bot, na niakan ina matan nee. want hij zou ver op reis gaan om dien 

grooten visch te zoeken, die de oogen 

zijner moeder had opgegeten. 
Hotoe sasa tok bele tia, nia dada Toen dan alles gereed was sleepte 
bero toen ba tasi, hotoe nia hean nodi hij de prauw naar zee, en roeide naar 
ba lor metan; daudau too loron nen het zwarte diep; het duurde zes dagen, 
foin nia nakair ohin naan bot na nian vooraleer hij dien visch die de beide 
ina nian matan foean roewa nee ; hotoe oogappels zijner moeder had opgegeten, 
naan bot nee firi nia kei oras bot ida, aan den hengel kreeg; en de groote 
foin naan bot nee kole tian, foin nia visch sleepte hem een geruimen tijd 
took noo tia. mee, tot dat hij vermoeid was ; en toen 

sloeg hij hem dood. 
Hotoe nia nanoin, atoe ka l ) noeoesa Toen dacht hij, hoe zal ik het aan- 
foin atoe kodi naan nee ba kikar haoe leggen, om met dien visch naar mijne 
ina ba ; dadi nia nanoin kei oras ida moeder terug te keeren ; hij dacht 
noeoenee, nia firi ohin naan nee mai, daarover een poosje na, waarna hij den 
nia kesi rabat ba b'ero nia kan liman visch naar zich toe trok, en hem aan 
foin nia hean nodi fila nikar ba tasi een der uitleggers van de prauw vast- 
rat ba. Dadi nia toen tian ba tasi rat, bond ; daarna roeide hij naar het strand 
nia natioe ohin naan bot nee nodi ba terug. Toen hij op het strand was ge- 
nia kan ina iha fatoe koeak ba; hotoe komen, droeg hij den visch en bracht 
nia saki naan nee nian kaboen, foin hem naar zijne moeder in de grot; 
nia netan nikar niakan ina nian matan daarna sneed hij den buik van den 
foean roewa sei diak nafati iha naan visch open, en vond daarin de twee 
kaboen nee. oogappels zijner moeder nog in goeden 

staat. 



1) verkorting van kalo. 



51 

Dadi nia foti nola tia, nia terik ba Hij nain ze en zei tot zijne moeder: 

niau ina: „A ina! okan matan foean „0 moeder! hier zijn nu uwe beide 

roewa mak nee sa". oogappels". 

Hotoe nian ina naak: „Aoa!o, haoe Daarop zei de moeder: ,,0 kind, gij, 

katene, o madomi haoe lolos, foin o ba ik weet het, gij bekommert u ten zeer- 

boeka haoe kan matan nee". ste om mij, en dus gingt gij mijne 

oogen zoeken". 

Hotoe nia oan terik: „Ina, o kaer Daarop zei haar jongen: „Moeder, 

hein okan matan nee; haoe sei ba sosa neem maar vast uwe oogen; ik ga nog 

ai moroek atoe hodi hamos o kan ma- medicijn koopen om uwe twee oogap- 

tan foean roewa nee". Hotoe nian ina pels te reinigen". En zijne moeder zei : 

naak: „Soin". „Goed zoo". 

Hotoe nia ba sosa ohin ai moroek. Toen ging hij die medicijn koopen. 

Dadi nia nasoroe erna ida, nia noesoe: En hij ontmoette iemand en vroeg: „He 

„Hei beloe okan ai moroek hodi ha- vriend, hebt gij medicijn om iemands 

mos erna matan at iha ka lale?" zieke oogen te reinigen of niet?" 

Hotoe erna terik: „Ai moroek nee te De man zeide: „Van die medicijn 

wain lolos, mais botir ida baloen ida"; is er zeer veel, maar eene flesch kost 

hotoe lioerai oan nee terik: „Botir bot een halven gulden"; toen zei de jonge 

ka lale?" Erna nee terik: „Botir bot", prins: „Eene groote of niet?" De man 

Hotoe lioerai oan terik : „Tone ita roewa zei: „Eene groote flesch". Daarop zei 

ba hola ohin ai moroek nee"; dadi sia de prins: „Vooruit, wij gaan die medi- 

roewa ba. cijn halen"; dus gingen zij beiden. 

Lioerai oan nola tia botir bot ida De prins kocht eene groote flesch en 

hotoe fila nikar ba niakan ina ba. Dadi keerde terug naar zijne moeder. Toen 

too ba tia nia nola nian ina nian matan hij nu was teruggekeerd nam hij de 

foean roewa nee, nodi ohrn ai moroek twee oogappels zijner moeder, wiesch 

fasi nalo mos tia, hotoe tau kokon ba en reinigde ze met die medicijn, en 

nian ina niakan matan; hotoe niakan plaatste ze in de oogen zijner moeder; 

ina terik: „O fasi teni oda lai, te sei toen zei de moeder: „Wasch ze eerst 

malahoek oan oda"; hotoe nia oan nola nog eens even, want ze zijn nog een 

teni nodi ba fasi teni, nalo mos dia- weinig dof; haar jongen nam ze weer 

diak tia, nodi ba fo nikar ba nian ina en ging ze weer wasschen, maakte ze 

nodi terik: „Mos tia ka sei ina?" heel zuiver, keerde terug er gaf ze aan 

zijne moeder zeggende: „Zijn ze zuiver 
of nog niet, moeder?" 

Hotoe nian ina terik: „Nee te mos En zijne moeder zei: „He ja, zij 

lolos"; hotoe nia nalo kmeti nikar zijn heel zuiver", daarna zette hij ze 



52 

noeoedar ema warak an matan dei", weer vast, zooals de oogen der andere 

menschen. 
Dadi noeoenee nia inos bele lita sia Zoo doende kon zij ook hun beider 
roewa nian faroe teni faroe ain fo ba baadjes naaien en eene broek die zij 
niakan oan tau. haar jongen gaf te dragen. 

Dala ida ema rai nee nian foetoe Eens hielden de menschen van dat 
manoe; nai mos ba nalikoe ema foetoe land zich bezig met een hanengevecht; 
manoe nee; ema lear lolos. Hotoe de koning ging ook kijken naar de 
la kleoer lioerai oan mai no atoe menschen die het hanengevecht hiel- 
nalikoe ema foetoe manoe; nia mai den; er waren zeer veel menschen. Het 
nia foetoe natos niakan baboton te duurde niet lang, of de prins kwam 
no kfitoen ida, be ema keta nare; ook om er naar te kijken; toen hij 
hotoe nia kaer nola manoe aman oan er heen ging bond hij den hoofddoek 
ida foetoe no ema nian aman bot ida. om zijn voorhoofd, want daar was eene 
Hotoe lioerai oan terikbaema; „Taroe ster, opdat de menschen die niet zou- 
oa-oan dei, te haoen taroe la wain". den zien ; daarop nam hij een kleinen 

haan, en liet dezen vechten met iemand's 
grooten haan. Toen zei de prins tot 
dien man : „Zet er maar een kleinen 
prijs op, want mijn inzet is niet groot". 
Hotoe ema nee naak: „iSoin". En de man zei: ,,Goed". 

Dadi sia foetoe tia, lioerai oan menaan; En nu lieten zij de hanen vechten, 

dadi nia naksokè; nia naksokè nian lisoe en de prins overwon; daarom ging hij 
nakasoe tia iha oeloen; dadi nai nare aan het dansen; terwijl hij danstte, 
lawarik nee niakan baboton no kfitoen ging zijn hoofddoek van het hoofd los; 
ida; dadi nai boloe nia terik: „Awan zoodoende zag de koning dat die jon- 
o miste mai iha haoe kan oema; ita gen eene ster op het voorhoofd had; 
atoe halo dahoer oan ida". dus riep de koning hem en zei: „Mor- 

gen moet gij naar mijn huis komen, 
wij zullen een feestje houden". 
Hotoe lioerai oan nee terik: „Hèè En de prins zei: „Ja koning! ik 
nai! haoe ata katauk mai iha Itakan slaaf vrees in uw huis te komen"; 
oema"; hotoe nai terik: „Awan o miste de koning zei: „Morgen moet gij en 
mai mo no okan ina iha oema metan"; ook uwe moeder in het zwarte huis 
hotoe lioerai oan terik ba nai: „Soin komen"; en de prins zei aan den ko- 
nai, awan sawan haoe ata lei mai"; ning: „Goed o koning, morgen voor- 
hotoe nai naak : ,,?oin". middag zal uw dienaar komen"; en de 

koning zei: „Goed". 



53 

Hotoe nola sawan lioerai oan nee Den volgenden morgen zei de prins 

terik ba niakan ina: ,,Kaloe ita roewa tot zijne moeder: ,,Als wij beiden naar 

ba iha nai niakan oema, o nonok, haoe het huis van den koning gaan, zwijg 

mak lei ko nai lia ; o la bele lake u dan, ik zal met den koning spreken ; 

iboen"; terik hotoe tia noeoenee, sia u mag den mond niet openen"; na dat 

roewa lao. Sia roewa too ba tia, nai gezegd te hebben, gingen zij beiden 

nee sai saka boloe sia roewa atoe tama op weg. Toen zij daar aankwamen, 

oema laran ba. Nai nalo sia toer ba ging de koning hen te gemoet, en riep 

kadera, hotoe ba terik ba atan sia miste hen binnen te komen. De koning liet 

babilaii han lailais, ,,te haoe atoe ko hen op stoelen plaats nemen, en ging 

erna roewa nee ka moetoe". toen aan de slaven zeggen, dat zij 

spoedig eten zouden klaar maken, 
,,want ik zal met die twee menseken 
meeeten". 
Ata sia babilan notoe tia, sia sika Toen de slaven er mee gereed waren 

nodi mai. namen zij het, en brachten het. 

Hotoe sia na too klaran noeoenee Toen zij nu met het eten zoo half 

ohm lioerai oan terik lia hori oeloek klaar waren, sprak de jonge prins met 

nian ba Nai. den koning over zaken van vroeger. 
Hotoe Nai naak: ,.Soin", hotoe nia En de koning zei: „Goed"; daarop 

terik: ,,Dala ida lioerai feto ida nosi sprak hij: „Er was eens eene prinses 

rai seloek noi loekoe iha mota laran ; uit een ander rijk, die in de rivier 

hotoe lioerai mane ida mak kohi nola heur haar wiesch; en een prins lichtte 

tia no atan feto ida; hotoe ohin lioe- haar op tegelijk met eene slavin; en 

rai nee nasae tia sia roewa ba ro hai de prins liet haar beiden op een boot 

laran, hotoe nia nafe tia ohin lioerai plaats nemen; daarna nam hij die prin- 

feto nee. ses tot zijne echtgenoote. 

Hotoe ba oras loraik kaloe loro laka Op een avond even voor zonsonder- 

noeoenee, ohin lioerai feto nee no niakan gang verliet de prinses met hare slavin 

atan sai hori siakan fatik mai atoe hare plaats om de zee te zien ; en 

uanae tasi; dadi ata feto nee nawan de slavin werd boos, duwde de echt- 

sae; nia doedoe honoe tia lioerai mane genoote van den prins naar beneden, 

niakan fen. Hotoe ohin ata feto nee Daarop ging die slavin naar binnen, 

tama ba, seloek au tia ba lioerai feto stak zich in de kleeren der prinses, en 

nee nian tais, hotoe toba ba nai feto legde zich neer op het bed der prinses ; 

nia kan toba fatin ; mais lioerai feto doch de prinses die naar beneden was 

monoe toen ba, kaer natos ba ro ki- gevallen, hield zich vast aan de kiel 

doen daudau too lioerai mane niakan tot ze kwamen aan het land van den 



54 

rain, foin nia naboesik tia ro nee; prins; toen liet ze die boot los; daarop 
hotoe lamas boeka rai daudau too rai tastte zij naar grond tot op bet drooge ; 
cuara ba; too ba tia nia nahoris oan toen zij daar was aangekomen beviel 
mane ida kfitoen iba baboton". zij van een zoon niet eene ster op het 

voorhoofd". 

Hotoe nai nee nanoin kona tia, naak: En de koning herinnerde het zich 
,,Neete kala haoekan fen no haoe kan en sprak: „Deze is wellicht mijne vrouw 
oan; la oras nai nakat *) ba nakoak en deze mijn zoon"; terstond schx-eed de 
niakan fen no nian oan; hotoe sia koning naar hen toe, omarmde zijne 
toloe nee tanis. echtgenoote en zijn zoon, en alle drie 

weenden. 

Sia tanis hotoe tia, nai naroeka erna Nadat zij geweend hadden, beval de 

ata sia ba boloe dato sia no erna renoe koning dat de slaven de hoofden en de 
atoe mai liboer an be atoe hoo ohin onderdanen zouden gaan bijeen roepen 
ata feto nee. om die slavin te dooden. 

Hotoe dato sia liboer an tia, sia na- Toen de hoofden waren bijeen geko- 
roeka ema tama ba kohi ohin ata feto men gaven zij aan sommigen last naar 
nee ; dadi ema too ba atoe kaer nia, binnen te gaan en de slavin te grij- 
nia kakaoer: ,,Keta kohi haoe te haoe pen; en toen die menschen daar waren 
matan natauk roman"; bè ema nee aangekomen en haar wilden grijpen, 
sia terik: ,,Soin o kan matan natauk schreeuwde zij: „Neemt mij niet gevan- 
roman ka la natauk, ami kohi o loekoe gen want mijne oogen kunnen het licht 
dei; hotoe nia kakaoer nima-nimak dan- niet verdragen"; doch die menschen 
dau too oda matan mai. zeiden: „Goed, of uwe oogen het licht 

kunnen verdragen of niet, wij nemen 
u toch gevangen"; daarop schreeuwde 
zij voortdurend tot aan de deur toe. 

Hotoe ema loke nokbit niakan oin Toen ontblootten zij met geweld haar 

foin ema nare niakan oin metan lolos gelaat en zagen de menschen dat haar 
teni niakan foeoek molik. gelaat zeer zwart en haar hoofd kaal was. 

Dadi nai naroeka ema atoe hodi nia En de koning gelastte dat zij haar 

ba kesi ba krau nian knokar, kesi halo aan de poort van den karbouwenstal 
no roa-roa liman. Dadi noeoenee ema zouden vastbiuden met uitgerekte ar- 
nioe nodi krau mai atoe hatama ba men. En zoo gebeurde het dat, toen 
ohin laloeau nee, krau nadoeroe nalo de menschen de karbouwen den stal 
ohin ata feto nakles nalo ba roewa tia. binnendreven, de karbouwen tegen haar 

aanliepen en haar in tweeën deelden. 

1) onbep. wijs hakat; in de wdlijst hakkat. 



55 

14. 
Don Joan. Don Joan. 



Iha rai ida Nai ida no nia kan feu. In een land woonde een koning met 

Sia roewa niti oan mane ida naran zijne gemalin. Zij schonken het leven 
don Joan. aan een zoon die den naam ontving 

van don Joan. 
Iha rai nee erna ida at basoek ; dadi In dat land was een zeer kwaadaar- 
noeoenee Nai naak ba niakan dato sia: dig man; daarom zei de koning tot de 
„Erui atoe kohi erna at nee, hotoe hoofden: „Gij moet dien slechten man 
hatama nia ba oema koekoen"; dadi gevangen nemen, en hem in de gevan- 
noeoenee dato sia naroeka ajanti sia genis zetten"; dientengevolge gaven de 
hodi nai niakan mamfatin katak soera hoofden last aan de omroepers om het 
erna tasi erna foho atoe kohi erna at bevel des konings over te brengen en 
ida nee. La kleoer erna kohi nia; hotoe aan allen, zoo strand- als bergbewoners 
sia no nia mai iha nai niakan oin ; mee te deelen, dat zij dien slechten 
hotoe nai naroeka erna foetoe nia ha- man zouden vangen. Niet lang daarna 
tama kedan ba oema koekoen ; hotoe vingen zij hem en brachtten hem voor 
nai fo baudoe kedan, erna dato erna het aangezicht des konings; en de 
renoe matas lawarik atoe rona bele : koning beval de menschen hem te 
„Se mak nasai ema nee haoe atoe hoo binden en hem terstond in de gevan- 
kedau nia, hotoe nia kan aten haoe genis te zetten; daarna vaardigde 
atoe ha. de koning terstond een verbod uit, 

hoofden en onderdanen, grooten en 

kleinen allen zouden het hooren : „Hij 

die dien man zal uitlaten, dien zal 

ik onmiddelijk dooden, en zijne lever 

zal ik eten". 

Ba loron ida don Joan no lawarik Op zekeren dag speelden don .Joan 

sia nakdioek kaleik iha oema koekoen en de kinderen met de werpschijf vóór 

oin; dadi noeoenee don Joan tiroe ka- de gevangenis; zoodoende gebeurde het 

leik ida kati tama oema koekoen laran ; dat de werpschijf die don Joan had 

hotoe nia atoe tama hola kaleik nee; geworpen, opsprong en in de gevau- 

mais ohin ema nee terik ba don Joan : geuis terecht kwam; toen wilde hij daar 

„0 lok e bodik oda matan ba haoe, binnengaan om de werpschijf te halen ; 

haoe atoe fo o kan kaleik; kaloe o la maar die man zei tot don Joan: .Als 

loke, haoe la fo o kan kaleik; hotoe gij de deur voor mij opendoet, zal ik 

don Joan nauoin; la oras ohin ema nee uwe werpschijf geven; doet gij echter 



56 



terik : ,,0 keta niatauk, haoe atoe halo 
diak o; soerak Ita atoe loke bodik oda 
matan ba haoe". 



Hotoe don Joan terik: ,,Keta, te 
haoekan ama krakat ; hori haoekan ama 
naroeka erna kohi o nee, nia terik kedan 
ba erna hotoe-hotoe, se mak nasai o, 
nia atoe noo kedan ; dadi noeoenee erna 
hotoe-hotoe natauk bele; hotoe noeoesa 
mak o atoe haroeka haoe loke bodik 
odamatan ?" 

Hotoe ohin erna nee terik : „Ita keta 
hatauk ; too ikoes haoe atoe kalo diak 
Ita". 

Hotoe don Joan loke odamatan, nia 
sai. 

Ba loron ida nai atoe ba hare ohin 
erna nee; hotoe nai too iha neeba, nia 
nare ba te la ihan tian ; nia nalai tian. 
Hotoe nai basa ba hiroes nodi terik : 
„Ha! se mak nasai erna nee?" 



Hotoe nai fila nikar. mai iha'oema; 
la oras nia noesoe ba nia kan klosan 
sia: ,,Emi keta hare se mak loke oda- 
matan oema koekoen nee; te erna nee 
nalai sai tian"; hotoe klosan sia terik : 
Ami ata la hare nai". 

Hotoe nai terik: ,,Emi atoe ba kaer 
dato sia ho mai". Hotoe dato sia mai 
tian, nai terik: „Ema at nee nalai 
tian ; dadi noeoenee emi atoe halo re- 
noe sia haksoedik bele iha nee ; masik 



niet open dan geeft ik ze niet"; en don 
Joan dacht na; terstond daarna zei die 
man : „Vrees niet: ik zal u goed behan- 
delen ; als gij maar de deur voor mij 
wilt openmaken". 

Daarop zei don Joan : „Neen, want 
dan is mijn vader boos ; laatst 
toen mijn vader de menschen beval 
jou te vangen, deed hij meteen 
aan allen weten, dat hij terstond 
dengene zou dooden, die jou uitliet; 
daarom zijn allen bang, en hoe wil 
jij mij dan gelasten om de deur te 
openen?" 

Toen zei die man: „U moet niet 
vreezen ; later zal ik U gelukkig ma- 
ken". 

Daarna deed don Joan de deur open, 
en hij ging er uit. 

Op zekeren dag wilde de koning eens 
naar dien man gaan kijken ; toen de 
koning daar was aangekomen, zag hij, 
dat hij er niet meer was; hij was ont- 
vlucht. Toen sloeg de koning op de 
borst en zeide : „Ha ! wie heeft dien 
man uitgelaten?" 

Daarna keerde hij naar huis terug; 
terstond vroeg hij aan zijne slaven: 
„Julie hebt misschien gezien, wie de 
deur der gevangenis geopend heeft, 
want die man is gevlucht"; en de slaven 
zeiden: „Wij slaven hebben het niet 
gezien, o koning". 

Toen zei de koning: „Julie moet 
de hoofden gaan waarschuwen en met 
hen hier komen". Toen de hoofden 
gekomen waren, zeide de koning: „Die 
slechte man is ontvlucht; daarom zult 



57 

katoeas ferik lawarik atoe haksoedik gij alle onderdanen hier bij een doen 
bele iha nee". komen; al zijn ze reeds bejaard, oude 

mannen en vrouwen en kinderen moe- 
ten allen bier samenkomen". 
Hotoe erna renoe sia naksoedik tia Toen alle onderdanen waren bijeen- 

bele, t nai terik ba sia: „Erna at nee gekomen, zeide de koning tot ben: „Die 
nalai tian; mais ita la batene se mak slechte man is weggeloopen ; doch wij 
loke odamatan nee; mais baoe kare weten niet wie de deur geopend heeft; 
tian erna ida niakan leoet iha odamatan maar bij de deur heb ik het voet- 
nee; dadi noeoenee emi renoe kiik bot spoor van een mensch gezien; en dus, 
haksoedik tian, ita atoe ba soekat se nu gij allen klein en groot hier ver- 
niakan leoet nee". zameld zijt, zullen wij gaan meten wiens 

voetspoor dat is". 
Dadi noeoenee erna renoe hotoe-hotoe Bijgevolg gingen alle onderdanen 
ba soekat ohin leoet nee ; mais erna dat voetspoor meten ; maar het kwam 
soekat ohin leoet nee, la boeli; hotoe niet overeen met degenen die geme- 
nai terik ba klosan sia: „Emi ba boloe ten hadden; toen zei de koning tot 
don Joan ho mai". Hotoe don Joan de dienaren: „Gaat don Joan roepen 
mai tia, Nai terik: „0 atoe soekat kokon en brengt hem hier". Zoodra don 
leoet nee"; hotoe don Joan mos soekat; Joan gekomen was, zeide de koning: 
nia tau nia kan ain ba, no boeli. „Ga eens dat voetspoor meten"; en 

Joan mat; hij zette er zijn voet op, 
en het pastte. 
Hotoe Nai terik: „Haoe atoe koo o Toen zei de koning: „Ik zal je maar 

dei". dooden". 

Dadi don Joan tanis ; masik nia En don Joan huilde; ofschoon hij huil- 

tanis Nai terik atoe hoo dei. Nai na- de, zei de koning hem toch te zullen 
roeka erna meo ida atoe ba hoo nia duoden. De koning gelastte een voor- 
iha moat laran. Hotoe Nai fo niakan vechter hem in de wildernis te gaan 
faroe ain, kaso, soerik no niakan sapeo dooden. Toen gaf de koning aan don 
no teni ata ida naran Thomas ba don Joan diens broek, en schoenen, en sabel 
Joean; nia atoe lao ona, niakan ina en hoed alsmede een slaaf Thomas ge- 
tanis, masik nia ina tanis toeir noeoenee, naamd; toen hij op het punt stond te 
ba hoo dei. vertrekken, huilde zijne moeder; of- 

schoon zijne moeder zoo om hem huilde, 
u'\n<r men hem toch terdood brengen. 

DO O 

Nai terik: ,,Malele tia lawarik at De koning zeide : „Ga weg jij slechte 
nee!" jongen!" 



58 

Hotoe don Joan no niakan atan Toen ging don Joan met zijn slaaf 
Thomas sia roewa lao. Hotoe Nai terik Thomas op weg. En de koning zeide 
ba ohin meo nee: „O atoe too iha tot dien voorvechter: ,,Als gij in de 
moat laran, o atoo hoo nia, hotoe koa wildernis zijt aangekomen, zult gij hem 
hasai niakan aten, haoe atoe ka". dooden, en dan zijne lever uitsnijden ; 

die zal ik eten". 

Meo nee no sia roewa lao ; too tia De voorvechter ging met hen beiden 

alas ida laran, meo nee nare kikit ida mee; toen ze in een bosch gekomen 
rani iha ai bot ida; hotoe meo nee waren, zag de voorvechter een roof- 
nanoin, haoe atoe koesi don Joan ka vogel in een dikken boom zitten; toen 
atoe koesi kikit nee? Diak lioe haoe dacht de voorvechter, zal ik don Joan 
koesi kikit nee. La oras nia noesi kikit schieten of dien roofvogel? Het is beter 
nee, hotoe sia koa hasai aten no foean ; dat ik den roofvogel schiet. Onmidde- 
meo nee terik: ,, Diak lioe ita seki kikit lijk daarna schoot hij den roofvogel, 
niakan aten no foean ; haoe atoe kodi en toen sneden zij de lever en het 
fo ba Nai; Nai noesoe, haoe terik, don hart uit; de voorvechter zei: „Het is 
Joan niakan aten mak nee". beter de lever en het hart van den 

roofvogel aan het spit te braden; ik 
zal een en ander meenemen en aan den 
koning geven ; als de koning vraagt, 
dan zeg ik, dit is de lever van don 
Joan". 

Hotoe sia tami hela maloe ; meo nee Toen zeiden zij elkaar vaarwel ; de 
fila nikar oema; don Joan no nia- voorvechter ging weer naar huis; don 
kan atan Thomas lao lioe dei; sia Joan en zijn slaaf gingen verder; zij 
lao loron roewa tomak. reisden twee volle dagen. 

Sia too iha mota ida, Thomas terik Toen zij aan eene rivier kwamen, 
ba don Joan: „Diak lioe ita roewa haris zeide Thomas tot don Joan: „Het zou 
oda ba nee"; don Joan terik: ,,Soin, te goed zijn als we hier even een bad na- 
ita lao kedok tian ; haoekan isin kador men"; don Joan zei : „Goed, want wij 
basoek". hebben al ver geloopen ; ik ben zeer 

vuil". 

Hotoe nia terik ba Thomas: „Ita Daarna zeide hij tot Thomas: „Wij 

roewa haris bele"; Thomas terik : „Nai, nemen beiden een bad"; Thomas zeide: 
Ita saoe oeloek kosar, hotoe lei haoe „Heer gelieve U eerst te baden, dan 
ata". zal ik uw dienaar (het na u doen)". 

Dadi don Joan tama haris. Thomas Dus ging don Joan in het bad. 

terik: „Ita Bot loekoe oda". Don Joan Thomas zeide: „Wasch even Uw hoofd- 



59 

mos loekoe; hotoe Thomas nola tia haar". En don Joan wiesch zijn hoofd- 
don Joan niakan faroe ain, kaso, soe- haar; toen nam Thomas de broek, de 
rik no niakan sapeo; Thomas tau. schoenen en den sabel van don Joan. 

alsook zijn hoed, dien hij opzette. 

Hotoe don Joan naris notoe tia, noe- Toen don Joan met baden klaar was, 

soe niakan faroe ain atoe seloek an; vroeg hij zijn broek om van kleeren 
dadi Thomas fo niakan heren ba don te wisselen; daarom gaf Thomas zijn 
Joan atoe seloek an; don Joan niakan heupdoek om te verwisselen; de broek 
faroe ain Thomas la uooek fo; masik van don Joan wilde Thomas niet terug 
don Joan noesoe, nia la fo dei. geven ; ofschoon don Joan er om vroeg, 

gaf hij ze toch niet. 

Dadi don Joan noeoedar ata ida; Zoodoende was don Joan gelijk aan 

hotoe Thomas terik ba don Joan; ,,0 een slaaf; en Thomas zeide tot don 
lao hosi haoe kan kotoek". Dadi don Joan: ,,Loop achter mij". Dus liep 
Joan mos lao toeir dei. Sia roewa lao don Joan achter hem. Terwijl zij zoo 
noeoenee, sia too iha rai ida; hotoe sia voortreisden, kwamen zij in een ze- 
nare nosi kedok, Nai no dato sia nabisi ker land ; en zij zageu van verre 
an iha oema oin, hotoe sia roewa lao den koning met de hoofden voor een 
soroek dei ; dadi sia too neeba tia, huis zitten ; zij gingen maar verder 
Nai noesoe: ,,Emi hosi neebe?" door, en toen zij daar waren aange- 

komen, vroeg de koning: „Van waar 
komt gij ?" 

,,Ami hosi rai kedok mai pasear". ,)Wij komen uit een ver land aan- 

Hotoe Nai noesoe teni: ,,0 kan naran gewandeld". Daarna vroeg de koning 
sa?" ,,Haoe naran don Thomas". ,,lda nog: „Hoe is uw naam?" „Mijn naam 
nee naran sa?" ,, Naran Joan, haoe is don Thomas". ,,En hoe heet deze!" 
kan atan". Nai terik: ,,Ita atoe toer". ,,Die heet Joan; dat is mijn slaaf". De 
Hotoe Thomas toer. ,,Itan atan Joan koning zeide: ,,Neem u plaats". Toen 
haoe karoeka nia ba iha dapor". Tho- nam Thomas plaats. ,,U\v slaat' Joan 
mas terik: ,,Soin". zal ik gelasten naar de keuken te gaan". 

Thomas zeide: ,,Goed". 

Dadi Thomas toer no ohin Nai nee, En zoo gebeurde het dat Thomas 

don Joan dadi bibi atan ; nia loro-loron met dien koning te samen woonde, en 
ba hein Nai nian bibi. don Joan schaapherder werd ; dagelijks 

ging hij op 's konings schapen passen. 

Ba loron ida Nai terik ba dato hotoe- Op zekeren dag zeide de koning tot 

hotoe: ,,Emi dato hotoe-hotoe rona, haoe alle hoofden: „Luistert gij allen, hoof- 
terik lia ida; se mak nola samea oeloen den, ik heb eene zaak te bespreken; 



60 



hitoe niakan nanaan, haoe atoe fo haoe 
kan oan feto, nia atoe kawin". 

Thomas terik: ,,H aoe bele". Nai 
terik: ,,Soerak emi hetan". 

Dadi noeoenee erna hotoe-hotoe ba 
boeka bele ; masik sia boeka loro-loron 
la hetan. 

Ba loron ida don Joan ba hein Nai 
niakan bibi iha alas ida laran, nia 
misan dei mak iha moat laran ; teki- 
tekis nia rona boeat ida namoe; dadi 
nia natauk; la oras erna ida boloe nia: 
„Joan, Joan! O malai ba sa? Haoe mak 
nee; oeloek an o sori haoe hosi okan 
ama nian liman laran; haoe katene tian, 
Nai terik ba erna hotoe-hotoe, se atoe noo 
samea oeloen hitoe, haoe atoe fo haoe- 
kan oan atoe kawin no nia; dadi haoe 
terik ba o, keta katauk ; soerak awan 
o atoe mai saka hikar haoe". 



Sia roewa nameno nela maloe. Nola 
sawan don Joan ba saka; don Joan 
too oeloek; la oras nia rona namoe 
mais nia la natauk ona. Erna nee mai 
tia noesoe ba don Joan: ,0 niakara 
sa?" Hotoe don Joan terik: „Noeoedar 
horsehik o terik nee". 



Hotoe nia fo kadeli bortoedi ! ) ba 
don Joan, fo natene kedan ba nia naak : 
,,0 atoe moesoe koeda anin ida, nia 



hij die de tong van de slang met zeven 
koppen zal weten te nemen, dien zal 
ik mijn dochter ten huwelijk geven". 

Thomas zeide : ,,Dat vermag ik". De 
koning zeide: „Als julie ze (de slang) 
maar weet te vinden". 

Das gingen alle menschen zoeken ; 
ofschoon zij dagelijks zochten, vonden 
zij ze niet. 

Op zekeren dag giug don Joan de 
schapen des konings hoeden in een 
bosch ; hij bevond zich alleen in de 
wildernis ; plotseling hoorde hij iets 
brommen, daarom was hij bevreesd; 
een oogenblik later riep iemand hem : 
„Joan, Joan, waarom loopt gij weg? 
Ik ben het; vroeger hebt gij mij 
uit de handen uws vaders gered ; ik 
weet reeds, dat de koning aan allen 
gezegd heeft, dat hij die de slang 
met zeven koppen zal dooden, dien zal 
ik mijne dochter ten huwelijk geven ; 
daarom zeg ik u, wees niet bang; 
als gij morgen maar weer hier bij me 
komt". 

Zij beloofden het aan elkaar bij het 
weggaan. Den volgenden morgen ging 
don Joan weer daar heen ; hij was er 
het eerst; een oogenblik later hoorde 
hij brommen, maar hij was niet meer 
bang. Toen de man gekomen was. vroeg 
hij aan don Joan: „ Wat verlangt ge?" 
Don Joan zeide: „Zooals gij gisteren 
gezegd hebt". 

Toen gaf hij een tooverring aan don 
Joan, en deed hem meteen weten: 
„Als gij een zeer snel loopend paard 



1) In de wdlijst:_bortoedoe. 



61 



atoe nasai ba o; o moesoe boeat oi- 
oik, nia atoe nasai dei". 



Hotoe ema nee natoedoe kedan sa- 
mea niakan oeinan iha hali bot ida; 
hotoe nia terik teni: ,,Samea atoe sobak 
o, o keta niatauk, o atoe koa hasai 
niakan nanaan ; niakan oeloen o atoe 
hahonoe toen". 

Erna nee nanoriu don Joan notoe 
tia lao nikar ona. Dadi don Joan atoe 
nalo toeir niakan lia. 

Rai loraik ona nia nioe Nai niakan 
bibi natama ba laloeau. Kalan don Joan 
toba, nanoin lia oi-oik ; dadi nia toba 
la doekoer. Rai hoen namoetik, nia 
nasai Nai niakan bibi nodi ba hein ; 
bibi hotoe-hotoe na bosoe tia, nia tae 
ba kadeli noesoe atoe nasai koeda anin 
ida no teni soerik ida ; hotoe nia nak- 
soit sae ba ohin koeda, nalo nalai 
kokon ; koeda nee lais basoek; dadi don 
Joan neon diak ; hotoe nia toen nikar, 
nia ba hioe bibi hotoe-hotoe halo hana- 
tar an iha ai hoen ida ; hotoe nia noesoe 
ba kadeli naak: „Masai faroe ain no 
kaso no teni sapeo". 



Hotoe nia sae koeda, ba iha ohin hali 
bot nee; too ba tia, nia foti sae matan, 
nare samea oeloen hitoe iha nee ; la 
oras nia natos ferreoe, koeda bara; 
hotoe nia losoe niakan soerik ; samea 
foin lolo nian oeloen, don Joan ta; la 



(letterl. een windpaard) zult vragen, 
zal hij (de tooverring) het voor u te 
voorschijn doen komen; als gij aller- 
hande dingen vraagt, zal hij ze ook 
voor den dag halen". 

Daarna toonde hij meteen het hol 
van de slang in een grooten wari- 
ngin boom; en hij zeide tevens: „Als 
de slang u wil bijten, vrees dan niet; 
gij zult zijne tong uitsnijden en zijn 
koppen naar benedeu werpen". 

Toen de man don Joan onderricht 
had, ging hij weer weg. En don Joan 
zou doen wat hij hem gezegd had. 

Toen het al avond werd, dreef hij 
de schapen des konings voort, en bracht 
ze den stal binnen. Toen hij 's nachts 
neerlag, dacht hij aan allerhande zaken ; 
daarom sliep hij ook niet. Bij de eerste 
schemering liet hij de schapen des ko- 
nings uit om ze te gaan hoeden ; toen 
alle schapen verzadigd waren, sloeg hij 
op den ring, en vroeg om een wind- 
paard en een zwaard te voorschijn te 
brengen; daarna sprong hij op dat paard 
en maakte een proefrit; het paard was 
zeer vlug; dus was don Joan blij; hij 
steeg weer af, dreef al de schapen bij- 
een en verzamelde ze bij een boom ; 
toen vroeg hij aan den ring zeggende : 
„Breng te voorschijn eene broek, schoe- 
nen en ook een hoed". 

Toen steeg hij te paard, en ging 
naar dien grooten waringinboom ; toen 
hij daar was aangekomen, hief hij de 
oogen op en zag daar de slang met 
zeven koppen ; onmiddelijk trok hij den 
tengel aan, en het paard stond stil ; 



♦32 



oras uia koa uasai nanaan, so'è oeloen 
toen. 



Mais Thomas uarik iha hali nee hoen ; 
don Joan ta nahonoe samea oeloen, 
Thomas foti liboer; nia la nare, se mak 
iha hali fafoehoen nee. Thomas terik: 
„Haoe sotir basoek"; hotoe la oras nia 
nodi natoedoe ba nai. Hotoe Nai terik : 
„Soin, o atoe inola haoe kan oau". 

Dadi noeoenee Thomas neon diak 
basoek. Nai terik: „Haoe sei fo hatene 
ba Nailoelik atoe fo hatene dala toloe 
iha gredja laran, erna atoe rona bele". 



Thomas terik: „Los Ita dei". Hotoe 
Nai mos katak ba Nailoelik; Nailoelik 
fo natene dala toloe iha gredja laran. 

Dadi atoe ka win ona; erna hotoe- 
hotoe ba haklaok Nai feto no Thomas 
ba Gredja atoe kawin. Dadi sia too iha 
neeba tian, teki-tekis ohin ema at mai 
harik iha gredja nian odamatan nodi 
terik: „Emi keta lai fo kawin, haoe 
sei koesoe lia ida; se mak nola samea 
niakan oeloen ?" 



Hotoe Nai terik: „Thomas mak nola". 



„Hotoe niakan nanaan iha neebe?" 

Nai terik: „La iha". 

Hotoe ohin ema nee terik: „Kaloe 
ema nola samea oeloen, niakan nanaan 
iha no". 



daarna trok hij zijn zwaard ; nauwlijks 
rekte de slang haar koppen uit of Joan 
sloeg ze af; terstond sneed hij de tongen 
uit, en wierp de koppen naar beneden. 

Maar Thomas stond aan den voet 
van dien waringinboom ; toen don Joan 
de koppeu afsloeg en naar beneden wierp, 
raapte Thomas ze bijeen ; hij zag niet, 
wie daarboven in den boom was. Thomas 
zeide: „Ik heb groot geluk"; daarna 
ging hij terstond (met die koppen) naar 
den koning om ze te laten zien. 

En de koning zeide: „Goed, gij zult 
mijne dochter nemen". Das was Thomas 
uitermate blij. De koning zei: „Ik zal 
het nog aan den pastoor laten weten 
om het drie maal in de kerk af te kon- 
digen, opdat allen het hooren". 

Thomas zei: „Zooals U wil". En de 
koning zei het dan ook aan den pas- 
toor ; de pastoor kondigde het drie maal 
af in de kerk. 

Das het huwelijk zou plaatshebben; 
allen gingen de prinses en Thomas 
naar de kerk begeleiden om het huwe- 
lijk te sluiten. Toen zij daar waren 
kwam plotseling die kwade man bij de 
deur van de kerk staan en zeide : „Laat 
het huwelijk nog niet doorgaan; ik heb 
nog iets te vragen ; wie heeft de kop- 
pen van de slang genomen?" 

En de koning zeide: „Thomas heeft 
ze genomen". 

„En waar zijn de tongen?" 

De Koning zeide: „Die zijn er niet". 

Toen zei die man: „Als iemand den 
kop van een slang neemt, dan is de 
tong er ook". 



63 



Nia terik noeoenee erna hotoe-hotoe 
nainoto tia bele ; hotoe nia terik soroek 
nakè: „Emi atoe rona lai ; don Joan 
mak nola samea niakan nanaan foin 
nia so'è oeloen ; Thomas ba foti ; dadi 
noeoenee Thomas la bele nola Nai nia- 
kan oan, mais don Joan atoe nola". 

Thomas mo'è au iha erna rai-rain 
oin. La oras don Joan nola samea 
niakan nanaan nodi natoedoe ba Nai. 
Hotoe don Joan kawin no Nai niakan 
oan. 

Don Joan nalo dahoer loron hitoe 
kalan hitoe. 

Erna lo'è notoe tia bele, don Joan 
nasara lia hotoe-hotoe ba Nai : „Oeloek 
an Thomas nasoesar haoe iha dalan ; 
nia nadau nauik haoe kan faroe ain 
no kaso iha dalan ; hotoe nia katak ba 
[ta, haoe nee niakan atan ; mais Tho- 
mas nee haoe kan atan bisik". 

Hotoe don Joan naroeka erna foetoe 
Thomas toda hasai niakan faroe ain, 
hotoe fo tais at ida ba nia kabala; 
hotoe don Joan mos naroeka Thomas 
hein bibi. 

Hotoe. 



Terwijl hij zoo sprak, zwegen allen ; 
toen sprak hij verder en zeide : „Luis- 
tert eens; don Joan heeft de tongen 
van de slang genomen, en daarna de 
koppen weggeworpen ; Thomas ging die 
opuemen; dus mag Thomas 's konings 
dochter niet nemen, maar don Joan zal 
haar nemen". 

Thomas werd beschaamd in het bij- 
zijn der vele menschen. Terstond nam 
don Joan de tongen der slang en toonde 
ze aan den koning. Toen huwde don 
Joan de dochter des Konings. 

Don Joan hield feest zeven dagen 
en zeven nachten. 

Toen de menschen vertrokken waren, 
deelde don Joan alles aau den koning 
mee: „ Vroeger heeft Thomas mij on- 
derweg leed gedaan; hij ontnam mij 
onderweg mijne broek en schoenen; 
daarna zeide hij U, dat ik zijn slaaf was; 
maar deze Thomas is zelf mijn slaaf". 

Toen gelastte don Joan dat ze Tho- 
mas zouden binden, hem de broek zou- 
den uittrekken, en hem een versleten 
kleed zouden geven om te dragen ; 
daarna beval don Joan ook dat Thomas 
op de schapen zou passen. 

Einde. 



Lawarik ida naran 
Mau Loha. 



15. 



Een jongen genaamd 
Mau Loha. 



Katoeas ida no ferik ida nifci oan Een oude man en eene oude vrouw 

mane ida naran Mau Loha. Nian ina schonken het leven aan een zoon ge- 

ama nadomi nia basoek, tan oan mane naamd Mau Loha. Zijne ouders belian- 

misak. Masik nia nai na-nalo dei nian delden hem zeer zacht, omdat hij hun 



64 






ina ama la krakat la tae, tan sia na- 
noiu basoek oan nee. 



Ba loron ida Man Loha terik ba nian 
ama: ,,Atna ita kan oema nee koeak 
ona ; diak lioe ita roewa sor hadia hikar"; 
hotoe nian ama terik: ,,Soin". 

Dadi sia roewa soboe sian oema; 
nola awan sia ba saki tali ; saki too 
wain tia, sia roewa loi nodi ba oema; 
hotoe Mau Loha atoe loi no, mais nian 
ama terik : ,,0 keta loi, te o ina dean 
haoe". 

Hotoe Mau Loha terik: ,,Soin ama". 

Hotoe nian ama loi, nia lao toeir 
dei; dadi nian ama loi wain tia, hela 
misa foetoen ida ; hotoe Mau Loha terik 
ba nia: „Ama haoe ba oeloek, kein 
ama iha neeba"; nian ama terik; ,,Soin". 



Bè Mau Loha atoe bosok nian ama ; 
nia ba oeloek tia, nia natama an 
ba ohin tali foetoen laran ; hotoe nian 
ama too neeba tia, boloe ; Mau Loha 
la nata; hotoe nian ama nanoin nia 
kala ba tian ; dadi nia foti tali foe- 
toen nee atoe nodi ba oema; nia foin 
tau ba baas, nia noran todan ; dadi nia 
natioe tali foetoen nee lao la kedok 
nanawa tan foetoen nee todan ; hotoe 
nia natioe loekoe dei masik todan ; nia 
natioe too oema ba foin atoe titak, la 
oras Mau Loha kakaoer: „Ama, ama! 
titak nainaik, te haoe"; hotoe niakan 



eenige zoon was. Ofschoon hij van alles 
uithaalde, werden zijne ouders niet 
boos, omdat zij voor dien jongen zeer 
bezorgd waren. 

Op zekeren dag zei Mau Loha tot zijn 
vader : ,, Vader ons dak hier heeft gaten ; 
't zou goed zijn als wij het herstelden 
en opnieuw dekten"; en zijn vader 
zei: „Goed". 

Dus namen ze de oude bedekking 
af; den volgenden dag gingen zij sago- 
blaren kappen; toen zij er reeds veel 
gekapt hadden, brachtten zij ze naar 
huis ; en Mau Loha wilde ook dragen, 
doch zijn vader zei : „Jij moet niet dra- 
gen, want dan kijft uw moeder op mij". 

En Mau Loha zei: „Goed vader". 

Toen bracht zijn vader (de blaren) 
weg en hij liep er maar achter; zoo- 
doende had zijn vader er reeds veel 
weggedragen, er bleef nog maar één 
bos (blaren) over ; toen zei Mau Loha : 
„Vader, ik ga vooruit, en wacht u 
ginder"; zijn vader zei: „Goed". 

Maar Mau Loha wilde zijn vader beet 
nemen ; nadat hij vooruit was gegaan, 
kroop hij in dien bos sagoblaren ; toen 
zijn vader daar was aangekomen riep 
hij ; Mau Loha antwoordde niet ; toen 
dacht zijn vader, hij is misschien al 
weg; dus nam hij dien bos blaren 
op om hen naar huis te dragen; 
nauwlijks had hij dien op den schou- 
der gelegd, of hij voelde dat hij zwaar 
was; dus terwijl hij dien bos blaren 
droeg, ging hij maar een klein eindje 
ver en rustte dan, omdat die bos zwaar 
was; en hij droeg hem toch hoewel 



65 

ama terik: ,,A Mau Loha ! o nee bosok hij zwaar was; toen hij er mee tot bij 
haoe". het huis was gekomen, wilde hij hem 

neergooien; onmiddelijk schreeuwde Mau 
Loha: ,, Vader-vader ! werp hem zacht 
neer, want ik (zit er in)"; toen zei zijn va- 
der: „Och Mau Loha! jij bedot mij". 
Masik Mau Loha nalo noeoenee nian Ofschoon Mau Loha zoo te werk ging, 
ama la krakat; atoe tae nia nanoin was zijn vader niet boos; wilde hij 
oan mane misak. hem slaan, dan dacht hij 't is onze 

eenige jongen. 
Ba loron ida nia bosok nikar nian Op zekeren dag nam hij zijn vader 
ama. Nia ba terik nian ama: „Ama weer beet. Hij ging aan zijn vader zeg- 
iha we matan nee no toena bot ida"; gen: „Vader, in die bron is een grootepa- 
nian ama rona, toena iha we matan ling"; toen zijn vader hoorde dat er in die 
nee, nia ber basoek atoe kohi, tan nia bron paling zat, verlangde hij zeer dien 
ber ha toena. Hotoe nia noesoe ba te vangen, omdat hij graag paling at. En 
Mau Loha: ,,Ita atoe halo sa foin hoo hij vroeg aan Mau Loha: „Hoe zullen wij 
toena nee?" het aanleggen om die paling te doodenV" 

„Ita hakair, ama; mais niakan oem- „We zullen hengelen, vader; maar 
pan J ) naan fahi, foin toena nee na diak". zijn aas is varkensvleesch, dan bijt de 

paling goed aan". 
Hotoe nia ama terik: „Soin". En zijn vader zei: „Goed". 

Nola nikar awan nian ama noo fahi Den volgenden dag slachtte zijn va- 

ida nalo ba oempan. Hotoe Mau Loha der een varken om het als aas te doen 
terik ba nian ama: „Fahi nee koa halo dienen. En Mau Loha zei tot zijn va- 
roha-rohau, hotoe nasoe". Hotoe ama der : „Snij het varken in stukken, en 
nalo toeir niakan oan nian lia dei ; naan kook het dan". En zijn vader deed 
fahi tasa tia bele, nian ama atoe nodi maar wat zijn jongen zei ; toen het var- 
ba hakair. Mau Loha terik ba nian kensvleesch gaar was, zou zijn vader het 
ama: „Ama haoe sei ba haoe kan beloe mee nemen om te gaan hengelen. Mau 
lai, ama; hotoe ama nein haoe kleoer, Loha zei tot zijn vader: „Vader, ik ga 
ama ba hakair oeloek; haoe mai hikar, eerst nog naar mijn vriend, vader; en 
lei toeir ama ba"; hotoe nian ama als vader lang op mij moet wachten, 
terik: „Soin". dan gaat vader maar eerst hengelen; 

als ik terugben, zal ik vader wel ach- 
ternakomen"; en zijn vader zei; „Goed". 



1) geen Tetum; voor „aas" schijnt in het Tetum 
geen woord te zijn. 

Verhandelingen Bat. Gen. Dl. LXI. 2e stuk. 



66 



Mau Loha ba oeloek, tania ba we 
matan larau ; niau ama nein, nia la 
mai ; dadi nia ba hakair oeloek ; botoe 
nia too we matan ba tia, nia toe naan 
ba kair nahonoe ba we matan laran ; 
kair foin too iha we larau, Mau Loha 
todak; nian ama serebak kedan; dadi 
nia dada nasae kair ; hotoe nia nare 
naan iha kair la iha tian ; hotoe nia 
nanoin, toena nee kala bot; nee mak 
nia todak tekis kair nee ; mais nia la 
natene Mau Loha iha we matan laran ; 
nia nahouoe nikar kair ; foin too, Mau 
Loha todak. 



Nia nahonoe kair ba no naan, Mau 
Loha na nanik dei; naan rai-rain Mau 
Loha na misa dei; dadi hela dei rohan 
ida; niau ama nanoin, kaloe toena nee 
na, haoe todak tekis, neebe koua kedan; 
hotoe nia toe nikar naan ba kair, na- 
honoe nikar ba we laran. 



Mau Loha foin todak, nian ama to- 
dak no, dadi koua Mau Loha niakan 
liman; la oras Mau Loha kakaoer: 
,, Ama, haoe mak nee". Nian ama naak : 
,,A Mau Loha! o nee bosok haoe; 
haoe koo tian fahi ida, kakfali toena 
iha we matan laran, mais o mak iha 
we nee laran". 

Mau Loha tanis te kair koua moras 
basoek; dadi nia nalai oeloek ba katak 
ba ina. ]Nia ina rona Mau Loha tanis; 
hotoe nia noesoe: „Noeoesa Mau Loha, 



Mau Loha ging dan het eerst weg 
en ging in de bron; zijn vader wachtte, 
hij kwam niet; dus ging hij het eerst 
hengelen ; en toen hij bij de bron geko- 
men was, stak hij vleesch aau den 
viscbhaak, en wierp hem in de bron; 
nauwlijks was de haak in het water, 
of Mau Loha rukte; zijn vader schrok 
meteen; hij haalde op en toen zag hij, 
dat er aan den angel geen vleesch meer 
zat; toeu dacht hij, die paling is mis- 
schien groot; daarom rukt hij zoo ter- 
stond aau den angel ; doch hij wist niet 
dat Mau Loha in het water zat; hij 
wierp den angel weer; nauwlijks was 
hij in het water, of Mau Loha rukte. 

Als hij den angel met vleesch in het 
water wierp,, dan at Mau Loha het 
maar steeds op ; reeds had Mau Loha 
alleen dat vele vleesch opgegeten, zoo- 
dat er nog slechts één stuk overbleef; 
zijn vader dacht, zoodra de paling bijt, 
zal ik terstond met een ruk ophalen, 
opdat hij terstond gepakt wordt ; daarna 
stak hij weer vleesch aan den angel 
en wierp hem weer in het water. 

Mau Loha rukte nauwlijks of zijn 
vader gaf ook een ruk, en raakte 
zoodoende Mau Loha's hand ; terstond 
schreeuwde Mau Loha: „Vader, ik ben 
hier". Zijn vader zei: „Och Mau Loha 
jij bedot mij ; ik heb een varken ge- 
slacht omdat ik meende dat er paling 
in het water zat, maar jij zat er in". 

Mau Loha huilde, want de angel had 
hem geraakt en hij had hevige pijn ; 
daarna liep hij vooruit en ging het 
aan zijne moeder zeggen. Zijne moe- 



67 

o tams?" Mau Loba siinoe : „Amaba- der hoorde Man Loha lmileu en vroeg: 
koe kair mak kona haoe kan liman"; ,,Wat is er Mau Loha, huil jij?" Mau 
nia ina terik: ,0 ama kala mai ona; Loha antwoordde: ,, Vader wierp den 
haoe atoe dean nia, noeoesa mak nia angel uit en raakte mijn hand''; zijne 
nakair la nare o". moeder zei: ,,Je vader is misschien al 

op de terugkomst; ik zal hem bekijven 

en zeggen hoe het mogelijk was dat hij 

terwijl hij hengelde jou niet zag". 

Nian ama mai tia, niau ina dean Toen de vader gekomen was, bekeef 

nia: ,0 nee la manoin ita kan oan mane de moeder hem: „Och jij, jij denkt er 

misak nee dei"; hotoe nia ama ba niet aan, dat hij onze eenige zoon is"; 

namaus nikar nia oan. daarop ging de vader zijn jongen weer 

sussen. 
Ba loron ida hikar Mau Loha terik Op een anderen dag weer zeide Mau 

sa nian ama: , Ama, ita loro-loron halo Loha tot zijn vader: „ Vader, wat doen 
sa iha oema nee? diak Hoe ita roewa we hier te huis dag in dag uit? we 
ba halo kintar ida atoe koeda ai foean deden beter met een vruchtentuin aan 
oi-oik ba". Hotoe nian ama terik: Soin; te leggen om er verschillende vruchten 
ita roewa atoe halo kintar iha neebe?" te planten". En zijn vader zei: „Goed; 

waar zullen we een tuin aanleggen?" 

Mau Loha simoe; „Ita ba boeka rai Man Loha antwoordde; „We zullen 

kedok, no rai diak. neebe ita hakiak een afgelegen terrein zoeken, en goeden 

ai foea-foean atoe moris diak". Nian grond, opdat als wij vruchten kweeken, 

ama terik: „Soin". deze goed opgi'oeien". Zijn vader zei: 

„Goed". 
Nola awan sia roewa nian ama ba Des anderendaags, ging hij met zijn 

boeka rai atoe halo kintar ; dadi sia roe- vader land zoeken om een tuin t<- 
wa hetan rai diak; sia roewa nian ama maken; en zij vonden ren goed ter- 
lere nodi maloe daudau toos nee mos rein; hij en zijn vader kapten samen 
ona; hotoe sia roewa nahoe koeda hoedi, liet onkruid af tot de tuin schoon wa-, 
noe, tohoe; naran boeat oi-oik sia roewa daarna begonnen zij piaangs, klap] 
nian ama koeda bele. La kleoer noeoenee en suikerriet te planten; allerhande 
ai foean hotoe-hotoe moris bele; hoedi dingen plantten zij daar. liet duurde 
tasak wain no tohoe no noe foean wain niet lang of alle vruchten kwamen uit; 
basoek. Mau Loha ber atoe na hoedi er waren veel rijpe pisangs en suiker- 
hirak nee, mais nia ama la nooek terik : riet en zeer vele klappernoten. Mau 
„Keta; ita atoe faan hodi boeka osau". Loha wilde graag al die pisangs opeten, 
Nian ama terik noeoenee, Mau Loha doch zijn vader wilde dat niet en zei: 



68 

nonok dei; nia atoe bosok nikar nian „Neen; wij zullen ze verkoopen om 
anaa ; dadi nia terik : ,,Aina, hein ba aan geld te komen". Toen zijn vader 
nee; haoe sei ba kare kela ina, te ita dat zei, zweeg 'Mau Loha; hij zou zjjn 
kleoer tian iha nee". Nian ama terik : vader weer eens bedriegen; dus zei hij : 
„Soin". ,, Vader, blijf hier; ik ga moeder eens 

bezoeken, want wij zijn al lang hier". 
De vader zei: ,,Goed". 
Hotoe Mau Loha la ba nare nian Toen ging Mau Loha niet naar zijne 
ina, mais atoe bosok nian ama ; nia too moeder, maar hij zou weer zijn vader 
moat laran ona nia nola latoe kose ba bedotten ; toen hij zich te midden van 
niakan oin ; nia nola tia soerik ida, de wildernis bevond, nam hjj roet en 
kabala teni tais at ida; hotoe too nikar besmeerde daarmee zijn gezicht; hjj 
nian ama ba tia, nia nalo oin noeoedar nam een sabel en deed een versleten 
nia atoe ta nian ama ; dadi nian ama kleed aan ; toen hij bij zijn vader was 
natauk ; te nia nanoin, keta erna boela teruggekomen, deed hij als of hjj hem 
mak tama tan nia iha kitar laran nee ; wilde dooden; dus werd zjjn vader 
hotoe Mau Loha ba ta hoedi kala too bang, want hij dacht, dat het misschien 
hoen sanoeloe noeoenee; hotoe nia fila een gek was die bij hem den tuin 
nikar ba naris ; nia naris notoe tia nia was binnengekomen ; daarop ging Mau 
sei lioe ba nare nela niakan ina; mai Loha pisangs afslaan misschien wel 
nikar nodi no sia roewa niakan boekae. tien trossen ; daarna keerde hij terug 
Nia too kintar ba tia terik ba nian en ging een bad nemen; toen hij een 
ama: ,,Hola Itakan boekae nee"; hotoe bad genomen had, ging hij nog ver- 
man ama nasara ba nia: „A Mau Loha! der zijne moeder bezoeken; en op 
ohin sawan o ba mare okan ina, erna den terugweg nam hij eten voor zich 
ida mai atoe ta haoe; hotoe ta teni en zijn vader mee. Zoodra hij bij 
hoedi; o ba mare doeoek ba". den tuin kwam, zei hij tot zijn vader: 

„Neem uw eten hier"; en zijn vader 

vertelde hem: „O Mau Loha, toen 

je van morgen naar moeder waart 

gegaan, kwam er iemand hier en 

wilde mij vermoorden ; en toen sloeg 

hij ook pisangs af; ga zelf maar eens 

kijken". 

Mau Loha mos ba nare ; nia nare tia Mau Loha ging dan ook kijken ; toen 

terik: „Erna nee, haoe lao tian, foin hij was gaan kijken, zei hij : „Die kerel, 

nia mai nahaat amikan hoedi; haoe iha eerst nadat ik weg was gegaan, kwam 

nee, haoe ta kedan nia ; erna nee nak- hij onze pisangs vernielen ; was ik hier 



69 

badak, haoe la iha foin nia mai nahaat geweest, ik had hem terstond gedood; 

ami kan hoedi". die kerel heeft het uitgerekend, en is 

onze pisangs komen vernielen, terwijl 
ik niet hier was". 

Mais Mau Loha bosok nian ama; Doch Mau Loha bedroog zijn vader; 

hotoe nia terik: „Ama hoedi hirak nee daarna zei hij: „Vader wat zullen we 

atoe halo noeoesa?" aanvangen met al die pisangs?" 

Nian ama terik: „0 ma ba". Zijn vader zei: „Eet jij ze maar op". 

Hoedi hoen sanoeloe nee Mau Loha En Mau Loha at alleen die tien tros- 

misan na dei. sen pisangs op. 

Ba loron ida nia terik ba nian ama: Op een zekeren dag zei hij tot zijn 

„Ama mein ba nee; haoe sei ba hare vader: „Vader, blijf hier; ik ga moeder 

hela ina lai"; nian ama terik: „Som", eens bezoeken"; zijn vader zei: „Goed". 

Hotoe Mau Loha ba oema ba; too Toen ging Mau Loha naar huis; toen 

tia oema ba, nia ina nase nia: „O mai hij daar aankwam, riep zijne moeder: 

tian ka Mau Loha?" „Ben jij daar, Mau Loha?" 

„Hooe ina; ina haoe mai atoe hasara „Ja moeder; moeder ik ben gekomen 

Ha ida ba ina". Hotoe nian ina terik: om u iets mee te deelen". En zijne 

„Noeoesa ama?" moeder zei: „Wat is er vent?" 

Mau Loha terik: „Haoe mai katak Mau Loha zei: „Ik kom moeder zeg- 

ba ina, ama mate tian ; hotoe ama na- gen, dat vader gestorven is ; en vader 

meno, ina atoe koi foeoek. had mij opgedragen om te zeggen dat 

moeder het haar zou afscheren". 

Nian ina rona nola, nia kan laen Toen zijne moeder hoorde dat haar 

mate, nia tanis basoek ; hotoe Mau Loha man gestorven was, huilde zij erg ; en 

namaus nian ina; nia terik: „Ina keta Mau Loha troostte zijne moeder; hij 

tanis ona; soerak haoe kakoi tiana, zei: „Moeder, huil niet meer; als ik 

neebe haoe kare los ina dei. hem maar eerst begraven heb, dan zorg 

ik alleen nog voor moeder" (wijd ik u 
al mijne zorgen). 

Hotoe nia terik ba nian ina: ,,Ina, Toen zei hij tot zijne moeder: ,,Moe- 

mein ba nee, haoe sei ba kare kela der, blijf hier, ik ga nog eens naar onzen 

itakan kintar; te ama mate tian, keta tuin kijken, of niet iemand nu vader 

erna nanao itakan sasa iha toos" ; hotoe dood is, ons eigendom in den tuin gesto- 

nian ina terik: „Soin"; hotoe.Mau Loha len heeft"; en zijne moeder zei: „Goed"; 

mos ba nare nela siakan kintar. Nia en Mau Loha ging naar hun tuin kijken, 

too iha neeba tia, nian ama nase saka Toen hij daar was aangekomen, riep 

nia: ,,0 mai tian Mau Loha?" — ,,Hooe zijn vader hem toe: „Ben jij daar Mau 



70 

arna ! — ,,A Mau Lolia, o })a oema ba Loha?" — ,,Ja vader". — „O Mau Loha 
kleoer basoek". — ,,A aina! haoe kleoer je bent zeer lang 't huis gebleven", 
neete haoe daka ina moras ; nola nikar — ,,0 vader! ik was lang afwezig; 
loron roewa ina mate; hotoe haoe atoe dat kwam omdat ik moeder die ziek 
mai boloe ama, mais se daka ina? te was heb opgepast; twee dagen later 
haoe misan dei". stierf moeder; en toen wilde ik ko- 

men om vader te roepen, maar wie 
bleef dan bij moeder, want ik was 
maar alleen". 
Nian ama rona nola niakan fen mate, Toen zijn vader hoorde dat zijne 
nia tanis basoek ; hotoe Mau Loha terik: vrouw gestorven was, huilde hij erg; 
„Ama keta tanis ona, soerak haoe kakoi toen zei Mau Loha: „Vader, huil niet 
ina tiana haoe kare los ama dei; bè meer; als ik moeder maar begraven 
ina nameno nela, ama atoe koi foeoek"; heb dan zorg ik alleen voor vader; 
nian ama terik: „Soin". Nola awan Mau maar moeder had mij opgedragen te 
Loha terik ba nian ama: „Ama, hein zeggen dat vader het haar zou afsche- 
ba nee, haoe sei ba kare kela itakan ren"; zijn vader zei: ,,Goed". Des an- 
oema, te ina mate tian, keta erna nanao deren daags zei Mau Loha tot zijn vader : 
itakan sasa". Hotoe nian ama terik: „Vader, blijf hier, ik ga nog eens naar 
„Soin". ons huis kijken, of niet iemand nu 

moeder dood is, ons eigendom gestolen 
heeft". En zijn vader zei: „Goed". 
Hotoe Mau Loha mos ba oema ba. En Mau Loha ging naar huis. 
Too oema ba nian ina nase saka Toen hij daar aankwam, riep zijne 
nia: „O mai tianka Mau Loha?" — moeder hem toe: „Ben jij daar Mau 
„Hèè ina". Loha?" — „Ja moeder". 

Rai kalan ona Mau Loha terik ba Toen het avond was, zei Mau Loha 
nian ina: „Ina nakara, haoe boeka haoen tot zijne moeder: „Als moeder wil, ga 
ama ida"; hotoe nian ina terik: „A ik een vader voor mij (eeu man voor 
Mau Loha! haoe kei ferik ona sei ho moeder) zoeken"; toen zei zijne moe- 
teni laen ka?" der: „Maar Mau Loha! ik ben al 

tamelijk op leeftijd; zou ik nog een 
man nemen?" 
Hotoe Mau Loha terik: „Neebe nia Toen zei Mau Loha: „Om voor u te zor- 
nare ina; te haoe mane foiwai nai gen; want ik ben jong en ga er maar links 
la-lao dei; hotoe se atoe daka ina? diak en rechts op uit; en wie zal dan voor 
lioe haoe boeka ama ida atoe daka moeder zorgen ? het is beter dat ik een 
ina". vader zoek om voor moeder te zorgen". 



71 

Hotoe nian ina terik : „Soin ama"; Toen zei zijne moeder : ,, Goed vent"; 

hotoe Mau Loha terik: „Soerak ina en Man Lolia zei: ,,Als moeder het 

nakara, haoe atoe ba boeka ona". maar verlangt, zal ik terstond gaan 

zoeken". 

Hotoe Man Loha ba siau kintarjnia Daarop ging Mau Loha naar hun 

too ba tia, nian ama nase saka nia: vruchten tuin"; toen hij daar aankwam, 

,0 mai tian Mau Loha?" — „Hooe riep zijn vader hem toe: „Ben jij 

ama". — ,A Mau Loha o nee ba oema daar Mau Loha?" — ,,Ja vader". — 

kleoer basoek". — ,',A ama, ina mate ,,Och Mau Loha, je bent me daar een 

tian nee, se mak atoe fo han ba ita- tijd t' huis gebleven". — „Maar vader, 

kan fahi? tan nee foin haoe kleoer nu moeder dood is, wie wil nu voer 

iha nee". aan onze varkens geven ? daarom was 

ik lang daar". 

Hotoe Mau Loha no nian ama toba Daarna bleef Mau Loha twee nach- 

kalan roewa noeoenee, nia terik ba nian ten bij zijn vader slapen, en zei toen: 

ama: „Ama nakara ra haoe boeka kola „Als vader wil, dan ga ik eene moe- 

haoen ina ida"; nian ama rona nola der voor mij (eene vrouw voor vader) 

Mau Loha terik oin noeoenee nia dean zoeken"; toen zijn vader Mau Loha 

nia: „A Mau Loha o nee atoe mak- zoo hoorde spreken, bekeef hij hem: 

dioek mo haoe, mak foin o terik oin ,,He Mau Loha, jij wilt met mij 

noeoenee"; hotoe Mau Loha simoe: gekscheren, daarom spreek jij zoo"; 

„A ama, haoe terik noeoenee diak lioe; daarop antwoordde Mau Loha: „Maar 

te haoe mane foiwai nai la-laodei; se vader, ik zeg, zoo is het beter, want 

mak atoe babilan han ba ama?" ik ben jong en ga maar overal heen; 

wie zal het eten voor vader klaar 

maken?" 

Hotoe nian ama terik: „Soin". Toeu zei zijn vader: „Goed". 

Hotoe Mau Loha terik ba nian Man Loha zei tot zijn vader : „Vader, 

ama: „Ania haoe atoe ba boeka". ik ga er om zoeken". Daarop ging 

Hotoe. Mau Loha ba nikar oema ba; Mau Loha weer naar huis; toen hij daar 

nia too tia,. nian ina nasé saka nia: aankwam riep zijne moeder hem toe: 

„Mau Loha o mai tian ka?" — „Hooe „Mau Loha, ben je daar al?" — „Ja 

ina". moeder". 

Hotoe Mau Loha nasara ba nian ina: Toen vertelde Mau Loha aan zijne 

„Ina, ama te haoe boeka ketan tian; moeder: „Moeder, ik ben een vader 

haoe atoe ba saka nia; kalan foin wezen zoeken, en heb er al een gevon- 

haoe kokela ama mai; ina atoe toer den; ik zal hem te gemoet gaan; van 

nonok iha oema laran dei daudau avond breng ik hem hier; moeder moet 



72 



haoe ko ama mai"; hotoe nian ina terik: 
„Soin". 

Hotoe Mau Loba terik: „Ina, ami 
roewa ama too mai iha nee, kalan rai 
nafae". Nia terik notoe noeoenee nia 
ba toos ba. La oras nia saka uian ama 
terik ba nia: „Ama, ina haoe boeka 
hetan tian ; ohin kalan haoe atoe kokela 
ama ba". 

Dadi noeoenee rai kalan ona, Mau 
Loha terik ba nian ama : „Ama ita 
roewa lao ona". Hotoe sia roewa lao; 
sia roewa kreis too oema Mau Loha terik 
ba nian ama: „Ama hein ba nee, haoe 
ba oeloek oema ba, hotoe foin haoe mai 
saka kikar ama". 

Hotoe Mau Loha misan lao lioe sian 
oema ba; nia tama lioe oema laran, 
nian ina nase saka nia; la oras Mau 
Loha terik: „Nonok ina"; hotoe nia 
terik: „Ina hoo tia badoet, hotoe ina 
toba nonok dei ; la oras haoe atoe ko 
haoen ama mai". 

Hotoe Mau Loha ba saka nikar nian 
ama; too ba tia nia terik: „Ama lao na; 
ina haoe katama ba oema laran tian; 
mais ama too oema ba tia, tama nonok 
dei". 

Hotoe Mau Loha nian ama tama iha 
siakan kean laran; nian ama foin lamas, 
nian ina serebak kedan ; hotoe nian ina 
nase: „Se nee?" La oras nian ama 
nata: „Haoe"; dadi sia roewa natene 
maloe lian ; hotoe nian ina terik : „0 
ka Mau Loha ama? haoe Mau Loha 
ina". Mau Loha ama terik: „Soenoe 
badoet lai"; hotoe Mau Loha ina soe- 



stil in huis zitten tot dat ik met vader 
kom" ; en zijne moeder zei : „Goed". 

Daarop zei Mau Loha: „Moeder, te 
middernacht kom ik met vader hier 
aan". Toen hij dat gezegd had ging hij 
naar den tuin. Terstond ging hij naar 
zijn vader en zei hem: „Vader, ik ben 
eene moeder gaan zoeken en heb er 
al eene gevonden; heden nacht zal ik 
u er heen brengen". 

Dus toen het avond was geworden, 
zei Mau Loha tot zijn vader : „Vader, 
laten we gaan". Toen gingen zij bei- 
den op weg ; toen ze dicht bij het huis 
waren, zei Mau Loha tot zijn vader: 
„Vader, blijf hier, ik ga eerst naar 
huis, en dan kom ik u weer te gemoet". 

Toen ging Mau Loha alleen verder 
naar hnn huis; toen hij verder het huis 
binnenging, riep zijne moeder hem toe ; 
terstond zei Mau Loha: „Stil moeder"; 
daarop zei hij: „Moeder, doe de kaars 
uit en blijf dan stil liggen; aanstonds 
zal ik met mijn vader komen". 

Daarop ging Mau Loha weer naar 
zijn vader; toen hij daar was zei hij: 
„Vader, ga nu ; ik heb moeder al in huis 
gebracht ; maar als vader bij het huis is 
aangekomen moet hij stil binnengaan". 

Toen ging Mau Loha's vader hun 
vertrek binnen ; toen hij begon rond 
te tasten schrok zjjne moeder en riep : 
„Wie is daar!" terstond antwoordde 
de vader: „Ik"; zoodoende herkenden 
zij elkanders stem ; toen zei de moeder : 
„Ben jij het, Mau Loha's vader? ik 
ben Mau Loha's moeder". De vader 
zei: „Steek eerst een kaars aan"; toen 



73 



noe tia badoet, sia roewa nare maloe, 
sia roewa nian foeoek koi tia bele. 

Hotoe Mau Loha nian ama terik : 
„A Mau Loha bosok ita roewa". Hotoe 
sia roewa dale ba rnaloe; ama dale 
oeloek; ,,Mau Loha dale ba haoe iha 
kintar ba, naak o rnate tian ; hotoe 
bosok teni naak o mameno haoe atoe 
koi foeoek". 

Hotoe nia fen dale fali : „Mau Loha 
mai terik ba haoe, o mos mate tian ; 
hotoe nia terik ba haoe atoe koi foe- 
oek; dadi ma bosok nian ama no ina". 



Hotoe nian ama sabaut nia nodi terik : 
,,0a at nee ! haoe la kooek kare teni 
niakan oin". 

Dadi nian ama sabaut nia noeoenee, 
nia la nooek tama teni nian oema, 
mais nia nai la-lao dei. 



de moeder een kaars had aangestoken 
zagen zij elkander en dat beider haar 
geheel was afgeschoren. 

Toen zei de vader: „O Mau Loha 
heeft ons beiden bedrogen". Toen ver- 
telden zij het aan elkaar; de vader 
vertelde eerst: „Man Loha deelde mij 
in den tuin mee dat gij gestorven waart, 
en loog daarbij dat gij hem hadt op- 
gedragen mij te zeggen dat ik mijn 
haar zou afscheren". 

Daarna vertelde de moeder op hare 
beurt: „Mau Loha kwam mij zeggen, 
dat gij ook waart gestorven, en zei mij 
ook dat ik het haar zou afscheren; 
dus heeft hij zijn vader en zijne moe- 
der bedrogen". 

Toen verwenschte hem zijn vader en 
zeide: „Dat slechte kind! ik wil zijn 
gezicht niet meer zien". 

Daar zijn vader hem zoo verwenschte 
wilde bij zijn huis niet meer binnen 
gaan, maar liep hij maar onbestemd 
rond. 



16. 



Don Joean no boean 
ferik. 



Lioerai ferik ida no katocas ida niti 
oan mane ida naran don Joean; dadi 
lioerai oan mos matas ona, noeoenee 
too loron ida nia ba noesoe ba nian 
ina ama naak: „A ama no ina, emi 
roewa hakara haoe ba lao boeka kare 
kokon lalean hoen too neebe" ; hotoe 
nian ina ama naak : „A ama, oerak 
erna mata-matas mos lao la too hoen, 



Don Joean en de oude 
tooverheks. 



Een oude vorst en eene oude vorstin 
schonken het leven aan een zoon, die 
don Joean genoemd werd; en toen nu 
de vorstenzoon reeds groot was gewor- 
den, ging hij op zekeren dag aan zijne 
ouders een verzoek doen en zeide: ,,0 
vader en moeder, als gij beiden toestemt, 
dan ga ik op reis om eens te zien tot 
hoever de gezichteinder zich uitstrekt"; 



74 

sa ba o". Hotoe don Joean naak: „Aia en zijne ouders zeiden : „Och vent, zelfs 
ama 110 ina, oerak erna renoe mos sei groote menschen kunnen niet tot den 
lao; too ba ka la too ba naransiaba; gezichteinder loopen, hoeveel minder 
hotoe noeoesa mak haoe emi la haboesik zult jij het dan kunnen". Toen zei don 
ba sa*? Aia neete emi atoe haboesik ka Joean: ,,Och vader en moeder, zelfs ge- 
la haboesik haoe te ba dei". wone lui gaan er heen; of zij hem 

bereiken of niet, ze gaan er allemaal 

heen ; en hoe komt het dan, dat gij mij 

niet laat gaan? Maar och, of gij mij 

vrij laat of niet, ik ga toch". 

Nian ina ama naak: ,,Soin, kaloe o Zijne ouders zeiden: ,,Groed, als gij 

makara, bele; mais ami lanokbitooa; het verlangt, dan mag het; maar wij 

nee los o neon doeoek". dwingen je niet, jongen ; het is zooals je 

zelf' wil". 
Nian ina ama terik noeoenee, sei Daar zijne ouders zoo spraken, gaf 

sawan don Joean naroeka nia atan sia don Joean 's ochtends aan zijne slaven 
sella koeda; sia sella koeda notoe tia, het bevel zijn paard te zadelen ; zoodra 
nia foti kaboe talin ida no we au ida zij het gezadeld hadden, nam hij een 
baken tan ba, nola nian soerik sakat bundeltje zakjes met gekookte rijst, 
tia, nola nian kilat natioe tia nak- dat hij met een daaraan vastgebonden 
soit sae ba nian koeda kotoek, ba dau- bamboe met water over het paard 
daun: nia sai nosi oema sei sawan, nia hing, nam daarna zijn sabel, hing 
lao too loraik. dien om, nam zijn geweer op den 

schouder, sprong toen op zijn paard en 

vertrok terstond ; hij verliet het huis 

des morgens en reisde door tot den 

namiddag. 

Nia nasoroe erna nodi -asoe ida mai, Hij ontmoette mensehen, die een 

tanba asoe nee na erna nian fahi oan, hond bij zich hadden, omdat die hond 

foin erna nodi asoe lao soera kota, de jonge varkens en geiten der men- 

uaroeka asoe mak boloe doeoek oe- schen beet; daarom gingen ze met den 

koen; too kota ida asoe boloe: ,,Wai hond naar alle kampongs, en gelastten 

kota kota, loo loo ! rona mai; la bele den hond zelf bevelen af te kondigen; 

hoir erna nian sasanan no etoe na- als ze bij een kampong kwamen riep de 

noekoe iha lalian; la bele dadoi erna hond: ,,Hé kampongs groote en kleine ! 

nian tanasak hodi ba les soebar, hare luistert ; als bij de menschen de pot met 

erna nian fahi oan bibi oan, lao soeoe rijst op het vuur staat, dan moogt gij er 

ain lao soeoe liman, la bele nai halo- dien niet afnemen ; gij moogt iemands 



75 



halo ; lale loron ida kala hodi baoe 
hola dei". 



Ba too kota ida ma boloe noeoenee 
dei. La oras don Joeau toma nola sia; 
nia mos noesoe sia: „Hei beloe, noe- 
oesa mak emi hodi asoe nee lao soera 
kota hodi boloe oekoen? asoe nee na- 
haat emin sa?" 



Hotoe erna sia nata: ,,Ai beloe! o 
keta oli moesoe noeoenee, kaloe erna 
dato dato noesoe, o atoe mata maak 
sa?" 

Don Joean terik: ,,A beloe, haoe 
koesoe lerik kaloe emi hakara haoe 
atoe seloe; haoe bele seloe emin sasa; 
soerak erna neebe niakan sasa at mai 
terik, atoe seloe hira". 



La oras erna nee nakboea mai, noe- 
soe naak: „Se atoe seloe itakan sasa, 
be atoe nola asoe ba nia?" 

Hotoe don Joean naak: „Haoe mak 
atoe seloe ; emi hakara atoe hola osa 
moris no emikan bahoak ka, emi ha- 
kara atoe hola moerak?" 



rijstmandje niet ongevraagd wegnemen 
en het gaan stuk trekken en verbergen, 
als gij iemands jonge varkens of geitjes 
ziet, loopt dan met ingetrokken voor- en 
achterpooten ] ) ; gij moogt zoo maar niet 
willekeurig te werk gaan ; anders krijgt 
gij misschien op zekeren dag dezelfde 
straf als ik". 

Als hij bij een kampong gekomen 
was riep hij maar steeds op die manier. 
Een oogenblik later was don Joean 
bij hen ; en hij vroeg hen : „Hé 
vrienden, waarom gaan jelui met dien 
hond naar alle kampongs om bevelen 
af te roepen? Wat heeft hij van u 
vernield ?" 

Daarop antwoordden zij: „Och vriend! 
gij moet zoo niet vragen ; als de hoof- 
den u ondervragen, wat zult gij dan 
antwoorden ?" 

Don Joeau zeide: „Och vrienden, ik 
vraag slechts, om, als gij het verlangt (de 
door den hond aangerichte schade) te 
betalen; ik ben in staat uwe (door den 
hond vernielde) zaken te betalen ; als 
maar degene, wiens goed vernield is, 
komt zeggen hoeveel er betaald moet 
worden". 

Terstond kwamen de eigenaars bij- 
een en zeiden: „Wie zal ons (vernield) 
goed betalen, om eigenaar van den hond 
te worden?" 

En don Joean zeide: „Ik zal het be- 
talen; verlangt gij uw vee en uw goed 
terug, of verlangt gij geld?" 



1) d. w. z. = strekt uw pooten niet uit om die 
jonge varkens of geitjes te grijpen. 



76 



Erna hotoe-hotoe simoe: „Aim ha- 
kara hola moerak, te amikan sasa nia 
mak nalo at dei; loro-loron erna naboea 
la hos asoe seloek, nia dei; hotoe erna 
nian fahi erna nian bibi nodi kanek 
mai oema, erna fahi nain, bibi nain 
toeir ra hodi ba; ba nia noi belo ra 
kose an iha ai tahan ; niane beloe nee- 
te o manoin ohin ami haak atoe hoo, 
bè o maak atoe mahoris, niate o fo 
ami bataka atoes roewa, soin ; ami hoe- 
soe la wain, nee dei soin"; hotoe sia 
nee fila ba maloe naak soin : hotoe don 
Joean mos terik soin; mais emi hein 
haoe ba nee; haoe fila kikar ba kola 
moerak, haoen erna nodi sei ikoes". 



Ema lear naak: „Soin, soerak o atoe 
lailais mai". Don Joen terik: „Hooe! 
emi mos hein ba nee dei". Hotoe nia 
ba ses nikar ai kaboeoen ida; too ba 
nia noesoe ba niakan kadeli bortoedi 
naak : ,,0 tebe-tebes, o kadeli bortoedi, 
haoe inan nahoris haoe nosi nia kaboen 
laran no kedan, haoe kakara o masai 
bataka atoes lima, haoe kodi sosa asoe 
nee kalo ba haoe alin maun". Don 
Joean terik noeoenee, la oras bataka 
atoes lima iha karon ida nakdoear iha 
Joean oin. Hotoe Joean foti nola nodi 
ba, hotoe nia terik ba ema sia: „Hei 
beloe! ohin emi hoesoe atoes roewa, 



Allen antwoordden: „Wij verlangen 
geld, want ons goed vernielt hij maar; 
iederen dag jagen de menschen hem 
weg, niet een anderen hond, maar dezen 
steeds ; en dan komen hunne varkeus 
en geiten met wonden naar huis ; de 
eigenaars der varkens en geiten volgen 
de bloedsporen en gaan op aanwijzing 
daarvan ; en terwijl ze gaan staat hij 
het bloed te likken, dat aan de blaren 
is gestreken ; welnu dan, vriend, denk 
eens, wij zeggen nu dat we hem zullen 
doodeu, maar gij zegt hem in het leven 
te willen houden ; als gij ons derhalve 
tweehonderd guldeu geeft dan is het 
goed ; wij vragen niet veel ; als gij dat 
maar geeft, dan is het in orde"; daar- 
op keken zij elkander aan en zeiden, 
goed zoo; en toen zei don Joean ook: 
„Het is goed; maar wacht julie mij 
hier ; ik ga terug om geld te halen ; 
mijne bedienden die het dragen zijn 
nog achter". 

De lui zeiden: „Goed, als gij maar 
spoedig terugkomt". Don Joean zeide: 
„Ja! wacht julie hier maar". Daarna 
ging hij terzijde in een boschje; daar 
vroeg hij aan zijn tooverring: „Voor- 
waar, tooverring, mijne moeder bracht 
mij ter wereld van uit haar schoot 
te gelijk met u, ik verlaag dat gij 
vijfhonderd gulden te voorschijn brengt 
om er dien hond mee te koopen en 
tot mijn broeder te maken". Zoo sprak 
Don Joean en onmiddelijk rolden vijf 
honderd gulden in een zak vóór Joean 
neer. Joean nam hem op en ging er 
mee weg; toen sprak hij tot de men- 



77 



mais nee haoe fo atoes lima, soerak 
atoe emi fo asoe ba haoe"; noeoenee 
dadi Joean fo moerak ba sia, sia fo 
asoe ba Joean ; hotoe Joean mos sae ba 
koeda nodi firi asoe ba daudaun; noe- 
oenee Joean lao too kalan foin toba ; 
sei sawan sella nikar koeda sae ba firi 
asoe lao nikar, lao too loraik ; nia na- 
soroe nikar erna nodi fali boesa ida; 
boesa nee no tia feloe kakoen ida kri- 
oen krioen mai dei, mai too Joean, Joean 
noesoe: „Hei beloe emi hodi boesa 
nee lao soera kota ba sa ida?" Erna 
sia nata: „A beloe, o la rona ka? 
beloe o malikoe doeoek ba, ami hodi 
nia ba hoo doeoek tan sa? tan nia 
sala mak foin ami hisa feloe kakoen 
ba nia kakorok, hotoe ami haroeka nia 
boloe oekoen lao-laok too ita hasoroe 
maloe nee"; hotoe Joean naak: ,,Lale, 
beloe; emi haroeka boesa boloe oekoen 
haoe la rona ; haoe kala sei kedok, nee 
mak foin haoe la rona"; — erna sia 
naak ba Joean: „O rona beloe; ita too 
kota ida ona, la oras boesa boloe : Hei 
kota kota loö loö rona mai; kaloe emi 
lao hare erna nian manoe ka ema nian 
naan teten lerik la bele hanao ; kaloe 
hakara, hoesoe; nia nain f o, simoe hodi 
liman roewa; kaloe se mak noesoe, ema 
la fo, nia nola hein dei, nia kala hodi 
haoe hola dei". 



schen : ,,He vrienden ! zooeven vroegt 
gij twee honderd, maar hier ik geef vijf 
honderd, als julie mij den hond maar 
geeft"; — zoo gaf don Joean hun het 
geld, en gaven zij den hond aan Joean, 
en Joean steeg te paard en vertrok 
terstond, terwijl hij den hond trok; zoo 
reisde hij tot den avond en ging toen 
slapen; des ochtends zadelde hij weer 
zijn paard, steeg er op, trok den hond 
mee en ging weer op reis; hij reisde 
tot 's namiddags; hij ontmoette weer 
menschen, die eene kat bij zich droegen; 
die kat had aan den hals een klapper- 
dop, die bij het loopen geluid gaf; toen 
zij tot bij Joean gekomen was, vroeg 
deze: „Hé vrienden, waarom gaat gij 
met deze kat alle kampongs rond?" 
De lui antwoordden : „Wel vriend, hebt 
gij het niet gehoord? vriend, kijk zelf 
eens, waarom zouden wij haar zonder 
rede dooden? omdat zij schuld heeft, 
hingen wij haar een klapperdop om 
den hals, en bevalen haar onder het 
gaan bevelen af te roepen, tot wij el- 
kander hier ontmoetten" ; daarop zei 
Joean: „Neen vrienden; ik heb niet 
gehoord dat jelui de kat gelast hebt 
bevelen af te roepen ; ik was misschien 
nog ver, en heb het dus niet gehoord"; — 
de lui zeiden tot Joean : „Luister vriend, 
zoodra we bij een kampong komen, roept 
de kat terstond: Hé kampongs groote 
en kleine! luistert; als gij bij het gaan 
iemands kippen ziet of wel vleesch dat 
daar hangt (om te droogen) dan nioogt 
gij een en ander niet stelen ; als gij 
er iets van verlangt, vraagt het dan ; 



78 



Hotoe Joean noesoe ba sia: ,,Beloe, 
boesa nee emi atoe hoo ka baboris ?" 

Erna sia simoe: ,,A beloe, o noeoe- 
dar ema foin mai ida; o lamateneka? 
keta maak osa moris, neu ita ema mos, 
kaloe ita halo sala miste kona hoo". 

Joean terik: ,,A beloe, emi atoe hoo 
te, fo haoe sosa". 

Ema sia simoe: „A beloe o sosa boeat 
at nee modi malo sa? sosa nia, renek 
atoe tama o ; kaloe nia diak, ami mos 
la boela be atoe hoo nia ; tan doeni nia 
at, mak foin ami mos atoe hoo nia. 
Mais beloe nakara sosa, bele; soerak ami 
katak sain ba beloe ; lale too loron ida, 
nia nalo sala sasa, beloe kala naak sa 
ba ami ? Beloe kala naak ami hodi boeat 
at bosok beloe nian moerak". 



Don Joean terik: ,,Lale beloe, haoe 
la kooek kalo ba lia; at ka diak ka, 
haoe kakara atoe sosa; emi hakara moe- 
rak hira, terik ba, haoe atoe fo". 

Ema sia simoe: „Ami hoesoe la wain, 
atoes ida dei"; Joean terik: ,,Hooe beloe 



en als de eigenaar het geeft, neemt het 
niet beide handen aan ; als iemand er 
om vraagt, doch de man geeft het niet, 
en het toch zonder verlof neemt, die 
krijgt misschien dezelfde straf als ik". 

Daarop vroeg Joean hen: „Vrienden, 
wilt gij die kat dooden of' laten leven ?" 

De lui antwoordden : „Wel vriend, gij 
zijt als iemand die pas komt kijken ; be- 
grijpt gij het niet? zeg niet een levend 
dier, zelfs ook wij menschen, als wij schuld 
bedrijven moeten wij gedood worden". 

Joean zeide: „Och vrienden, julie wilt 
ze dooden, laat mij ze koopen". 

De lui antwoordden: „Wel vriend, als 
gij dat ondeugend ding koopt, wat wilt 
gij er dan mee doen? Als gij het koopt 
zal armoede bij u binnendringen *) ; als 
zij goed was, dan zouden ook wij zoo gek 
niet zijn om haar te dooden; omdat zij 
ondeugend is, daarom willen wij haar 
van kant maken. Maar als onze vriend 
haar wil koopen, dan kan dat wel; 
als wij het maar meedeelen ; anders 
als zij op een goeden dag iets kwaads 
uitrichtte, wat zou dan onze vriend wel- 
licht tot ons zeggen? Misschien zou onze 
vriend dan zeggen, dat wij met dat slecht 
ding zijn geld hebben afgetroggeld". 

Don Joean zeide: „Neen vrienden, 
ik wil er geene zaak van maken; of ze 
goed of slecht is, ik verlang ze te koo- 
pen ; zegt hoeveel geld julie er voor 
wilt hebben, dan zal ik het geven". 

De menschen antwoordden: „Wij 
vragen niet veel, honderd slechts". Joean 



1) want die kat richt veel nadeel aan, en dat na- 
deel moet door den eigenaar der kat vergoed worden. 



79 



emi hein ba nee ; haoe ba kola moerak, 
te erna nodi moerak sei ikoes ba". 

Hotoe don Joean ba, uoesoe ba nia- 
kan kadeli bortoedi, la oras Detan bataka 
atoes hat; hotoe nia nodi mai fo ba 
erna lear nee ; hotoe nia sae nikar ba 
nian koeda, niti boesa nosi oin firi asoe, 
lao nikar ; rai loraik foin nia too rai 
ida; rai nee kota bera too senoeloe 
resin ; mais kota bot lioe mak nai toer 
ba; hotoe don Joean lao too kota bot 
nee, nia rona erna noi dahoer. 



Joean mos lao tama lioe ba, hotoe 
Lioerai naroeka erna mai noesoe Joean, 
nia mai nalo sa iha nee ; hotoe Joean mos 
noesoe nikar ba sia: „Emi halo dahoer 
nee ba sa?" Erna simoe: „Ami halo 
dahoer nee tanba Lioerai nian oan 
mane nain toloe no niakan renoe kala 
toe rihoen roewa, toloe sena iha laloean 
bisi laran ; tan nee amin Lioerai katoeas 
no Lioerai ferik ualirin an, la na kalan 
loron la tan sa ida tan amin Lioerai 
oan nain toloe nee Dadi Lioerai noi 
nakara ami halo dahoer nee atoe hodi 
boloe Lioerai niakan renoe hotoe-hotoe 
matas lawarik katoeas foiwai; kaloe 
se mak bele noo boean ferik, nia mak 
atoe dadi Lioerai iha nee, masik amin 
Lioerai nanono oekoen ba nia ] ) o, soin 
dei, soerak atoe amin Lioerai oan toloe 
nee hetan hikar". 



zeide : ,,Goed vrienden, wacht hier; ik 
ga het geld halen, want de lui die het 
geld dragen zijn nog achter". 

Daarop ging Joean weg, vroeg (geld) 
aan zijn tooverriug, en verkreeg onmid- 
delijk vier honderd gulden ; daarna 
bracht hij het daarheen en gaf het aan 
dien troep menschen ; toen steeg hij 
weer te paard, legde de kat voor zich op 
het paard, leidde den hond aan een touw 
en ging weer op reis; het was avond toen 
hij in een zeker land aankwam ; dat land 
had misschien meer dan tien kampongs; 
maar in de grootste kampong woonde 
de koning ; en Joean begaf zich naar 
dien grooten kampong en hoorde dat de 
menschen bezig waren met feest vieren. 

Joean ging ook verder naar binnen, 
en de Koning gelastte de menschen te 
komen en aan Joean te vragen, wat 
hij hier kwam doen ; en toen vroeg 
Joean weer aan hen : „Waarom viert 
julie dit feest?" De lui antwoordden: 
„Wij vieren dit feest, omdat de drie 
zonen des kouings en zijne onder- 
danen, misschien twee, drieduizend in 
eene ijzeren stal zijn opgesloten ; daar- 
om weigeren onze oude Kouing en 
onze oude Koningin voedsel te ne- 
men, dag en nacht eten zij niet om 
niets (anders) dan om hunne drie kin- 
deren. Daarom wil de Koning dat wij 
dit feest vieren om al zijne onder- 
danen, volwassenen en kinderen, ouden 
en jongen bijeen te roepen ; hij die de 
oude tooverheks vermag te dooden, die 
zal hier koning worden, al moet ook 



1) „o" is hier een uitroep. 



80 



Joean naak : „O, nee la soesar beloe, 
boeat uiamoek ; nee haoe Joean kaak 
boeat mamoek, soerak atoe Lioerai 
nakara". 

Erna sia naak: ,,Ai Joean! oerak 
Lioerai niakan meo nain senoeloe resin 
roewa mos lisoe boean, nen boean 
ferik nia isin rahoen ida la kotoe, sa 
noeoe o nee Joean?" 

Joean naak : ,, Beloe ita misa niane, 
keta terik haraik maloe noeoenee te ita 
oin makaas maloe; beloe bera erna se- 
loek la bele, mais haoe Joean bele, 
diak lioe mate; haoe la menaan nia, 
haoe la fila kikar oemaba; haoe Joean 
koko mak hetan, boeka mak sae tan; 
beloe o ba moesoe oon Lioerai, wai 
hira mak ami roewa boean ferik atoe 
hasoroe maloe". 



Hotoe erna sia ba katak Lioerai naak : 
„A Nai Lioerai, erna lao rai ida mai 
iha nee naran don Joean, dadi nia nare 
Ita Bot haroeka ami ata halo dahoer 
nee, nia mos noesoe ba ami ata Lioerai, 
hotoe ami ata hasara ba Joean ba ohin 
boean ferik kohi Lioerai oan nain toloe 
no erna renoe nee; amin Lioerai naak 



onze Koning naar diens bevelen luis- 
teren, dat komt er niet op aan, als 
men die di-ie kinderen van onzen Ko- 
ning maar terug krijgt". 

Joean zeide : ,,0 dat is niet moeie- 
lijk vrienden, eene zaak van geen be- 
teekenis ; dit noem ik Joean een ding 
van geen beteekenis, als de Koning het 
maar verlangt". 

De lui zeiden: „Och Joean! toen zelfs 
de twaalf voorvechters van den Koning 
zich tegen de tooverheks te weer stel- 
den, toen ging niet één haartje aan 
haar lijf stuk r ), wat zou dan iemand 
als gij Joean (tegen haar vermogen)?" 

Joean zeide : „Vrienden, wij zijn alle- 
maal mannen, spreekt niet zoo ter 
verkleining van elkander, want dan 
kijken we elkaar met een stroef gezicht 
aan; vrienden, een ander kan het mis- 
schien niet, maar ik Joean ben er toe 
in staat, liever sterven ; als ik haar niet 
overwin, keer ik niet meer naar huis 
terug; als ik Joean het beproef, dan 
krijg ik het gedaan, als ik haar zoek, 
zal ik haar vinden; vriend, ga uw Ko- 
ning vragen, over hoeveel dagen ik en 
de oude tooverheks elkaar zullen ont- 
moeten". 

Toen gingen de menschen den Ko- 
ning zeggen: „O koning, er is een 
reiziger hier gekomen die don Joean 
heet, en toen hij bemerkte dat gij 
bevolen hadt, dat wij dienaren zouden 
feest vieren, toen ondervroeg hij ook 
ons uwe dienaren, en toen vertelden 
wij dienaren aan Joean van die oude 



1) d. i. toen bleef ze toch geheel ongedeerd. 



81 



kaloe se mak bele noo boean ferik, nia 
bele oekoen rai nee. Dadi arai ata ha- 
sara noeoenee ba Joean, Joean naak, 
o nee boeat mamoek, soerak atoe too 
loron ida haoe inenaan boean ferik, 
Lioerai lian la bele roewa toloe". 



Erna nodi Joean lian mai nasara 
Lioerai noeoenee, Lioerai mos mo'è an 
tian ; Lioerai naroeka nian erna ba katak 
Joean : ,,Awan sawan, Lioerai naak, o 
miste ba matoeda mo boean ferik; ka- 
loe o la ba o miste hodi halo oekoen". 



Dadi kalan Joean naroeka babilan 
han halo diak, fo nian asoe no boesa 
na nalo bosoe diak. Hotoe sei sawan 
Joean sela tia koeda sae ba, foti boesa 
niti nosi oin, tae koeda ba daudaun. 



Joean too boean ferik ba, toekoe oda 
matan baa nian, la oras boean ferik 
sai saka mai nafoeoet nodi tais manas 
ida kaer no balioen ida; too mai loke 
tia odamatan, Joean tama lioe. Boean 
ferik nee fera ai hotoe kiki bosok noe- 
oedar erna isin manas tebes; mais lale 
nia isin la manas ; nia atoe noo ema, 
nia miste nalo noeoenee. 



tooverheks, die de drie" zonen des koninga 
en diens onderdanen heeft gevangen 
genomen, en dat onze koning heeft ge- 
zegd, dat hij, die de oude tooverheks kan 
dooden, dit land mag besturen. Eu toen 
wij dit alles zoo aan Joean meedeelden, 
zei Joean, o dat is een ding van niets, 
als maar, wanneer ik op zekeren dag de 
oude tooverheks overwin, (de koning 
zijne belofte gestand doet), de koning 
mag niet spreken op twee drie wijzen". 

Toen de menschen de woorden van 
Joean aldus aan den koning overbrach- 
ten, werd deze beschaamd; hij beval 
zijne menschen aan Joean te gaan 
zeggen : ,, Morgen vroeg, zoo spreekt 
de koning, moet gij met de oude too- 
verheks gaan vechten; als gij niet gaat, 
dan moet gij sterven". 

Daarom gebood Joean 's avonds het 
eten goed klaar te maken, en zijn hond 
en kat er volop van te geven. En des 
ochtends nog vroeg zadelde Joean het 
paard, sprong er op, nam de kat, legde 
ze voor zich, sloeg het paard en ging 
terstond op weg. 

Toen hij bij de oude tooverheks was 
aangekomen, sloeg hij op de deur van 
de omheining; terstond kwam de oude 
tooverheks naar buiten hem te gemoet 
gewikkeld in een warm kleed en niet een 
bijl in de hand ; toen zij bij de deur was 
gekomen deed zij die open, en Joean 
ging binnen (in de omheining). De oude 
kloofde hout, en beefde kwansuis gelijk 
iemand die wezenlijk koorts heeft, doch 
neen, zij had geen koorts; als zij iemand 
wilde dooden, dan moest ze zoo doen. 



Verhandelingen Bat. Gen. Dl. LXI. 2e stuk. 



82 

Hotoe Joean noesoe: „A ina ferik Toen vroeg Joean: ,, Hé oudje, waar- 

o kiki ba sa?" Mais Joean natene tian. om beef je?" Maar Joean begreep het 

reeds. 

Boean ferik naak: „Ai Lioerai oa De oude zeide : „Wel Prins, wat komt 

Ita mai boeka sa? Ata ferik isin ma- U zoeken? Uwe oude dienares heeft 

nas". — Joean naak: „O isin manas, koorts". — Joean zeide: „Heb jij koorts, 

hotoe o fera ai ba sa?" en waarom kloof jij hout?" 

„A! lioerai oa haoe fera atoe ka- „Wel Prins, ik kloof hout om mij 

niroek". (als het zal branden) te verwarmen". 

Joean naak: „O fo haoe fera bodik". Joean zeide: „Laat mij het doen". 

— Boean ferik naak: „Ita hakara atoe De oude hernam: „Zoo U het voor mij 

fera bodik te, kesi hatos lai Itan asoe wilt kloven, bind dan eerst uw hond en 

no boesa, te haoe ata isin kamatauk *) kat vast, want ik uwe dienares ben bang 

Itan asoe nee bot basoek". voor dien erg grooten hond van U". 

Joean foin boeka- tali atoe nodi kesi Joean was nauwlijks bezig een touw 

asoe no boesa, boean ferik nati nola te zoeken om er den hond en de kat 

nian foeoek lahon roewa fila tia nalo mee te binden, of de oude trok zich 

tali laik tahan roewa, fo ba Joean; twee haarspieren uit, veranderde deze 

mais Joean natene tian ; dadi nia la in twee touwen van sagopalmbladeren 

nooek simoe ; nia roka doeoek iha faroe en gaf ze aan Joean ; maar Joean be- 

kakaloek, nola kabas hoeroen ida fae nalo greep het reeds ; daarom wilde hij ze 

ba roewa, nodi ida kesi asoe, nodi ida niet aannemen; hij stak de hand in 

kesi boesa; hotoe nia simoe balioen iha den zak van zijn baadje, nam er een 

boean ferik nodi fera; Joean fera dala klos bindtouw uit, deelde ze in twee, 

roewa, sei: too dala toloe Joean foin na- en bond met het eene eind den hond 

toeoe atoe fera, boean ferik temas ba met het andere de kat ; daarna nam hij 

Joean knotak ; sia roewa loemoe maloe ; den bijl van de oude tooverheks en 

boean ferik atoe loti Joean ba rai, la ba; kloofde er mee; reeds tweemaal deed 

Joean atoe loti boean ferik ba rai, la hij dit, maar er gebeurde nog niets; 

ba; sia roewa kohi maloe kohi maloe, maar bij den derden keer had Joean 

la oras Joean la bele ona ; nia roan ba zich nauwlijks gebogen om te kloven, 

asoe no boesa nakaas dala ida ; kabas toen de oude tooverheks hem plotseling 

noeoe t'etar, asoe tata ba knoroek, boesa bij het lijf greep ; zij pakten elkaar 

les ba oin. aan ; de oude wilde Joean op den grond 

1) kamatauk = katauk ; de eerste vorm is gebrui- 
kelijk in het landschap Doeliloe aan de kust; zoo zegt 
men daar ook : hamanasa in plaats van hanasa, hama- 
rik in plaats van harik, hamalao in plaats van halao, 
hamaro in plaats van haro enz.; de tweede vorm is 
gebruikelijk in het landschap Fialaran en de andere 
bergstreken. 



83 

werpen, het ging niet; Joean wilde de 

oude tooverheks op den grond werpen, 

het ging niet; zij grepen en pakten 

elkaar, spoedig kon Joean niet meer; 

toen verzuchtte hij een keer luid tot den 

hond en de, kat; het touw werd als door 

gehakt; de hond beet de onde in den 

nek, de kat krabde haar in het gezicht. 

La oras boean ferik nakloti toen ba Een oogenblik later viel de oude 

rai, mak foin Joean losoe nian soerik, tooverheks op den grond neer, waar- 

ta noo boean ferik. op Joean ziju zwaard trok, en de oude 

tooverheks doodde. 
Hotoe Joean ba loke odamatan la- Toen ging Joean de deur van den 
loean bisi, foin hasai Lioerai oan uain ijzeren stal open maken, en verlostte 
toloe no niakan erna renoe sia ; nia de drie koningskinderen en de onder- 
naroeka Lioerai oan toloe lao oeloek, danen ; hij beval dat de drie konings- 
renoe toeir; nia sae koeda nodi toeir kinderen voorop zouden gaan, achter 
fali sia. hen de onderdanen ; hij besteeg ziju 

paard en volgde achteraan. 
Sia mai too kota tehen Lioerai nian Toen zij tot aan den rand van de 
atan sia nare, foin ba katak Lioerai kampong gekomen waren, werden zij 
katoewas no Lioerai ferik; mak foin opgemerkt door 's Konings dienaren, 
Lioerai ferik no katoewas no erna renoe die het gingen meedeelen aan het oude 
hotoe-hotoe sai saka hodi toehoen tala Koningspaar ; het oude Koningspaar en 
hodi haklaok Lioerai oan toloe, Joean alle onderdanen trokken uit met trom- 
no erna renoe hotoe-hotoe neebe kona men en gongs om de drie Koningskinde- 
soesar no Lioerai oan dadaar; mak ren, met Joean en alle onderdanen, die het 
foin Lioerai ferik no katoeas naroeka ongeluk der Koningskinderen gedeeld 
ajanti sia ba liboer erna renoe neebe hadden, feestelijk te begeleiden; en hel 
toer iha kedok ho mai bele, te itakan oude Koningspaar gaf bevel aan de oni- 
oan nain toloe nee lakon sei kiik, too roepers om de menschen die op afstand 
ohin nee ita hare hikar sasoekat makaas. woonden te verzamelen en met hen allen 

te komen, „want" (zoo spraken zij) „deze 
onze drie kinderen verdwenen toen zij 
nog klein waren, heden zien wij hen terug 
nu zij reeds een dichten knevel dragen. 
Noeoenee dadi miste mai bele be Daarom moeten allen komen opdat 
ita hotoe-hotoe atoe halo dahoer hodi wij allen feest vieren om hen te ver- 



84 

hadinan haklaran sia, te sia noeoedar weikomen, want het is alsof zij ge- 
mate foin moris nikar ; kaloe ita erna storven waren, en zoo juist in het leven 
lakon hola kalan ida roewa, loron zijn teruggekeerd ; wanneer wij voor 
ida roewa, la dadi sa ida; mais kaloe een of twee dagen verdwijnen, dan 
lakon too ferik too katoewas, foin hare gebeurt er niets, maar als (kinderen) 
hikar oin, nee noeoedar mate foin moris verdwijnen tot (de ouders) reeds bejaard 
hikar. zijn, en zij zien hen dan weder, dan 

is het alsof zij na gestorven te zijn, 
op nieuw zyn begonnen te leven". 
Hotoe sia nalo dahoer ramata, foin Toen vierden zij gezamenlijk feest, en 
foti don Joean ba siakan Lioerai ; kaloe stelden don Joean tot hun Koning aan ; 
lia aroema Lioerai oan toloe nee miste als er eene zaak voorkwam, dan moes- 
ba hanono iha don Joean ; masik lia ten de drie koningskinderen naar don 
nee atoe kotoe ka la kotoe miste ba Joean gaan om diens beslissing te hoo- 
hanono ba don Joean. Hotoe mak foin ren. Daarna ging don Joean in gezel- 
don Joean, lioerai oan toloe no ema schap van de drie koningskinderen en 
renoe sia hodi toehoen, tala ba hasoroe de onderdanen met trommen en gongs 
Lioerai Joean nian ina ama, halo da- op weg om zijne ouders te ontmoeten ; zij 
hoer too kalan hitoe, loron hitoe foin vierden feest gedurende zeven dagen en 
sia fila. nachten, waarna zij terugkeerden. 

17. 

Krawa no Lenoek. Een aap en eene schildpad. 



Krawa noesoe ba lenoek: „Sa mak Een aap (die aan een boomtak een 
nee?" bijennest zag hangen) vroeg aan eene 

schildpad: „Wat is dat?" 

Lenoek naak: „Nee Nai nian tala". De schildpad antwoordde: „Dat is 

de gong van den radja". 

Hotoe krawa naak: „Haoe tae oda, Toen zei de aap: „Ik zal er even 
o mooek ka lale?" op slaan, wil je dat of niet?" 

Hotoe lenoek naak : „Keta, haoe ka- En de schildpad zei : „Doe het niet, 
tauk Nai". ik ben bang voor den radja". 

Hotoe krawa naak: „Haoe tae kola Toen zei de aap: „Ik sla maar 
oan oda dei". even". 

Hotoe lenoek naak: „Soin, o atoe tae, Daarop zei de schildpad: „Goed, als 
haoe lao ses lai, haoe lao kei kedok gij wilt slaan ga ik eerst op zij, ik ga 
lai, haoe boloe, o lei tae". een goed eind verder op, zoodra ik 

roep, zult ge slaan". 



85 



Hotoe lenoek lao; lenoek lao kei 
kedok foin nia boloe nakè: „Beloe 
krawa tae ba". 

Hotoe krawa foti ai taè ; nia tae, la 
oras wani nakboea na nia; wani na, 
krawa noi kisa-kisan ; nia nalai kedan ; 
nia nalai kedok tia, wani la na nia na ; 
hotoe nia ba boeka nikar nian beloe 
lenoek, terik ba nia: 



„A beloe, o bosok haoe, haoe tae, 
wani na haoe"; hotoe lenoek naak: 
„Haoe kaak sa ba o? keta nai taè-taè, 
taè nai sian tala la diak"; nia naak 
notoe tia noeoenee, lenoek nakdobos 
tama Hoe tasi, krama fila nikar ona. 



Loron seloek ida krawa ba too tasi 
laran boeka nikar lenoek; krawa boe- 
ka loron roewa la netan ; too loron ida 
nia nasoïn nian beloe lenoek ; nian 
beloe lenoek noï nokoe hein doelak 
bot ida; hotoe ohin doelak nee nian 
iboen nakaka ; hotoe krawa noesoe : 
„He beloe lenoek, sa mak nee, o moï 
daka hein nee?" 

Hotoe lenoek naak: «Nee te Nai 
nian sasanan, no Nai nian lamak dato"; 
hotoe krawa naak: „A beloe lenoek, 
haoe roka kola oda be ka"; hotoe 
lenoek naak: „Keta beloe, nee te nai 
nian lamak dato, o keta mola, te nai 
sia naroeka haoe daka; lamak dato 
nee naklara, nai sia noo haoe dei"; 
hotoe krawa naak : ,,A beloe, haoe ka 
kola oan oda dei"; hotoe nian beloe 



En de schildpad verwijderde zich ; toen 
zij op tamelij ken afstand was, riep zij 
zeggende: ,, Vriend aap, sla maar". 

Toen nam de aap een hout en sloeg ; 
zoodra hij sloeg kwamen de bijen in 
beweging en staken hem; terwijl zij 
hem staken, schreeuwde de aap en 
liep terstond weg; toen hij reeds ver 
was weggeloopen, staken de bijen hem 
niet meer ; toen ging hij weer zijn vriend 
de schildpad zoeken en zei tot haar: 

,,0 vriend, je hebt me bedrogen ; 
toen ik sloeg, werd ik door de bijen 
gestoken"; toen zei de schildpad: „Wat 
heb ik u gezegd? sla zoo maar niet 
zonder reden, de gong van den radja 
slaan komt niet te pas"; toen ze dit 
gezegd had, kroop de schildpad weg en 
ging in zee, de aap keerde terug. 

Een anderen dag ging de aap in zee en 
zocht de schildpad weer; de aap zocht 
twee dagen, maar vond ze niet; op ze- 
keren dag zag hij zijn vriend de schild- 
pad; zijn vriend schildpad lag daar en 
bewaakte een groot schelpdier; en de 
mond van dat schelpdier stond open ; 
toen vroeg de aap : ,,He vriend schild- 
pad, wat is dat, dat gij daar bewaakt?" 

En de schildpad zei : „Dat is de kook- 
pot van den radja met het eten van 
den radja"; en de aap zei: „O vriend 
schildpad, ik neem er een weinig uit 
om te eten"; en de schildpad zei : „Doe 
het niet vriend, want dat is het eten 
van den radja; neem er niet van. want 
de radja heeft mij gelast er de wacht 
bij te houden; mocht dat eten half op 
zijn, dan zou de koning mij duodeu"; 



86 

lenock naak: ,,Soin, niate haoe lao toen zei de aap: „Och vriend, ik eet 
ses oda lai ; haoe lao kei kedok oda, maar een weinig"; toen zei zijn vriend 
haoe boloe, o lei ma"; nia lao kedok de schildpad: ,,Goed, dan ga ik eerst 
tia, nia boloe ba uian beloe krawa een goed eind verder op ; als ik op tame- 
naak: ,,A beloe, ha ba"; la oras kra- lijken afstand ben en roep, dan zult ge 
wa nodi liman roka ; nia roka, la oras eten"; toen zij ver af was, riep zij tot 
doelak nian iboeu nabit natos krawa haar vriend den aap zeggende: „Hé 
nian liman; nia losoe la diak ona; vriend, eet maar"; onmiddelijk stak de; 
hotoe krawa boloe ba nian beloe Ie- aap zijn voorpoot er in ; zoodra hij dat 
noek: ,,A beloe lenoek, o mai masai deed, hield de mond van het schelpdier 
haoe liman lai; nai nian sasanan nee den voorpoot van den aap vastgeklemd ; 
nabit natos haoe liman tiana"; hotoe deze kon hem er niet meer uit trekken ; 
lenoek sirnoe nia naak: ,,Ohin haoe toen riep de aap tot zijn vriend de 
kaak sa ba o? Keta hola Nai nian schildpad: „O vriend schildpad, kom 
lamak dato; haoe terik ba o, o la toeir, terstond mijn voorpoot er uit trekken; 
o atoe mola loekoe dei, nee o mare ka die kookpot van den radja heeft mijn 
lale? Hori o bosok haoe nee; o ma voorpoot vastgeklemd"; en de schild- 
hoedi so'è kakoen ba haoe; hotoe haoe pad antwoordde zeggende: „Wat zei 
boloe erna toos nain atoe mai kohi o, ik u zoo even? Neem het eten van 
mais o malai mela tian haoe ; dadi ema den radja niet; ik heb het u gezegd 
la kohi o, ema kohi haoe nalo ba o maar je hebt er niet naar gehandeld, 
fatin ; bè o mak ma ema nian hoedi ; je wilde het toch maar nemen, zie je 
hotoe o malo ema kohi haoe ba o fatin ; dat in of niet? Vroeger hebt ge mij 
dadi ohin loron haoe kaseloe kikar o bedrogen, je at pisangs en wierpt mij de 
mak nee". schillen toe, en toen riep ik den eigenaar 

van den tuin om jou te komen pakken ; 

maar je liept van mij weg; zoodoende 

. . pakte de man niet jou, de man pakte mij 

in jou plaats; maar jij hadt zijne pisangs 

opgegeten, en toen liet jij den man mij 

in 'uwe plaats grijpen, daarom betaal ik 

jou heden op deze manier terug". 

Hotoe lenoek boloe tasi atoe nakonoe ; Toen riep de schildpad dat de zee 

tasi wen nesik noo krawa, dadi krawa zou stijgen ; het zeewater kwam den 

mate iha tasi laran. aap in de keel, zoo gebeurde het dat 

de aap in de zee omkwam. 



AANHANGSEL. 



Eenijje parallellen in de Indonesische letterkunde 



van de door Pastoor A. MATHIJSEN 
medegedeelde Tetoemsche Verhalen. 



DOOR 



Dr. N. ADRIANI. 



1. Een Aap en een Reiger. 

De eerste trek in dit verhaal : de Reiger bedriegt den Aap, door de 
gevangen visch achter ziju rug op te eten, is terug te vinden in een verhaal 
der Parigiërs (Midden-Celebes), medegedeeld in het Tijdschrift van het Bat. Gen. 
Dl. XLV, bl. 345. De Sangireesche volksverhalen stellen de bedriegerij eenigs- 
zins anders voor. 

Het kaalplukken van den Reiger door den Aap vindt men in de verhalen 
der Sangireezen, Bijdr. K. I. 5, VIII, bl. 367, 383; in die der Toradja's (Midden- 
Celebes) Dl. XLV van het Tijdschr. Bat. Gen. bl. 389, 390 (Bare'e-taal) en 
Dl. XL, bl. 346 (Tara-taal of Parigisch) ; in die der Minahassers, Dl. XVII, 
bl. 304, 310 van dit Tijdschr. en Med. Ned. Zend. Gen. VII, 382; in die der 
Mongondowers, Ibid. XI, bl. 394; bij de Galelareezen, Bijdr. K. I. 6, 1, bl. 198 
en in het Noefoorsch (N. Guinea), Bijdr. K. I. 7, VII, 479. In zijn Supple- 
ment op den Catalogus van de Javaansche en Madoereesche Handschriften der 
Leidsche Universiteits-Bibliotheek, Dl. II, bl. 104, vermeldt Dr. H. H. Juynboll 
een Javaansch Kantjil-handschrift, waarin ook deze trek voorkomt. 

Het gaan varen in een zeer broos vaartuig, hetwelk de Reiger midden 
op zee weet te doen verongelukken, is te vinden bij de Bare'e-Toradja's, zie 
Tijdschr. Bat. Gen. Dl. XLV, bl. 390, bij de Parigiërs, Dl. XL, 346, 347, 
bij de Mongondowers, zie de reeds boven aangehaalde plaats, en bij de Sangi- 
reezen, zie Bijdr. K. I. 5, VIII, bl. 351, 356, 366, 372, 382. In Bijdr. K. I. 7, 
VII, bl. 483 vindt men de Noefoorsche parallel. 

2. De Moesang en de Muis. 

Dit verhaal levert een tegenhanger op het ook bij de Toradja's en de 
Minahassers bekende verhaal van de twee dieren, die tegen elkaar wedden, om 
in een brandstapel te kruipen en dien boven zich in brand te steken. De Muis 
komt er levend af, door in den grond te kruipen. Het Minahassische verhaal 
staat opgeteekend: Tontemb. Teksten, Vertaling, bl. 4, 5. De tegenhanger van 
het verbranden is het duiken, waarbij de Muis zich op dezelfde wijze redt, n.1. 
door zich in den grond te graven. Van dat duiken ken ik geen parallel. Het 
Toradja'sche verhaal van het elkaar in bamboe stoven van Aap en Spookaap, 
vindt men in Dl. Lil van Tijdschrift Bat. Gen. bl. 309 en 321. 

3. De Hond en de Aap. 

Wat hier van den Hond wordt verteld, vindt men in de meeste dieren- 
verhalen als vervolg van hetgeen in No. 1 is verteld van den Reiger en de Apen. 



90 

Als de Reiger de schuit, waarin hij met den Aap vaart, heeft doen veronge- 
lukken, vliegt hij weg en laat den Aap in zee achter. Deze bereikt dan een 
eilandje in zee, waarop hij zich in dezelfde moeilijkheid bevindt als hier de 
Hond. Men zie de onder No. 1 aangehaalde parallellen. Gewoonlijk komt de 
Aap (de Hond) van zijne benauwde verblijfplaats af, door het bekende verhaal 
van de krokodillenbrug. Hier treedt wel even een krokodil op, maar zonder 
eigenlijk eene rol te spelen. 

Het overbrengen van het eiland naar den vasten wal geschiedt ook in 
de Sangireesche verhalen door een Haai, zie Bijdr. K. I. 5, VIII, 352, 357. 

Als loon voor zijne hulp, werpt de Hond den Haai gloeiende houtskolen 
in den bek. Vgl. het „Verhaal van Tandani", eene Toradja'sche vertelling, 
medegedeeld in Dl. XLV van het Tijdschrift Bat. Gen. bl. 457 — 465. Op bl. 
461 wordt verteld dat Tandani, die op een boom zit, een ouden Boschman, die 
hem belaagt, tot vlak bij zich laat naderen, om hem daarna een heeten steen 
in den mond te werpen, waardoor hij sterft. Een Parigisch verhaal vertelt van 
zeven meisjes, die beloofd hadden aan een Kikvorsch, dat hij eene van haar 
mocht trouwen, als hij haar over de rivier bracht. Als de Kikvorsch komt om 
zijne bruid te halen, werpen zij een vooraf door haar heet gemaakten steen op 
hem, zoodat hij sterft. 

De wijze, waarop de Aap zich meester maakt van het vleesch van 
den Haai, ten koste van den Hond, die hem had geholpen het dier in 
stukken te snijden, herinnert weder aan de Sangireesche verhalen, waar 
de Aap een Reus tot helper heeft bij het ontweien van den Haai; hij 
zendt den Reus weg om water te halen in een bamboe-koker met doorgesto- 
ken bodem ; terwijl de Reus eerst na geruimen tijd het bedrog bemerkt, heeft 
de Aap tijd al het vleesch van den Haai te stelen. Zie Bjjdr. K. I. 5, VIII, 
358, 367, 384. 

Wellicht is hiermede ook nog te vergelijken het verhaal van den Wal- 
visch, in Dr. Juynboll's bovengenoemden Catalogus, II, 104. 

4. Een Aap en een Tripang. 

. Van dit verhaal zijn de parallellen zeer talrijk. Om er maar eenige te 
noemen: Bijdr. K. I. 5, IX, 713, en de daar opgegeven parallellen van het 
Minahassische verhaal; zie ook Tontemb. Teksten, bl. 4, 11 en 12. Ibid. 6, I, 
bl. 222—226 vindt men de Galela'sche parallel, medegedeeld door Van Baarda; 
Ibid 6, II, bl. 133 de Lampongsche, van de hand van Van Ophuysen. 
In „De Atjehers" van Snouck Hurgronje is op bl. 161 het verhaal te vinden, 
zooals de Atjehers het kennen, en in het Album Veth, op bl. 55, geeft Poensen 



91 

eene Javaansche parellel. De Toradja'scke parallel vindt men in Dl. Lil van 
het Tijdschrift Bat. Gen. op bl. 209, 210. 

5. Een Aap en een Krokodil. 

De Aap vraagt het kind van den Krokodil om het te onderwijzen, maar 
doodt het en eet het op. Zoo doet hij met alle 7 jongen van den Krokodil. 

Dit verhaal is terug te vinden in Dl. XXXIII dezer Verhandelingen bl. 
36, het is een der 5 verhaaltjes, die Dr. Riedel aldaar in verschillende talen 
mededeelt. Vanwaar het verhaal afkomstig is, wordt er niet bij gezegd. 

Het eind van het Tetoemsche verhaal is niet zeer duidelijk. Waarschijn- 
lijk is bedoeld met de passage van het zich verstoppen tusschen de lontar- 
bladeren, het verhaal waarin de Aap, hardop denkende, uiting geeft aan zijn 
vermoeden dat de Krokodil zich wel eens verdekt kon hebben opgesteld om 
hem te belagen. Hij noemt dan een kenteeken op, dat den Krokodil er 
toe verleidt zich te verraden, b.v. : ,,Als dat ding daar in de rivier een 
boomstam is, dan drijft het naar boven, als het de Krokodil is, dan blijft 
het stil liggen"; of: „Als mijn huis antwoordt als ik het roep, dan is het ledig ; 
zwijgt het stil, dan is de Krokodil er in". De Krokodil laat zich dan verschal- 
ken en zwemt stroomopwaarts of geeft antwoord. Wellicht is de bedoeling 
deze: De Aap roept den Krokodil en deze houdt zich eerst goed, maar laat 
zich daarna verlokken tot antwoorden en verraadt aldus zijne aanwezigheid. 
Vgl. No. 1 der Galela'sche Verhalen, in Bijdr. K. I. 6, I, en No. V en VI 
der Sangireesche verhalen, Bijdr. K. I. 5, VIII, 406, 409. 

Na ontkomen te zijn, scheldt de Aap den Krokodil uit. Evenzoo doet 
de Spookaap met de Krokodillen, nadat bij over hunne ruggen loopende, den 
vasten wal heeft bereikt, in het Toradja'sche verhaal, Dl. XLV van het Tijd- 
schrift Bat. Gen. bl. 391. 

6. Michiel en de Slang met zeven koppen. 

Dit verhaal is hetzelfde als No. 14, „Don Joan". Het laatste verhaal is 
breeder uitgewerkt. Het zou beter zijn geweest, indien deze beide verhalen 
onmiddelijk op elkaar volgden. 

In het begin bewijst een koningszoon een dienst aan zeven toovenaars 
(No. 6) of aan een boosdoener (No. 14), door ze uit de gevangenis te laten, 
nadat ze hem een verloren speeltuig hebben teruggebracht. Hierdoor worden 
deze lieden zijne beschermers, die hem later, als hij in moeilijkheid verkeert, 
krachtig bijstaan. In vele Indonesische verhalen wordt dit verteld van dankbare 
dieren, die dengene, die hen verlost of gespaard heeft, helpen tot het verrichten 
van buitengewone daden, waardoor hij tot grootheid komt. Zie Tontemboansche 



92 

Teksten, Vertaling, bl. 72 — 75. Dat deze trek ook in de Grimmsche Sprookjes 
is te vinden, wordt medegedeeld in ,,Ind. Gids", 1910, I, bl. 270—272. 

De ter dood veroordeelde zoon of dochter, die door den beul wordt ge- 
spaard, terwijl deze het hart of de lever van een gedood dier medebrengt, om 
die aan den vader, die zijn kind veroordeeld had, aan te bieden, ten bewijze 
dat het bevel is uitgevoerd, is ook uit onze volksverhalen bekend genoeg. De 
Bare'e-sprekende Toradja's kennen een aantal verhalen, waarin deze trek voorkomt. 
Het gewone type van zulke verhalen is dit: Een man gaat op reis, laat zijne 
vrouw zwanger achter en geeft haar deze opdracht: Als ge een zoon baart, 
laat hem dan in 't leven, baart ge een meisje, dood het dan. De vrouw krijgt 
een dochtertje, maar doodt in de plaats van het kind een hond of eene geit 
en voedt haar kind in 't geheim op. Als de man thuis komt, wordt hem het 
graf van het gedoode dier getoond, als het graf van zijn dochtertje. Men zie 
Tijdschr. Bat. Gen. Dl. XL, bl. 371, No. 31 en de aangehaalde parallellen. 
Een ander Toradjasch verhaal spreekt van eene booze stiefmoeder, die de 
levers harer stiefkinderen wil eten en die door den beul, die de kinderen spaart, 
wordt tevreden gesteld met de levers van een paar geiten. 

In No. 6 wordt de veroordeelde jongen slaaf bij zijn vader, in No. 14 
wordt hij verbannen en krijgt een slaaf mede. Deze dwingt hem om beider 
rollen te verwisselen: de slaaf treedt op als heer, de koningszoon volgt hem 
als slaaf. In het Grimmsche Sprookje No. 89 (Die Gansemagd) wordt eene 
prinses door haar kamermeisje gedwongen met haar van kleeren en van paard 
te verwisselen en hare dienstmaagd, die zich voor prinses uitgeeft, te volgen. 
Men vergelijke nog het beneden, bij No. 13, gezegde. 

Verder wordt de aldus gevallen koningszoon in de beide verhalen (No. 6 
en No. 14) door zijne machtige beschermers, die zich zijne schuldenaars gevoe- 
len, geholpen om den draak met 7 koppen te verslaan. Zij voorzien hem daar- 
toe van too ver voor werpen. Van de afgeslagen koppen neemt hij slechts de 
tongen mede, waardoor de koppen in handen van een indringer komen (in 
No. 14 zijn gewezen slaaf), die daardoor voor korten tijd zich als den eigen- 
lijken overwinnaar weet voor te doen. De koningszoon weet echter zijn recht 
te verkrijgen en wordt daardoor tevens in zijn stand hersteld; de indringer 
ontvangt loon naar werken. Deze trek vindt men geheel terug in het lilde 
Sprookje der Gebrs. Grimm (Der gelernte Jager). 

Toovervoorwerpeu, zooals de tooverring, het windpaard en het toover- 
zwaard in deze verhalen, vindt men telkens in de Indonesische volksverhalen 
genoemd. In een aantal Toradjasche verhalen dient zulk een tooverring om er 
de vijanden mede te verdelgen. In het Grimmsche Sprookje No. 92 (Der König 



93 

vom goldenen Berge) brengt zulk een tooverriug den bezitter overal, waar hij 
wezen wil, in No. 93 (Die Rabe) geeft de ring steeds voorraad, die nooit ten 
einde raakt. Wonderpaarden vindt men in de gansche Indonesische letterkunde ; 
men denke slechts aan koeda sembrani uit de Maleische verhalen, vgl. Veth 
„Het Paard onder de volken van het Maleische ras", bl. 57 — 60, en Dr. Van 
Ronkel in Bijdr. K. I. 7, IV, bl. 483 — 488, waar de naam wordt verklaard 
als „rossig paard". 

Voorts vallen met deze beide verhalen nog te vergelijken de Garoeda- 
verhalen, waarvan het type is te vinden in het begin van 't verhaal van Sese 
nTaola, Verh. Bat. Gen. Dl. LV, Ie stuk. . 

7. De weeskinderen Boei en Maoe. 

Met dit verhaal is te vergelijken No. 23 van de Tontemboansche Teksten 
(Vertaling, bl. 72, 73); het vogeltje Berlihoe verschaft aan de weezen voedsel, 
evenals de kekekow in het Tontemboansche verhaal. Voor de geschiedenis met het 
varken vergelijke men de Toradjasche Vertellingen, in Tijdschr. Bat. Gen. XL, 
bl. 373. De figuren van Maoe lnan en Maoe Aman zijn te vergelijken met die 
van het menschenetend echtpaar Ta nTolo en Indo i nTolo in de Toradjasche 
verhalen, bv. in het verhaal van Tandani, Tijdschr. Bat. Gen. Dl. XLV, bl. 
460. Op bl. 459 aldaar komt de „Gapende Rots" voor, die herinnert aan 
de rots, den hollen boom en de bamboe in het Beloesche verhaal. 

8. Soeri Ikoen en Twee Roofvogels. 

Dit verhaal herinnert aan het Toradjasche „De zeven zonen vau Ta Datoe 
en de Holgeest", Tijdschr. Bat. Gen. XLV, bl. 438. De jongste van 7 gebroe- 
ders slaagt er in het dier, dat telkens hunnen voorraad wegsteelt, te dooden, 
maar de oudere broeders willen het hem niet bedrog ontfutselen. 

Soeri Ikoen valt in de macht van menschenetende spoken, van de soort 
als de bij No. 7 genoemde Ta nTolo en Indo i nTolo en de Tontemboansche 
Mawëris, zie Tontemb. Teksten, Vertaling, bl. 116; Verh. Bat. Gen. LVI, 3e 
stuk, Inleiding. 

De jonge roofvogels spelen de rol der bij No. 6 genoemde „dankbare 
dieren". Zij brengen Soeri Ikoen, die voor hen heeft gezorgd, tot grootheid 
en wreken hem op zijne oudere broeders. Ten slotte zijn zij nog na hunnen 
dood nuttig voor hem, want uit hunne veeren ontstaan allerlei nuttige zaken. 
Met dezen laatsten trek valt te vergelijken het opgroeien van een wonder boom 
uit de beenderen van het dier, dat bij zijn leven de rol van beschermer heeft 
gespeeld. Zie Toradjasche Vertellingen, 2de Reeks, Tijdschr. Bat. Gen. Dl. Lil, 



94 

bl. 247, 252, voorts Tontemb. Teksten, Vert. bl. 72, 73 en Ind. Gids 1910, 
I, 268. 

9. Een Aap en eene Schildpad. 

Met de No's 1 — 5, 11 en 17 behoort deze vertelling tot de Dieren- 
verhalen. 

In dit verhaal zijn in elkaar gewerkt, het bekende verhaal van het 
pisang-planten (zie Tijdschr. Bat. Gen. Dl. XLV, bl. 408, Tontemb. Teksten, 
Vert. bl. 2) en het verhaal van het Spaansche-peper-stelen, dat bv. te vinden 
is Tijdschr. Bat. Gen. Dl. LU, bl. 207, 272. Het tweede gedeelte, dat ook de 
2de helft van No. 17 vormt, is het verhaal van den Aap, die door een Schelp- 
dier wordt doodgeknepen. Vgl. Tijdschr. Bat. Gen. XL, bl. 357, 358. 

10. De weesjongen Doean. 

Dit verhaal vertelt van een weesjongen, die door zijn Oom en Tante 
wordt opgevoed en door de laatste slecht behandeld, zoodat hij vlucht. Hij 
komt in 't bezit van een wonderketting, die hem over de zee draagt en van 
een wonderkapmes, waarmee bij een draak verslaat. 

Parallellen van trekken uit dit verhaal zijn reeds bij No. 6 genoemd. 
Het komt nog meer dan dit laatste overeen met de Toradjasche Garoeda-ver- 
halen, omdat de Draak als vliegend wordt voorgesteld, zoodat de strijd dan 
ook in de lucht plaats heeft. Ook de trek van het opnemen en in zee smijten 
van het lijk van den Draak treft men in de Garoeda-verhalen aan. 

11. De Krab en de Aap. 

Met dit verhaal kan men vergelijken: Tontemb. Teksten, Vert. bl. 4, 
5 en Tijdschr. Bat. Gen. Dl. Lil, bl. 309, 310. 

12. Een Blinde en een Lamme. 

Het verhaal van den Blinde en den Lamme, die elkander onwillekeurig 
resp. het gezicht en het vermogen tot loopen wedergeven, wordt gewoonlijk 
aldus verteld : de Blinde en de Lamme krijgen twist, de Lamme krabt den 
Blinde de oogen open en de Blinde slaat den Lamme de beenen recht. 

13. Een Prins en eene Prinses. 

Dat een man door een met den stroom afdrijvend haar op de aanwezig- 
heid eener vrouw opmerkzaam wordt, is ook in de Toradjasche verhalen bekend. 
Verder vindt men het in de Bataksche Vertellingen van Pleyte, bl. 110. 

Over de slavin, die hare meesteres dwingt met haar van rol te ver- 
wisselen, zie het bij No. 6 gezegde. In de Toradjasche verhalen van vrouwen 



95 

die of door eene slavin of door Lise, de booze spookvrouw, die zich steeds in de plaats 
van jonge vrouwen bij hare mannen tracht in te dringen, worden in zee of in een 
afgrond geworpen, wordt haar eerst door Lise het gelaat afgestroopt. Dit plakt zij 
dan op het hare, om gelijkenis met de aldus mishandelde te krijgen. Zoo wordt 
het slachtoffer dan ook blind. In een der Toradjasche Lise-verhalen wordt ook 
eene jonge vrouw aldus het gelaat afgestroopt, daarop wordt zij over boord 
geworpen. Zij weet zich aan de boot vast te houden en komt aan land, waar 
zij zich verbergt. Zwanger zijnde, krijgt zij een zoon; deze wordt groot, vangt 
voor zijne moeder een visch en zet haar de oogen van den visch in, zoodat zij 
weer ziende wordt. 

Op een feest, waar moeder en zoon heengaan, volgt de ontmoeting met 
den man en vader. De zoon vertelt zijne geschiedenis en daarop volgt de her- 
kenning. De indringster wordt gestraft. Zie : Adriani en Kruyt ,,üe Bare'e- 
sprekende Toradja's van Midden-Celebes", III, bl. 440—442. 

14. Don Joan. 

Zie het bij No. 6 gezegde. 

15. Een jongen genaamd Maoe Loha. 

Deze is de Uilespiegel in de Beloesche letterkunde. Van de hier van 
hem vermelde guitenstreken is het verhaal van de dakbladeren, waarin hij zich 
verbergt, om zich door zijn vader naar huis te laten dragen, hetzelfde als het 
Tijdschr. Bat. Gen. Dl. XL, bl. 376 medegedeelde. 

Van den tweeden streek, het opeten van het varkensvleesch, dat 
hij zijn vader aan den angel laat slaan, zijn mij geen parallellen bekend. 
Ook niet van den derden trek, waar hij zich vermomt en zijn vader bang 
maakt, zoodat hij een aantal trossen pisang kan afhakken, die hij later 
komt opeten. 

De laatste streek echter, zijne ouders op een tijd, dat zij niet bij elkaar 
zijn, de een omtrent den ander wijs maken dat zij dood zijn, hen elk afzonder- 
lijk aansporen om te hertrouwen en hen dan weder bij elkaar brengen, kennen 
ook de Toradja's, zie Tijdschr. Bat. Gen. Dl. XLVI, bl. 126; evenzoo is het 
bekend in het Koepansch, Soembawasch en Soembasch, zie Dr. Jonker, in 
Bijdr. K. I. 7, II, 289. 

16. Don Joean en de oude Tooverheks. 

De held van dit verhaal gaat op reis, verwerft een wonderhond en een 
wonderkat, die hem helpen eene tooverheks te dooden. Zie het bij No. ö 
gezegde. 



96 

17. Een Aap en eene Schildpad. 

Het eerste deel van dit verhaal is de overbekende geschiedenis van het 
bijennest. Zie Tontemb. Teksten, Vertaling, bl. 5. 
Het 2e deel is het zelfde als dat van No. 9. 

SOEKABOEMI, Allg. 1913. 




"CZ ERNST MAYR LIBRARY 



3 2044 118 681 154 



Date Due